Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 1993-04-02
ECLI:NL:GHAMS:1993:1
l arrestnummer 870/93 rolnummer 23-002449-92 datum uitspraak 2 april 1993 verstek Arrest van het Gerechtshof te Amsterdam gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 29 april 1992 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13.61.899.1 en 13.61.899.lA tegen [verdachte] geboren te [geboorteplaats] , [geboorteland], op [geboortedag] 1962, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. De omvang van het hoger beroep Het namens verdachte door ziJn raadsman ingestelde hoger beroep is, blijkens de mededeling van de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak onder parketnummer 23.000.489.89 (13.005.693.89). Het onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 15 april 1992 en in hoger beroep van 19 maart 1993. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de procureur-generaal en van hetgeen door de raadsman van verdachte naar voren is gebracht. De telastelegging Aan de verdachte is telastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen. Van de dagvaardingen zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen. Tengevolge van een kennelijke schrijffout staat in de tweede regel van het onder parketnummer 13.61.899.lA telastegelegde vermeld: "Clock" in plaats van: "Glock". Het hof herstelt deze schrijffout. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter. Bespreking van verweren De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat zich geen feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die ten aanzien van verdachte een redelijke verdenking van betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] konden opleveren en dat hij derhalve ten onrechte als verdachte is aangemerkt. Het hierna gevolgde binnentreden in de woning van verdachte op grond van een bijzon-dere schriftelijke last en de aanhouding van verdachte zijn daarom onrechtmatig geschied. Daaraan heeft de raadsman met betrekking tot het onder parket-nummer 13.61.899.lA telastegelegde feit de conclusie verbonden dat de inbeslaggenomen wapens als vruchten van het onrechtmatig binnentreden van het bewijs dienen te worden uitgesloten. (a) De raadsman heeft voorts - eveneens met betrekking tot het onder parketnummer 13.61.899.lA telastegelegde feit - aangevoerd dat de rechter-commissaris tijdens de door haar gedane huiszoeking ter inbeslagneming niet voortdurend aanwezig, dan wel bereikbaar, is geweest. Immers heeft zij voor de duur van de huiszoeking tele-foonverkeer verboden en heeft zij kort na de aanvang van de huis-zoeking het pand verlaten in verband met dringende ambtsbezighe-den elders. Weliswaar heeft zij medegedeeld dat zij per telefoon bereikbaar bleef, doch er bleek geen telefonisch contact mogelijk vanuit het pand waar zij verbleef, waarna de rechter-commissaris is teruggekeerd. Ook op deze grond dienen de inbeslaggenomen wapens - aldus de raadsman - van het bewijs te worden uitgeslo-ten. (b) Het hof verwerpt voormelde verweren en overweegt daartoe het volgende: ad a) In verband met een onderzoek naar de onnatuurlijke dood van [slachtoffer] , wiens stoffelijk overschot in de ochtend van 3 oktober 1991 in Diemen werd aangetroffen, kwam uit diverse CID bronnen informatie binnen, dat een Joegoslaaf, genaamd [verdachte] geboren op 25 oktober 1962, zijnde de "baas" van een groep Joegoslaven, op zoek was naar [slachtoffer] , omdat laatstgenoemde enige tijd geleden een partij harddrugs had laten verdwijnen ten nadele van deze groep. Voorts zou [verdachte] , eveneens blijkens voormelde informatie, op 1 oktober 1991 omstreeks 13.30 uur door een andere Joegoslaaf, genaamd [naam 1] , geboren op 28 augustus 195 Onmiddellijk hierop voelde ik, [naam 3] , dat mijn linker-broekspijp door iets geraakt werd. De knal herkenden wij als het schot uit een vuurwapen. Hierop werd de verdachte, genaamd: [verdachte] , door ons aangehouden. 3. Een proces-verbaal d.d. 22 november 1991, opgemaakt op ambts-belofte door [naam 6] en op ambtseed door [naam 7] , beiden wachtmeester eerste klas der rijkspolitie (doorgenummerd blad-zijde 86). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verba-lisanten - zakelijk weergegeven-: Op 22 november 1991 bevonden wij ons in verband met een aanhoudingsactie in de achtertuin van perceel [adres] te Amsterdam. Op een zeker moment hoorden wij via onze portofoon dat de aanhoudingsactie zou aanvangen. Kort hierop hoorden wij collega's roepen "politie, politie". Wij hoorden vervolgens dat er twee maal werd geschoten. Met betrekking tot het onder parketnummer 13.61.899.lA telaste-gelegde feit : 1. Een voor fotokopie conform het origineel gewaarmerkt afschrift van het proces-verbaal van de zitting van de arrondissements-rechtbank te Amsterdam van 15 april 1992. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verdachte - zakelijk weergegeven-: Het klopt dat ik op 22 november 1991 in ml.Jn huis in Amsterdam twee vuurwapens in mijn bezit had. Het betrof een pistool Glock en een revolver Smith en Wesson. Het pistool was van mezelf en de revolver had ik de avond vóór 22 november 1991 van een vriend gekregen. Ik had tegen hem gezegd dat hij die revolver bij mij moest achterlaten. Ik wist dat het een geladen revolver betrof. 2a. Een proces-verbaal van huiszoeking d.d. 22 november 1991 van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Amsterdam. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven-: Op 22 november 1991 heeft mr [naam 8] , rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, ter inbeslagneming huiszoeking gedaan te Amsterdam, [adres] , bewoond door [verdachte] . De rechter-commissaris deed zich onder meer vergezellen van de heer [naam 9] , technisch rechercheur rijkspolitie Amsterdam. Hetgeen op de aangehechte lijst is vermeld is inbeslaggenomen. De rechter-commissaris heeft het inbeslaggenomene ter hand gesteld aan de opsporingsambtena-ren. 2b. De aan het hiervoor onder 2a vermelde proces-verbaal gehechte lijst van inbeslaggenomen goederen, onder meer vermeldend: 001 revolver, Smith en Wesson, kaliber .357 Magnum; 002 pistool, merk Clock (het hof leest: Glock). 3. Een geschrift zijnde een Gerechtelijk Laboratorium van Rijswijk d.d. 29 januari 1992, [naam 10] . kopie van een rapport van het het Ministerie van Justitie te opgemaakt op ambtsbelofte door T. Dit rapport houdt onder meer in als verklaring van [naam 10] voornoemd -zakelijk weergegeven-: Aanvrage van: technische recherche der rijkspolitie Amsterdam Verbalisant: [naam 9] , adjudant Op 9 december 1991 werden ontvangen van recherche der rijkspolitie Amsterdam, adjudant: de via technische [naam 11] , Al. een revolver, .357 Magnum; merk Smith & Wesson, model 13-3, kaliber A2. een pistool, merk Glock, model 17, Parabellum. Conclusie; kaliber 9 mm De revolver ad Al, merk Smith & Wesson, is bestemd en geschikt voor het verschieten van revolverpatronen kaliber .357 Magnum. Het pistool ad A2, merk Glock, is bestemd en geschikt voor het semi-automatisch verschieten van pistoolpatronen kaliber 9 mm Parabellum. Het hof heeft dit geschrift slechts tot het bewijs gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen. Oe strafbaarheid van de feiten De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep met betrek-king tot het onder parketnummer 13.61.899.1 telastegelegde feit primair een beroep gedaan op noodweer en heeft daartoe - zake-lijk weergegeven - het volgende aangevoerd: Ten behoeve van de aanhouding van verdachte hebben leden van het arrestatieteam van de Rijkspolitie Amsterdam met oorverdovend lawaai de toegangsdeur van d 22 november 1991, opgemaakt op ambts-belofte door [naam 6] en op ambtseed door [naam 7] , beiden wachtmeester eerste klas der rijkspolitie (doorgenummerd blad-zijde 86), voor zover inhoudende als verklaring van verbalisan-ten - zakelijk weergegeven-: Op 22 november 1991 bevonden wij ons in verband met een aanhoudingsactie in de achtertuin van perceel [adres] te Amsterdam. Op een zeker moment hoorden wij via onze portofoon dat de aanhoudingsactie zou aanvangen. Kort hierop hoorden wij collega's roepen "politie, politie". Wij hoorden vervolgens dat er twee maal werd geschoten; een voor fotokopie conform het origineel gewaarmerkt afschrift van het proces-verbaal van de zitting van de arrondissements-rechtbank te Amsterdam van 15 april 1992, voor zover inhoudende als de verklaring van de rechter-commissaris mr [naam 8] : Tijdens de reconstructie bevond ik mij in de slaapkamer. Ik kan me nu vaag herinneren dat ik tijdens het beuken op de deur door het arrestatieteam "politie" heb horen roepen. Door de weergave van het cassettebandje thans ter terecht-zitting herinner ik me nu, dat ik toen wel "politie" heb gehoord; de verklaring ter terechtzitting in hoger beroep van de getuige-deskundige [naam 11] , voor zover inhoudende: Gezien de wijze waarop de onderhavige reconstructie tot stand is gekomen, kan deze worden aangemerkt als een betrouwbare weergave van hoe het werkelijk gegaan is. Ten tijde van de reconstructie van de inval door het arres-tatieteam bevond ik mij in de slaapkamer van verdachte. Het lawaai dat het team bij die inval veroorzaakte, was daar duidelijk hoorbaar. Ook kon ik heel duidelijk "politie" horen roepen. de door het hof ter terechtzitting aanschouwde en gehoorde beeld- en geluidopnamen van de reconstructie gehouden op 19 december 1991 in de woning van verdachte. Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. De op te leggen straf en maatregel De rechtbank heeft verdachte ter zake van de beide telastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek, en heeft de inbeslaggenomen goederen aan het verkeer onttrokken. Namens verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld, welk hoger beroep zich, blijkens mededeling van de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep, niet uitstrekt tot de beslissing van de rechtbank op de vordering tenuitvoerlegging. De procureur-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging, en dat het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, alsnog de tenuitvoerlegging zal bevelen van drie maanden gevangenistraf. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder in beschouwing genomen, dat verdachte in zijn woning twee schietklare wapens voorhanden heeft gehad en niet geschroomd heeft één van deze wapens te gebruiken, toen politieambtenaren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening voormelde woning binnentraden. Gelet op de ernst van deze feiten is slechts een langdurige vrijheidsbenemende straf op haar plaats. Verdachte is al eerder door de strafrechter veroordeeld, onder meer ter zake overtreding van de Vuurwapenwet en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Voorts was voor verdachte ten tijde van het begaan van de onderhavige feiten nog een proeftijd van kracht. Onder deze omstandigheden is de door de rechtbank opgelegde en door de procureur-generaal gevorderde gevangenisstraf van drie jaren alleszins gerechtvaardigd. De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 1. revolver, merk Smith & Wesson, nr. ALA 7515; 4 scherpe patronen .357, merk Norma; 2 hulzen van patroon .357; opgevat als een gezamenlijkheid van voorwerpen, dienen te worden on