Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 1997-01-15
ECLI:NL:GHAMS:1997:AA4175
Inleiding
Gerechtshof te Amsterdam kenmerk P95/3712 GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Derde Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X N.V. te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst Grote ondernemingen U, de inspecteur. 1. Loop van het geding Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 7 september 1995, ingediend door haar gemachtigde, en gericht tegen de uitspraak van de inspecteur met dagtekening 4 augustus 1995 betreffende de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 1993. De aanslag is berekend naar een belastbaar bedrag van f.11.272.010 en is bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. Het beroep, dat is aangevuld bij schrijven van de gemachtigde van 31 januari 1996, strekt tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de aanslag primair tot een berekend naar een belastbaar bedrag van f.156.830 en subsidiair f.9.172.174. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak. Met toestemming van de Voorzitter van de Derde Meervoudige Belastingkamer heeft de gemachtigde een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingezonden. Ter zitting van 2 oktober 1996 is verschenen de gemachtigde voornoemd alsmede de inspecteur. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Op 24 mei 1992 heeft belanghebbende van haar aandeelhoudster, Y, gekocht 26 procent van de aandelen in een Spaanse vennootschap, te weten A. De verwerving van voormelde aandelen werd gefinancierd met een lening verstrekt door de verkoopster ten bedrage van 2.628.792.026 Spaanse peseta's. Deze lening is verstrekt op 29 mei 1992. Uitgaande van de pesetakoers op laatstgenoemde datum bedroeg de schuld in Nederlandse guldens 46.989.657. 2.2. Belanghebbende en Y gingen er, zoals blijkt uit een faxbericht van 30 maart 1993 (bijlage 6 bij de aanvulling op het beroepschrift) van uit dat de lening kortlopend zou zijn omdat het plan was de deelneming snel te verkopen. Over de opeisbaarheid van de lening was niets geregeld. 2.3. De lening droeg een rente van 8,35% per jaar; dit percentage was lager dan de marktrente en afgeleid van een gemiddeld rendement op staatsleningen. In 1993 is door belanghebbende geen rente vergoed op de lening; er is ook geen rente in rekening gebracht door de geldverstrekker. 2.4. Op 20 augustus 1993 heeft belanghebbende 703.869.256 peseta's afgelost op de lening, ofwel f.9.800.000 tegen de koers op het moment van aflossing. De restantschuld beliep toen 1.924.922.770 peseta. 2.5. Op 9 december 1993 heeft de aandeelhoudster van belanghebbende een kapitaalstorting in belanghebbende verricht ad f.31.000.000. Met de via deze kapitaalstorting verkregen middelen is de restant peseta-schuld afgelost. Daarbij realiseerde belanghebbende een koerswinst als gevolg van de inmiddels gedaalde koers van de Spaanse peseta ten opzichte van de Nederlandse gulden. De behaalde koerswinst laat zich als volgt becijferen: oorspronkelijke schuld (tegen pesetakoers per datum verstrekking lening) f.46.989.657 aflossing 20 augustus 1993 (tegen pesetakoers op die datum) " 9.800.000 ------------ boekwaarde restant lening f.37.189.657 aflossing 9 december 1993 26.074.471 ------------ koerswinst f.11.115.186
=
===== 2.6. In de aangifte vennootschapsbelasting voor het onderhavige jaar 1993 heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de koerswinst niet tot haar belastbare resultaat behoort. Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur het bedrag ad f.11.115.186 in het belastbare bedrag begrepen. 3. Geschil Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de volgende vragen. * Behoort de gerealiseerde valutakoerswinst ad f.11.115.186 tot het belastbare resultaat van belanghebbende, zoals de inspecteur stelt en belangh