Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-05-06
ECLI:NL:CRVB:2026:593
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
7,291 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:593 text/xml public 2026-05-20T13:56:30 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-06 22/3186 WIA Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:593 text/html public 2026-05-15T14:34:05 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:593 Centrale Raad van Beroep , 06-05-2026 / 22/3186 WIA Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Geen sprake van toegenomen klachten uit dezelfde oorzaak. Zorgvuldig medisch onderzoek. 22/3186 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2022, 18/4842 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 6 mei 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht aan appellant geen WIAuitkering heeft toegekend naar aanleiding van zijn melding van toegenomen klachten per januari 2013. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is geen sprake van toegenomen beperkingen per 1 januari 2013 en ook niet per een latere datum tussen 1 januari 2013 en de melding van 28 september 2017. Appellant is het hier niet mee eens en stelt, onder verwijzing naar medische stukken, dat wel sprake is van toegenomen beperkingen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering aan appellant heeft toegekend. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 maart 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Y. Huisman. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant heeft voor het laatst gewerkt als assembleerder voor gemiddeld 45,80 uur per week. Op 17 september 2010 heeft hij zich ziekgemeld. Bij besluit van 18 oktober 2012 heeft het Uwv geweigerd appellant na afloop van de wachttijd met ingang van 23 oktober 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is. Aan dit besluit ligt een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 september 2012 ten grondslag. In die FML zijn beperkingen aangenomen in verband met duizeligheid, osteoporose, longklachten en veneuze insufficiëntie. 1.2. Bij besluit van 25 februari 2013 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 oktober 2012 ongegrond verklaard. Appellant heeft hier beroep tegen ingesteld. In een uitspraak van 21 januari 2014 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep gegrond verklaard en het besluit van 25 februari 2013 vernietigd, omdat de arbeidskundige beoordeling niet voldoende inzichtelijk was gemotiveerd. In hoger beroep heeft het Uwv met een gewijzigde beslissing op bezwaar van 20 februari 2014 het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. De Raad heeft die beslissing betrokken bij de beoordeling van het hoger beroep. Een door de Raad als deskundige ingeschakelde neuroloog heeft op 29 mei 2019 gerapporteerd en geconcludeerd dat op neurologische gronden niet gesteld kan worden dat er meer beperkingen voor appellant gelden dan zijn vastgesteld in de FML van 26 september 2012. De Raad heeft bij uitspraak van 30 december 2019 het beroep tegen het besluit van 20 februari 2014 ongegrond verklaard. 1.3. Met een brief van 28 september 2017 heeft appellant aan het Uwv gemeld dat zijn klachten zijn toegenomen sinds januari 2013. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 21 november 2017 geweigerd appellant per 1 januari 2013 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak. 1.4. Bij besluit van 18 juni 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 juni 2018 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dit rapport geconcludeerd dat geen sprake is van toegenomen beperkingen per 1 januari 2013 en ook niet per een latere datum tussen 1 januari 2013 en de melding van appellant op 28 september 2017. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd en heeft appellant gezien op de hoorzitting en aansluitend op het spreekuur, waar appellant lichamelijk is onderzocht. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de in bezwaar en beroep verkregen medische informatie bij de beoordeling betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv op goede gronden vastgesteld dat de beperkingen van appellant niet zijn toegenomen ten opzichte van 23 oktober 2012. Niet is gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep te weinig medische beperkingen heeft vastgesteld. Uit de rapporten van 15 juni 2018 en 9 november 2018 blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op de hoogte was van de door appellant gestelde klachten, waaronder duizeligheid en veneuze insufficiëntie. Wat betreft de rugklachten heeft de rechtbank overwogen dat met deze klachten bij de vaststelling van de beperkingen per 1 januari 2013 dan wel per een latere datum tussen 1 januari 2013 en 28 september 2017 terecht geen rekening is gehouden, omdat op 23 oktober 2012 daarvoor geen beperkingen zijn vastgesteld. Het is mogelijk dat appellant een toename van zijn klachten ervaart, maar bij de beoordeling daarvan gaat het om medisch te objectiveren beperkingen en uit de beschikbare medische gegevens blijkt daar niet van. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 9 november 2018 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom de in beroep ingebrachte medische informatie niet relevant is of geen nieuwe medische feiten bevat dan wel al bekend was en in bezwaar is meegenomen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen, zoals door appellant was verzocht. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet zorgvuldig is geweest. Hij heeft er in dit verband op gewezen dat in het rapport van 15 juni 2018 feitelijke onjuistheden staan en dat niet op alle ingediende medische stukken is ingegaan. Appellant is het verder niet eens met de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat geen sprake is van toegenomen beperkingen. Hij heeft gesteld dat uit het Duplex onderzoek dat in juni 2013 is verricht, blijkt dat de veneuze insufficiëntie ernstiger is dan waar het Uwv bij de WIA-beoordeling in 2012 vanuit is gegaan. Daarnaast heeft een door de gemeente ingeschakelde verzekeringsarts in december 2013 geconstateerd dat er duidelijke symptomen zijn van forse doorbloedingsstoornissen. Ook de rugklachten zijn toegenomen. Wat betreft deze klachten heeft appellant aangevoerd dat bij de eerdere WIA-beoordeling de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vermeld dat geen sprake is van een radiculair syndroom, maar inmiddels is gebleken dat dit wel het geval is. Appellant heeft verder naar voren gebracht dat hij in verband met aanzienlijk toegenomen duizeligheidsklachten met spoed naar het ziekenhuis is vervoerd. Vervolgens zijn nadere onderzoeken gedaan, waarbij de bevindingen aanzienlijk afweken van de bevindingen van de neuroloog die eerder in opdracht van de Raad heeft gerapporteerd. Tot slot heeft appellant gesteld dat de ernst van zijn osteoporose door het Uwv is onderschat.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:593 text/xml public 2026-05-20T13:56:30 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-06 22/3186 WIA Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:593 text/html public 2026-05-15T14:34:05 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:593 Centrale Raad van Beroep , 06-05-2026 / 22/3186 WIA Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Geen sprake van toegenomen klachten uit dezelfde oorzaak. Zorgvuldig medisch onderzoek. 22/3186 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2022, 18/4842 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 6 mei 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht aan appellant geen WIAuitkering heeft toegekend naar aanleiding van zijn melding van toegenomen klachten per januari 2013. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is geen sprake van toegenomen beperkingen per 1 januari 2013 en ook niet per een latere datum tussen 1 januari 2013 en de melding van 28 september 2017. Appellant is het hier niet mee eens en stelt, onder verwijzing naar medische stukken, dat wel sprake is van toegenomen beperkingen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering aan appellant heeft toegekend. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 maart 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Y. Huisman. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant heeft voor het laatst gewerkt als assembleerder voor gemiddeld 45,80 uur per week. Op 17 september 2010 heeft hij zich ziekgemeld. Bij besluit van 18 oktober 2012 heeft het Uwv geweigerd appellant na afloop van de wachttijd met ingang van 23 oktober 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is. Aan dit besluit ligt een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 september 2012 ten grondslag. In die FML zijn beperkingen aangenomen in verband met duizeligheid, osteoporose, longklachten en veneuze insufficiëntie. 1.2. Bij besluit van 25 februari 2013 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 oktober 2012 ongegrond verklaard. Appellant heeft hier beroep tegen ingesteld. In een uitspraak van 21 januari 2014 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep gegrond verklaard en het besluit van 25 februari 2013 vernietigd, omdat de arbeidskundige beoordeling niet voldoende inzichtelijk was gemotiveerd. In hoger beroep heeft het Uwv met een gewijzigde beslissing op bezwaar van 20 februari 2014 het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. De Raad heeft die beslissing betrokken bij de beoordeling van het hoger beroep. Een door de Raad als deskundige ingeschakelde neuroloog heeft op 29 mei 2019 gerapporteerd en geconcludeerd dat op neurologische gronden niet gesteld kan worden dat er meer beperkingen voor appellant gelden dan zijn vastgesteld in de FML van 26 september 2012. De Raad heeft bij uitspraak van 30 december 2019 het beroep tegen het besluit van 20 februari 2014 ongegrond verklaard. 1.3. Met een brief van 28 september 2017 heeft appellant aan het Uwv gemeld dat zijn klachten zijn toegenomen sinds januari 2013. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 21 november 2017 geweigerd appellant per 1 januari 2013 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak. 1.4. Bij besluit van 18 juni 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 juni 2018 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dit rapport geconcludeerd dat geen sprake is van toegenomen beperkingen per 1 januari 2013 en ook niet per een latere datum tussen 1 januari 2013 en de melding van appellant op 28 september 2017. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd en heeft appellant gezien op de hoorzitting en aansluitend op het spreekuur, waar appellant lichamelijk is onderzocht. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de in bezwaar en beroep verkregen medische informatie bij de beoordeling betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv op goede gronden vastgesteld dat de beperkingen van appellant niet zijn toegenomen ten opzichte van 23 oktober 2012. Niet is gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep te weinig medische beperkingen heeft vastgesteld. Uit de rapporten van 15 juni 2018 en 9 november 2018 blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op de hoogte was van de door appellant gestelde klachten, waaronder duizeligheid en veneuze insufficiëntie. Wat betreft de rugklachten heeft de rechtbank overwogen dat met deze klachten bij de vaststelling van de beperkingen per 1 januari 2013 dan wel per een latere datum tussen 1 januari 2013 en 28 september 2017 terecht geen rekening is gehouden, omdat op 23 oktober 2012 daarvoor geen beperkingen zijn vastgesteld. Het is mogelijk dat appellant een toename van zijn klachten ervaart, maar bij de beoordeling daarvan gaat het om medisch te objectiveren beperkingen en uit de beschikbare medische gegevens blijkt daar niet van. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 9 november 2018 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom de in beroep ingebrachte medische informatie niet relevant is of geen nieuwe medische feiten bevat dan wel al bekend was en in bezwaar is meegenomen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen, zoals door appellant was verzocht. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet zorgvuldig is geweest. Hij heeft er in dit verband op gewezen dat in het rapport van 15 juni 2018 feitelijke onjuistheden staan en dat niet op alle ingediende medische stukken is ingegaan. Appellant is het verder niet eens met de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat geen sprake is van toegenomen beperkingen. Hij heeft gesteld dat uit het Duplex onderzoek dat in juni 2013 is verricht, blijkt dat de veneuze insufficiëntie ernstiger is dan waar het Uwv bij de WIA-beoordeling in 2012 vanuit is gegaan. Daarnaast heeft een door de gemeente ingeschakelde verzekeringsarts in december 2013 geconstateerd dat er duidelijke symptomen zijn van forse doorbloedingsstoornissen. Ook de rugklachten zijn toegenomen. Wat betreft deze klachten heeft appellant aangevoerd dat bij de eerdere WIA-beoordeling de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vermeld dat geen sprake is van een radiculair syndroom, maar inmiddels is gebleken dat dit wel het geval is. Appellant heeft verder naar voren gebracht dat hij in verband met aanzienlijk toegenomen duizeligheidsklachten met spoed naar het ziekenhuis is vervoerd. Vervolgens zijn nadere onderzoeken gedaan, waarbij de bevindingen aanzienlijk afweken van de bevindingen van de neuroloog die eerder in opdracht van de Raad heeft gerapporteerd. Tot slot heeft appellant gesteld dat de ernst van zijn osteoporose door het Uwv is onderschat.
Volledig
Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar de eerder ingediende medische stukken. In aanvulling daarop heeft hij nadere stukken ingediend, waaronder stukken van het Huid Medisch Centrum, brieven van een neuroloog en een verslag van een MRI-scan. Appellant heeft de Raad verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 oktober 2023, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1. Artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA (tekst tot 16 december 2017) bepaalt dat als op de eerste dag na afloop van de wachttijd geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, alsnog recht op die uitkering ontstaat met ingang van de dag dat de verzekerde wel (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt wordt, als hij op de dag hieraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Op grond van het derde lid van dit artikel kan dit recht niet later ingaan dan vijf jaar na de in artikel 54, tweede lid, bedoelde dag. 5.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De medische stukken die appellant in bezwaar heeft ingediend, waren al aanwezig in het dossier. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 juni 2018 blijkt dat hij hiervan kennis heeft genomen en de informatie uit deze stukken heeft meegewogen bij de heroverweging in bezwaar. In het rapport van 3 oktober 2023 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erkend dat in zijn rapport van 15 juni 2018, bij de samenvatting van het rapport van de primaire verzekeringsarts, een onjuistheid staat. Zoals appellant terecht heeft opgemerkt, had het onderzoek dat in 1997 heeft plaatsgevonden geen betrekking op de veneuze insufficiëntie maar op de rugklachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens toegelicht waarom dit niet afdoet aan zijn conclusie dat geen sprake is van toegenomen beperkingen. De Raad ziet hierin geen aanleiding om te oordelen dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest. 5.3. In wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gezien om de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat geen sprake is van toegenomen beperkingen in de periode van 1 januari 2013 tot 28 september 2017, voor onjuist te houden. 5.3.1. Wat betreft de klachten als gevolg van veneuze insufficiëntie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat hij bij het lichamelijk onderzoek tijdens het spreekuur in mei 2018 opvallend forse problematiek waarnam, maar dat dit, blijkens een brief van een dermatoloog van 4 juni 2012, in 2012 ook al het geval was en dat hiermee bij het opstellen van de FML van 26 september 2012 rekening is gehouden. In het rapport van 9 november 2018 is de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingegaan op de uitkomsten van het Duplex onderzoek dat in 2013 is verricht en hij heeft toegelicht dat de uitkomsten van dit onderzoek passen bij zijn eerdere constatering dat al jarenlang sprake is van forse veneuze insufficiëntie en dat hieruit niet blijkt dat sprake is van toegenomen beperkingen. De stukken van het Huid Medisch Centrum die appellant in hoger beroep heeft ingediend dateren uit 2024 en 2025 en hebben geen betrekking op de hier in geding zijnde periode van 1 januari 2013 tot 28 september 2017. 5.3.2. Bij de WIA-beoordeling in 2012 was bekend dat appellant al lange tijd af en aan rugklachten had en dat in 1997 een hernia (HNP) is vastgesteld. Uit de in het dossier aanwezige medische stukken blijkt dat de rugklachten nadien zijn blijven bestaan en dat appellant in 2013 is verwezen naar een orthopedisch chirurg. In de brief van de orthopedisch chirurg van 8 april 2013 staat dat de rugklachten waarschijnlijk het meest passend zijn bij de al eerder bekende HNP en dat wordt geadviseerd om door te gaan met fysiotherapie. In een brief van de huisarts van 7 januari 2015 worden de rugklachten eveneens in verband gebracht met de sinds 1997 bestaande hernia. De Raad ziet in deze stukken onvoldoende aanknopingspunten om appellant te volgen in zijn standpunt dat sprake is van toegenomen beperkingen voor de rugklachten. Ook de brieven van de neuroloog en het verslag van de MRI-scan, die appellant in hoger beroep heeft ingediend, leiden niet tot een ander oordeel. Deze stukken hebben immers geen betrekking op de periode waar het hier om gaat. 5.3.3. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van toegenomen duizeligheidsklachten heeft appellant erop gewezen dat hij vanwege deze klachten opgenomen is geweest in het ziekenhuis. Uit de medische stukken blijkt dat deze opname heeft plaatsgevonden in augustus 2019. Ook hieruit kan niet worden afgeleid dat sprake is van toegenomen beperkingen in de periode van 1 januari 2013 tot 28 september 2017. 5.3.4. Met de osteoporose is bij de WIA-beoordeling in 2012 rekening gehouden. Gesteld noch gebleken is dat de hieruit voorvloeiende beperkingen nadien zijn toegenomen. 5.4. Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv, wordt het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen afgewezen. Conclusie en gevolgen 5.5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om een WIA-uitkering aan appellant toe te kennen in stand blijft. 6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026. (getekend) M.E. Fortuin (getekend) F.M. Gerritsen CRvB 30 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4341.
Volledig
Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar de eerder ingediende medische stukken. In aanvulling daarop heeft hij nadere stukken ingediend, waaronder stukken van het Huid Medisch Centrum, brieven van een neuroloog en een verslag van een MRI-scan. Appellant heeft de Raad verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 oktober 2023, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1. Artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA (tekst tot 16 december 2017) bepaalt dat als op de eerste dag na afloop van de wachttijd geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, alsnog recht op die uitkering ontstaat met ingang van de dag dat de verzekerde wel (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt wordt, als hij op de dag hieraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Op grond van het derde lid van dit artikel kan dit recht niet later ingaan dan vijf jaar na de in artikel 54, tweede lid, bedoelde dag. 5.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De medische stukken die appellant in bezwaar heeft ingediend, waren al aanwezig in het dossier. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 juni 2018 blijkt dat hij hiervan kennis heeft genomen en de informatie uit deze stukken heeft meegewogen bij de heroverweging in bezwaar. In het rapport van 3 oktober 2023 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erkend dat in zijn rapport van 15 juni 2018, bij de samenvatting van het rapport van de primaire verzekeringsarts, een onjuistheid staat. Zoals appellant terecht heeft opgemerkt, had het onderzoek dat in 1997 heeft plaatsgevonden geen betrekking op de veneuze insufficiëntie maar op de rugklachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens toegelicht waarom dit niet afdoet aan zijn conclusie dat geen sprake is van toegenomen beperkingen. De Raad ziet hierin geen aanleiding om te oordelen dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest. 5.3. In wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gezien om de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat geen sprake is van toegenomen beperkingen in de periode van 1 januari 2013 tot 28 september 2017, voor onjuist te houden. 5.3.1. Wat betreft de klachten als gevolg van veneuze insufficiëntie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat hij bij het lichamelijk onderzoek tijdens het spreekuur in mei 2018 opvallend forse problematiek waarnam, maar dat dit, blijkens een brief van een dermatoloog van 4 juni 2012, in 2012 ook al het geval was en dat hiermee bij het opstellen van de FML van 26 september 2012 rekening is gehouden. In het rapport van 9 november 2018 is de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingegaan op de uitkomsten van het Duplex onderzoek dat in 2013 is verricht en hij heeft toegelicht dat de uitkomsten van dit onderzoek passen bij zijn eerdere constatering dat al jarenlang sprake is van forse veneuze insufficiëntie en dat hieruit niet blijkt dat sprake is van toegenomen beperkingen. De stukken van het Huid Medisch Centrum die appellant in hoger beroep heeft ingediend dateren uit 2024 en 2025 en hebben geen betrekking op de hier in geding zijnde periode van 1 januari 2013 tot 28 september 2017. 5.3.2. Bij de WIA-beoordeling in 2012 was bekend dat appellant al lange tijd af en aan rugklachten had en dat in 1997 een hernia (HNP) is vastgesteld. Uit de in het dossier aanwezige medische stukken blijkt dat de rugklachten nadien zijn blijven bestaan en dat appellant in 2013 is verwezen naar een orthopedisch chirurg. In de brief van de orthopedisch chirurg van 8 april 2013 staat dat de rugklachten waarschijnlijk het meest passend zijn bij de al eerder bekende HNP en dat wordt geadviseerd om door te gaan met fysiotherapie. In een brief van de huisarts van 7 januari 2015 worden de rugklachten eveneens in verband gebracht met de sinds 1997 bestaande hernia. De Raad ziet in deze stukken onvoldoende aanknopingspunten om appellant te volgen in zijn standpunt dat sprake is van toegenomen beperkingen voor de rugklachten. Ook de brieven van de neuroloog en het verslag van de MRI-scan, die appellant in hoger beroep heeft ingediend, leiden niet tot een ander oordeel. Deze stukken hebben immers geen betrekking op de periode waar het hier om gaat. 5.3.3. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van toegenomen duizeligheidsklachten heeft appellant erop gewezen dat hij vanwege deze klachten opgenomen is geweest in het ziekenhuis. Uit de medische stukken blijkt dat deze opname heeft plaatsgevonden in augustus 2019. Ook hieruit kan niet worden afgeleid dat sprake is van toegenomen beperkingen in de periode van 1 januari 2013 tot 28 september 2017. 5.3.4. Met de osteoporose is bij de WIA-beoordeling in 2012 rekening gehouden. Gesteld noch gebleken is dat de hieruit voorvloeiende beperkingen nadien zijn toegenomen. 5.4. Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv, wordt het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen afgewezen. Conclusie en gevolgen 5.5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om een WIA-uitkering aan appellant toe te kennen in stand blijft. 6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026. (getekend) M.E. Fortuin (getekend) F.M. Gerritsen CRvB 30 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4341.