Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-01-28
ECLI:NL:CRVB:2026:92
Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 24/2421 WIA Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 25 september 2024, 23/1235 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 28 januari 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering per 30 augustus 2023 heeft beëindigd, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.H.G. van der Leest, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het Uwv heeft nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 december 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Leest. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door dhr. V.A.R. Kali. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als [naam beroep] gedurende dertig uur per week. Zij is op 19 april 2017 uitgevallen met de ziekte van Graves (schildklier). Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 21 maart 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 november 2019, geweigerd met ingang van 17 april 2019 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan appellante toe te kennen. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 14 november 2019 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 juli 2023 heeft de Raad het daartegen ingestelde hoger beroep van appellante ongegrond verklaard. 1.2. Appellante heeft zich op 30 mei 2022 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld vanuit bij haar bekende fibromyalgie en status na M. Graves. In verband met deze melding heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 oktober 2022. Van 30 mei 2022 tot 3 oktober 2022 wordt appellante in verband met behandeling volledig arbeidsongeschikt geacht. Vanaf 3 oktober 2022 acht de verzekeringsarts appellante belastbaar volgens de FML. De arbeidsdeskundige heeft de mate van arbeidsongeschiktheid berekend vanaf 3 oktober 2022. Hij heeft vastgesteld dat appellante haar eigen functie niet meer kan vervullen, heeft functies geselecteerd en op basis van die functies een mate van arbeidsongeschiktheid van 28,84% vastgesteld. Het Uwv heeft bij besluit van 16 januari 2023 appellante vanaf 30 mei 2022 in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering. Bij een ander besluit van 16 januari 2023 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat de WIA-uitkering met ingang van 17 maart 2023 beëindigd wordt omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is. 1.3. Bij besluit van 31 maart 2023 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML volledigheidshalve aangevuld met het aspect routinematig werk. Dit was wel aangegeven in het rapport van de verzekeringsarts, maar niet aangevinkt in de eerdere FML. Uitgaande van de in de FML van 28 maart 2023 vastgestelde beperkingen heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vervolgens geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% blijft. 1.4. Appellante heeft beroep Zij heeft alleen gesteld dat die klachten toenemen, maar zij heeft niet gemotiveerd in hoeverre meer beperkingen zouden moeten worden aangenomen voor die klachten. 2.2.3. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom zij geen aanvullende beperkingen aanneemt vanwege handklachten. Dat wat appellante en verzekeringsarts Erdogan daartegen hebben aangevoerd, leidt niet tot twijfel aan die beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft namelijk uitgelegd dat er geen specifieke beperkingen vanuit de handklachten zijn te duiden, want appellante is niet bekend met een specifieke pathologie aan de handen. Verder beargumenteert zij in haar reactie op het rapport van verzekeringsarts Erdogan overtuigend waarom appellante niet beperkt hoeft te worden in reiken en werken met toetsenbord. Zij voegt daaraan toe dat dusdanige beperkingen anti-revaliderend en deconditionerend werken. In het rapport van 24 juni 2024 is de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij haar standpunt gebleven. Zij heeft nogmaals uitgelegd dat lichte activiteiten die een repeterend karakter hebben wel mogelijk zijn en juist kunnen bijdragen aan het in beweging blijven en bijhouden van de conditie. Zij onderkent dat dit met enige pijnklachten gemoeid kan gaan en dat ook bij lichtere activiteiten enige kracht moet worden geleverd, maar dat dit niet gecontra-indiceerd is. Zij wijst er nogmaals op dat het belangrijk is dat er geen zeer grote kracht gezet hoeft te worden. Deze beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep past bij de bevindingen van reumatoloog Schardijn. Hij vond bij onderzoek naar de handfunctie geen duidelijke functiebeperkingen en hij omschrijft dat appellante verminderd belastbaar is voor fysiek zware en langdurige repetitieve werkzaamheden. Hij beveelt licht, afwisselend werk aan. Hij geeft ook aan dat lichamelijke activiteit of lichaamsbeweging van essentieel belang blijft en wijst erop dat deconditionering en verlies van spierkracht optreedt bij onvoldoende lichamelijke belasting. Verzekeringsarts Erdogan heeft weliswaar gesteld dat pijnklachten aanleiding geven tot het beperken van repetitieve handelingen en computerwerkzaamheden. maar zijn argumenten hebben de rechtbank niet overtuigd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft namelijk onbetwist gesteld dat het voorkomen van ervaren pijn geen doel op zich is en dat beperkingen worden aangegeven voor handelingen die fysiek niet uitvoerbaar zijn of die tot schade zouden leiden. Uit het rapport van verzekeringsarts Erdogan blijkt niet dat repetitieve handelingen of computerwerkzaamheden fysiek niet uitvoerbaar zijn of tot schade zullen leiden. 2.2.4. De rechtbank heeft appellante ten slotte niet gevolgd in haar standpunt dat een aanvullende urenbeperking noodzakelijk is. Appellante is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet meer dan acht uur per dag belastbaar. Dit onder de voorwaarde dat zij maximaal 24 uur per week te belasten is. Er wordt dan rekening gehouden met de noodzaak tot recuperatie doordat appellante de mogelijkheid heeft minder uren per dag te werken of minder dagen per week te werken. In haar reactie op het rapport van verzekeringsarts Erdogan legt zij uit dat het structureel minder uren actief zijn gewoontevorming en deconditionering in de hand kan werken en hiermee anti-revaliderend en dus contra-effectief kan zijn. Zij wijst daarbij nogmaals op de flexibiliteit van de urenbeperking van 24 uur per week en de mogelijkheid om zelf vorm te geven aan de invulling van de werkweek. Verzekeringsarts Erdogan stelt weliswaar dat appellante overdag slaapbehoefte heeft en gemiddeld twee uur per dag slaapt, maar daarmee onderbouwt hij niet dat er sprake is van een medische noodzaak voor een urenbeperking per dag. Dit volgt ook niet uit zijn meer algemene beschouwing op pagina 9 van zijn rapport van 11 maart 2024. Daarin schrijft hij namelijk dat het advies geldt mogel Uitgaande van de juistheid van de FML van 28 maart 2023 wordt verder geoordeeld dat de geselecteerde functies, die (uiteindelijk) ten grondslag zijn gelegd aan het bestreden besluit 2, voor appellante geschikt zijn. Daarvoor wordt verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 12 december 2025. In dit rapport heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht dat de functie Medior soldering operator (SBC-code 111180) niet geschikt is in verband met de omvang van de noodzakelijk te volgen opleiding. Deze functie heeft hij daarom laten vallen. De functies DZA-medewerker (SBC-code 515080), Medewerker ontvangst centrale hal (SBC-code 315120) en Teamondersteuner (SBC-code 315100) acht hij wel geschikt voor appellante. Op basis van deze functies heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ongewijzigd een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% vastgesteld. 5.4.2. De geschiktheid voor de functie DZA-medewerker heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afdoende toegelicht. In het rapport van 12 december 2025 is overwogen dat in deze functie als opleidingseis geldt: diploma mbo-niveau 4. Appellante voldoet aan de opleidingseisen voor deze functie. Zij heeft namelijk een mts-diploma, dat is vergelijkbaar met een mbo-niveau 4 diploma. In de functie wordt geen specifieke ervaring gevraagd. Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de arbeidskundig analist gevraagd om de in deze functie vereiste kennis van medische terminologie nader toe te lichten. Op 16 december 2025 gaf de arbeidskundig analist aan dat de werkgever desgevraagd heeft bericht dat de kennis over medische terminologie geen vereiste is bij indiensttreding. Ervaring leert dat de DZA-medewerker veel oppikt tijdens de werkzaamheden. Enerzijds door te zoeken in naslagwerken, anderzijds doordat zij omringd zijn door zorgprofessionals die hen tijdens het werk hierover leren en uitleg geven. 5.5. De grond van appellante dat het Uwv ten onrechte de functie inpakker/ster koekjes (SBC-code 111190) niet heeft gebruikt voor de schatting, slaagt niet. Met de in 5.4.1 geselecteerde functies wordt voldaan aan de minimumeisen van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten: minstens drie SBC-codes met minimaal drie arbeidsplaatsen per SBC-code en in totaal ten minste negen arbeidsplaatsen. 5.6. Dat het vervallen van de functie Medior soldering operator (SBC-code 111180) gevolgen heeft voor de mate van arbeidsongeschiktheid per 17 maart 2023, volgt de Raad niet. In bestreden besluit 2 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij per 17 maart 2023 onveranderd recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering. De hoogte van deze uitkering bedraagt € 1.648,30 bruto per maand, inclusief vakantiegeld (70% van haar WIAmaandloon van € 2.354,71). Deze WGA-loonaanvullingsuitkering loopt tot 30 augustus 2023. Van een wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid is eerst per laatstgenoemde datum sprake, omdat die op minder dan 35% is vastgesteld. Conclusie en gevolgen 5.7. De overwegingen onder 5.2 tot en met 5.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd. Pas in hoger beroep is een afdoende arbeidskundige onderbouwing voor bestreden besluit 2 gegeven. Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld. Ook als dit gebrek in bestreden besluit 2 zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. 6. In verband met de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.868,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand (2 punten, met een waarde per punt van € 934,-). 6.1. Het Uwv moet