Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-05-19
ECLI:NL:CRVB:2026:657
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,389 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:657 text/xml public 2026-05-22T10:00:19 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-19 26/331 PW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:657 text/html public 2026-05-21T13:51:40 2026-05-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:657 Centrale Raad van Beroep , 19-05-2026 / 26/331 PW De Raad verklaard zich onbevoegd. Geen sprake van appèlverbod en evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen. Niet aannemelijk gemaakt dat met de aangevallen uitspraken dat rechtsbeginsel door de verzetsrechter van de rechtbank is geschonden of dat deze de eisen van een goede procesorde niet in acht heeft genomen. Appellant heeft in de verzetsprocedures immers toegang gehad tot de rechter. De verzetsrechter van de rechtbank heeft appellant in beide zaken in de gelegenheid gesteld om op een zitting zijn standpunten naar voren te brengen, alvorens uitspraak te doen op het verzet. Appellant heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt, nu hij op beide zittingen is verschenen. Dat appellant niet de beschikking had over de dossiers van deze zaken is niet gebleken. 26/331 PW, 26/332 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 26/331 PW, 26/332 PW Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 12 december 2025, 24/9467 V en 19 december 2025, 24/9466 V (aangevallen uitspraken) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college) Datum uitspraak: 19 mei 2026 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken. OVERWEGINGEN Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank beslist op de verzetten van appellant tegen twee uitspraken van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aangevallen uitspraken zijn uitspraken als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb. In artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb is bepaald dat tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb geen hoger beroep kan worden ingesteld. Voor doorbreking van dit zogenoemde appèlverbod kan volgens vaste rechtspraak grond bestaan indien sprake is van evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. Appellant betoogt dat de rechtbank zijn beroep zonder inhoudelijke behandeling heeft afgedaan, terwijl hij niet beschikte over het volledige dossier en hij expliciet had aangegeven zijn gronden na ontvangst verder te zullen aanvullen. Samenvattend stelt appellant zich op het standpunt dat hem hierdoor feitelijk de mogelijkheid is ontnomen om zijn zaak effectief te bepleiten, hetgeen een schending oplevert van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dit betoog treft geen doel. Appellant heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat met de aangevallen uitspraken dat rechtsbeginsel door de verzetsrechter van de rechtbank is geschonden of dat deze de eisen van een goede procesorde niet in acht heeft genomen. Appellant heeft in de verzetsprocedures immers toegang gehad tot de rechter. De verzetsrechter van de rechtbank heeft appellant in beide zaken in de gelegenheid gesteld om op een zitting zijn standpunten naar voren te brengen, alvorens uitspraak te doen op het verzet. Appellant heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt, nu hij op beide zittingen is verschenen. Dat appellant niet de beschikking had over de dossiers van deze zaken is niet gebleken. De Raad is dan ook kennelijk onbevoegd om van de door appellant ingestelde hoger beroepen kennis te nemen, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026. (getekend) M. Wolfrat (getekend) A. Giesen Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:105.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:657 text/xml public 2026-05-22T10:00:19 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-19 26/331 PW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:657 text/html public 2026-05-21T13:51:40 2026-05-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:657 Centrale Raad van Beroep , 19-05-2026 / 26/331 PW De Raad verklaard zich onbevoegd. Geen sprake van appèlverbod en evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen. Niet aannemelijk gemaakt dat met de aangevallen uitspraken dat rechtsbeginsel door de verzetsrechter van de rechtbank is geschonden of dat deze de eisen van een goede procesorde niet in acht heeft genomen. Appellant heeft in de verzetsprocedures immers toegang gehad tot de rechter. De verzetsrechter van de rechtbank heeft appellant in beide zaken in de gelegenheid gesteld om op een zitting zijn standpunten naar voren te brengen, alvorens uitspraak te doen op het verzet. Appellant heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt, nu hij op beide zittingen is verschenen. Dat appellant niet de beschikking had over de dossiers van deze zaken is niet gebleken. 26/331 PW, 26/332 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 26/331 PW, 26/332 PW Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 12 december 2025, 24/9467 V en 19 december 2025, 24/9466 V (aangevallen uitspraken) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college) Datum uitspraak: 19 mei 2026 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken. OVERWEGINGEN Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank beslist op de verzetten van appellant tegen twee uitspraken van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aangevallen uitspraken zijn uitspraken als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb. In artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb is bepaald dat tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb geen hoger beroep kan worden ingesteld. Voor doorbreking van dit zogenoemde appèlverbod kan volgens vaste rechtspraak grond bestaan indien sprake is van evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. Appellant betoogt dat de rechtbank zijn beroep zonder inhoudelijke behandeling heeft afgedaan, terwijl hij niet beschikte over het volledige dossier en hij expliciet had aangegeven zijn gronden na ontvangst verder te zullen aanvullen. Samenvattend stelt appellant zich op het standpunt dat hem hierdoor feitelijk de mogelijkheid is ontnomen om zijn zaak effectief te bepleiten, hetgeen een schending oplevert van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dit betoog treft geen doel. Appellant heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat met de aangevallen uitspraken dat rechtsbeginsel door de verzetsrechter van de rechtbank is geschonden of dat deze de eisen van een goede procesorde niet in acht heeft genomen. Appellant heeft in de verzetsprocedures immers toegang gehad tot de rechter. De verzetsrechter van de rechtbank heeft appellant in beide zaken in de gelegenheid gesteld om op een zitting zijn standpunten naar voren te brengen, alvorens uitspraak te doen op het verzet. Appellant heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt, nu hij op beide zittingen is verschenen. Dat appellant niet de beschikking had over de dossiers van deze zaken is niet gebleken. De Raad is dan ook kennelijk onbevoegd om van de door appellant ingestelde hoger beroepen kennis te nemen, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026. (getekend) M. Wolfrat (getekend) A. Giesen Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:105.