Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-05-12
ECLI:NL:CRVB:2026:619
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,309 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:619 text/xml public 2026-05-20T12:53:00 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-12 26/706 PW-VV Uitspraak Hoger beroep Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:619 text/html public 2026-05-20T12:31:02 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:619 Centrale Raad van Beroep , 12-05-2026 / 26/706 PW-VV De Raad wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Tegen de uitspraak van de rechtbank kan geen hoger beroep worden ingesteld. Geen aanleiding voor doorbreken appèlverbod. 26/706 PW-VV Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (college) Datum uitspraak: 12 mei 2026 SAMENVATTING In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening te treffen. De aangevallen uitspraak is een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank. Tegen een dergelijke uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld. Er is geen aanleiding voor doorbreking van het appèlverbod . De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. PROCESVERLOOP Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 26 september 2025, 25/5102 (aangevallen uitspraak) en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Met een brief van 13 april 2026 heeft de Raad verzoekster erop gewezen dat tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter geen hoger beroep open staat en haar verzocht om aan te geven hoe haar verzoek om een voorlopige voorziening moet worden geduid en wat zij daarmee wenst te bereiken. Met een email-bericht van 16 april 2026 heeft verzoekster op die brief gereageerd. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Op 9 juli 2025 heeft verzoekster bijzondere bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) aangevraagd. Met een besluit van 10 juli 2025 heeft het college aan verzoekster bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud toegekend. Uit de gedingstukken maakt de Raad op dat het college de betaling van de bijstand inmiddels heeft stopgezet. Uitspraak van de rechtbank 2. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoekster het griffierecht niet heeft betaald. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Het standpunt van verzoekster 3. Verzoekster heeft aangevoerd dat er een betalingsachterstand is ontstaan, doordat het college de bijzondere bijstand niet meer heeft betaald. Zij verzoekt daarom om het college te bevelen de betaling van de bijstand voort te zetten. In reactie op de brief van de Raad van 13 april 2026 heeft zij gesteld dat zij een beroep doet op artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarnaast heeft zij een besluit van het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie Zuid-Holland van 6 april 2026 toegestuurd. Het oordeel van de voorzieningenrechter 4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Als tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld kan de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 4.2. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak. 4.3. In artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de voorzieningenrechter zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen uitspraak kan doen, onder meer als het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is. 4.4. De voorzieningenrechter is op grond van de volgende overwegingen van oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, zodat de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zal doen. 4.5. De aangevallen uitspraak is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb kan tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep worden ingesteld. Gelet hierop ligt daarom allereerst de vraag voor of dit appèlverbod buiten toepassing moet blijven. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat haar rechten op grond van het EVRM niet zijn onderkend. Daarnaast verwijst zij naar een besluit van het college van Gedeputeerde Staten van 6 april 2026, waarbij aan haar is meegedeeld dat het college van Gedeputeerde Staten de gemeente niet kan vragen om haar een voorschot te verlenen op grond van de PW. 4.6. Voor doorbreking van een wettelijk appèlverbod kan slechts aanleiding zijn indien sprake is van evidente schending van beginselen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodat van een eerlijk en onafhankelijk proces geen sprake is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal wat verzoekster heeft aangevoerd in de hoofdzaak niet leiden tot de vaststelling dat aanleiding is voor doorbreking van het appèlverbod. Van enige schending als hiervoor bedoeld is niet gebleken. Conclusie en gevolgen 4.7. Het voorgaande betekent dat de Raad zich in de hoofdzaak naar verwachting onbevoegd zal verklaren. In die omstandigheid is voor het treffen van een voorlopige voorziening, en daarom ook voor een inhoudelijke beoordeling van het daartoe strekkende verzoek, geen grond. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening daarom afwijzen. 5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026. (getekend) M. Wolfrat (getekend) A.H. Hagendoorn-Huls Artikel 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verbinding met artikel 8:81 van de Awb.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:619 text/xml public 2026-05-20T12:53:00 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-12 26/706 PW-VV Uitspraak Hoger beroep Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:619 text/html public 2026-05-20T12:31:02 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:619 Centrale Raad van Beroep , 12-05-2026 / 26/706 PW-VV De Raad wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Tegen de uitspraak van de rechtbank kan geen hoger beroep worden ingesteld. Geen aanleiding voor doorbreken appèlverbod. 26/706 PW-VV Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (college) Datum uitspraak: 12 mei 2026 SAMENVATTING In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening te treffen. De aangevallen uitspraak is een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank. Tegen een dergelijke uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld. Er is geen aanleiding voor doorbreking van het appèlverbod . De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. PROCESVERLOOP Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 26 september 2025, 25/5102 (aangevallen uitspraak) en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Met een brief van 13 april 2026 heeft de Raad verzoekster erop gewezen dat tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter geen hoger beroep open staat en haar verzocht om aan te geven hoe haar verzoek om een voorlopige voorziening moet worden geduid en wat zij daarmee wenst te bereiken. Met een email-bericht van 16 april 2026 heeft verzoekster op die brief gereageerd. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Op 9 juli 2025 heeft verzoekster bijzondere bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) aangevraagd. Met een besluit van 10 juli 2025 heeft het college aan verzoekster bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud toegekend. Uit de gedingstukken maakt de Raad op dat het college de betaling van de bijstand inmiddels heeft stopgezet. Uitspraak van de rechtbank 2. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoekster het griffierecht niet heeft betaald. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Het standpunt van verzoekster 3. Verzoekster heeft aangevoerd dat er een betalingsachterstand is ontstaan, doordat het college de bijzondere bijstand niet meer heeft betaald. Zij verzoekt daarom om het college te bevelen de betaling van de bijstand voort te zetten. In reactie op de brief van de Raad van 13 april 2026 heeft zij gesteld dat zij een beroep doet op artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarnaast heeft zij een besluit van het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie Zuid-Holland van 6 april 2026 toegestuurd. Het oordeel van de voorzieningenrechter 4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Als tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld kan de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 4.2. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak. 4.3. In artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de voorzieningenrechter zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen uitspraak kan doen, onder meer als het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is. 4.4. De voorzieningenrechter is op grond van de volgende overwegingen van oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, zodat de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zal doen. 4.5. De aangevallen uitspraak is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb kan tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep worden ingesteld. Gelet hierop ligt daarom allereerst de vraag voor of dit appèlverbod buiten toepassing moet blijven. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat haar rechten op grond van het EVRM niet zijn onderkend. Daarnaast verwijst zij naar een besluit van het college van Gedeputeerde Staten van 6 april 2026, waarbij aan haar is meegedeeld dat het college van Gedeputeerde Staten de gemeente niet kan vragen om haar een voorschot te verlenen op grond van de PW. 4.6. Voor doorbreking van een wettelijk appèlverbod kan slechts aanleiding zijn indien sprake is van evidente schending van beginselen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodat van een eerlijk en onafhankelijk proces geen sprake is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal wat verzoekster heeft aangevoerd in de hoofdzaak niet leiden tot de vaststelling dat aanleiding is voor doorbreking van het appèlverbod. Van enige schending als hiervoor bedoeld is niet gebleken. Conclusie en gevolgen 4.7. Het voorgaande betekent dat de Raad zich in de hoofdzaak naar verwachting onbevoegd zal verklaren. In die omstandigheid is voor het treffen van een voorlopige voorziening, en daarom ook voor een inhoudelijke beoordeling van het daartoe strekkende verzoek, geen grond. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening daarom afwijzen. 5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026. (getekend) M. Wolfrat (getekend) A.H. Hagendoorn-Huls Artikel 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verbinding met artikel 8:81 van de Awb.