Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-01-14
ECLI:NL:CRVB:2026:64
24/2224 WAJONG Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2024, 24/1491 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 14 januari 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajonguitkering toe te kennen. In het bestreden besluit is de aanvraag afgewezen omdat het ontbreken van arbeidsvermogen op datum aanvraag niet duurzaam is geacht. In hoger beroep heeft het Uwv alsnog het standpunt ingenomen dat appellant op de dag dat hij achttien jaar is geworden en in de periode van vijf jaar daaropvolgend beschikte over arbeidsvermogen en appellant om die reden niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt. De Raad onderschrijft dit nadere standpunt van het Uwv en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J. Berkouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Appellant en mr. Berkouwer hebben via beeldbellen aan de zitting deelgenomen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Breevoort. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant, geboren op [geboortedatum] 1995, heeft met een door het Uwv op 31 maart 2023 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij is vermeld dat sprake is van pijn, vermoeidheid, eetproblemen en psychische klachten. Bij de aanvraag is onder meer medische informatie gevoegd van de huisarts van 8 september 2021 en een Psychodiagnostisch onderzoek van 24 november 2022. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellant weliswaar per datum aanvraag geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 25 mei 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. 1.2. Bij besluit van 2 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek zorgvuldig is geweest. Ook inhoudelijk heeft de rechtbank de beoordeling door het Uwv onderschreven. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv heeft kennisgenomen van de in beroep overgelegde medische stukken van eind 2023 en 2024. Het Uwv heeft met verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 juli 2024 te kennen gegeven dat er geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat geen enkele behandeling meer mogelijk is. Zo blijkt ook uit het rapport van de behandelend psycholoog van 27 mei 2024 dat er nog behandelmogelijkheden zijn. Daarmee heeft het Uwv volgens de rechtbank voldoende onderbouwd dat er nog mogelijkheden zijn om de basale werknemersvaardigheden te verbeteren. Het standpunt van appellant 3.1. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Het Uwv heeft onvoldoende rekening gehouden met de buikklachten van appellant. Verder lukt het traject bij de psycholoog niet door de buikklachten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant informatie van een v Pas in hoger beroep heeft het Uwv nader onderzoek verricht naar het moment waarop het arbeidsvermogen bij appellant verloren is gegaan. Daarbij heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat appellant in de voor de Wajong relevante periode van het achttiende tot het 23e jaar beschikte over arbeidsvermogen. Aangezien appellant zijn arbeidsvermogen is kwijtgeraakt na zijn 23e jaar kan hij volgens het Uwv op de datum van zijn aanvraag niet als jonggehandicapte worden aangemerkt. De vraag of dit arbeidsvermogen op datum aanvraag duurzaam ontbreekt, kan daarbij volgens Uwv in het midden blijven. 4.3. Over deze nadere standpuntbepaling van het Uwv, merkt de Raad het volgende op. 4.4. In het geval van appellant is sprake van een zogeheten laattijdige aanvraag. Indien medisch en arbeidskundig onderzoek in zo’n situatie uitwijst dat een betrokkene op de datum van zijn laattijdige aanvraag niet beschikt over arbeidsvermogen, moet vervolgens worden bezien wanneer het arbeidsvermogen bij de betrokkene verloren is gegaan. Immers, indien het arbeidsvermogen verloren is gegaan buiten een voor de Wajong relevante periode dan kan de betrokkene op grond van artikel 1a:1, eerste of tweede lid, van de Wajong niet als jonggehandicapte worden aangemerkt en is de vraag naar de duurzaamheid op de datum van de laattijdige aanvraag niet relevant. Indien het arbeidsvermogen verloren is gegaan binnen een voor de Wajong relevante periode, dan is de vraag naar de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen van belang voor eventuele (toekomstige) aanspraken van de betrokkene. Indien het Uwv vaststelt dat het arbeidsvermogen verloren is gegaan binnen een voor de Wajong relevante periode en de aanvraag meer dan tien jaar na dat moment is ingediend, dient het Uwv te beoordelen of de betrokkene op grond van artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong alsnog als jonggehandicapte moet worden aangemerkt. 4.5. Gelet op het voorgaande heeft het Uwv in het geval van appellant terecht alsnog beoordeeld of appellant zijn arbeidsvermogen heeft verloren in een voor de Wajong relevante periode. Blijkens het verhandelde ter zitting is daarbij niet in geschil dat de voor de Wajong relevante periode voor appellant ligt tussen [geboortedatum] 2013 tot [geboortedatum] 2018, het achttiende en 23e jaar. De Raad zal allereerst het in hoger beroep ingenomen standpunt van het Uwv, dat appellant zijn arbeidsvermogen niet heeft verloren in de voor de Wajong relevante periode, beoordelen. 4.6. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. De beoordeling van het arbeidsvermogen is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken. Medische beoordeling 4.7. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich – na kennisneming van informatie van de huisarts – op het standpunt gesteld dat uit de beschikbare medische informatie niet blijkt, dat appellant in de relevante periode niet vier uur per dag belastbaar zou zijn, of niet een uur per dag aaneengesloten zou kunnen werken. Daartoe heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 12 mei 2025 overwogen dat uit de informatie van de huisarts van 18 april 2025 blijkt dat in 2013 sprake is geweest van een dysthyme stoornis en problemen in de sociale omgeving. Verder had appellant rond zijn achttiende jaar last van darmklachten. De ernst van de beperkingen van appellant in de relevante periode is echter, gezien het verstrijken van de tijd, niet meer vast te stellen. 4.8. Appellant heeft aangevoerd dat hij in de periode 2013 t