Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-05-13
ECLI:NL:CRVB:2026:586
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,081 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:586 text/xml public 2026-05-15T14:31:30 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-13 23/1130 WIA Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:586 text/html public 2026-05-15T14:30:29 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:586 Centrale Raad van Beroep , 13-05-2026 / 23/1130 WIA Proceskostenveroordeling. Intrekking hoger beroep. Het bestuursorgaan is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn. 23/1130 WIA Datum uitspraak: 13 mei 2026 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 maart 2023, 21/4026 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 maart 2024. Voor appellant is [gemachtigde] verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Riet. De Raad heeft het onderzoek heropend en J.J.D. Tilanus, psychiater, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 16 december 2024 een rapport uitgebracht. Het Uwv heeft zijn zienswijze op het deskundigenrapport gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd. Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord. Appellant heeft hierop gereageerd. De Raad heeft de zaak behandeld op een nadere zitting van 6 augustus 2025. Voor appellant is verschenen [naam gemachtigde] , kantoorgenoot van [gemachtigde] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeier. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het Uwv in de gelegenheid gesteld een nadere reactie in te dienen. Het Uwv heeft op 11 september 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Appellant heeft tevens verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Omdat partijen daarna niet om een nadere zitting hebben gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een nadere zitting en is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Proceskosten Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 11 september 2025 aan zijn bezwaren tegemoet is tegemoetgekomen. Omdat het Uwv al heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten. Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 2.335,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en 0,5 punt voor de reactie op een vraagstelling van de rechtbank, met een waarde van € 934,- per punt) en € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting op 14 maart 2024 en 0,5 punt voor het bijwonen van de nadere zitting op 6 augustus 2025, met een waarde van € 934,- per punt), in totaal € 4.670,- voor verleende rechtsbijstand. Appellant heeft ook verzocht om vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt voor de door hem in beroep en hoger beroep ingediende rapporten van psychiater W.H.J. Mutsaers en neuroloog J.U.R. Niewold. Deze kosten komen gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. De kostenvergoeding voor de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, wordt berekend conform het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts). Daarbij geldt een maximaal uurtarief van € 136,19 in 2022 en € 142,75 in 2023 en dient te worden afgerond op hele en halve uren. De door het Uwv te vergoeden kosten voor het rapport van Mutsaers van 3 november 2022 bedragen daarom € 2.859,99 (21 x € 136,19) en voor het aanvullende rapport van Mutsaers van 21 augustus 2023 komt een bedrag van € 1.284,75 (9 x € 142,75) voor vergoeding in aanmerking. Voor het rapport van Niewold van 23 november 2023 gaat het om een bedrag van € 713,75 (5 x € 142,75). Dit bedrag wordt op grond van artikel 15 van het Bts verhoogd met de omzetbelasting van 21% die daarover is verschuldigd en komt daarmee uit op € 863,64. De te vergoeden bedragen voor de rapporten van Mutsaers worden niet verhoogd, omdat uit de door appellant overgelegde facturen niet blijkt dat door Mutsaers omzetbelasting in rekening is gebracht. De vergoeding voor deskundigenkosten bedraagt daarmee in totaal € 5.008,38. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. Als een tegemoetkomend besluit is genomen, eindigt de redelijke termijn op het moment dat dit besluit is bekendgemaakt. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van de ex-werkgever van appellant op 7 oktober 2020 tot de datum van het tegemoetkomende besluit van 11 september 2025 zijn vier jaar en ruim elf maanden verstreken. Er is noch in de zaak, noch in de opstelling van appellant een aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim elf maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1.000,-. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaarschrift door het Uwv bijna acht maanden geduurd en heeft de behandeling in de rechterlijke fase vier jaar en ruim drie maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:586 text/xml public 2026-05-15T14:31:30 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-13 23/1130 WIA Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:586 text/html public 2026-05-15T14:30:29 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:586 Centrale Raad van Beroep , 13-05-2026 / 23/1130 WIA Proceskostenveroordeling. Intrekking hoger beroep. Het bestuursorgaan is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn. 23/1130 WIA Datum uitspraak: 13 mei 2026 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 maart 2023, 21/4026 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 maart 2024. Voor appellant is [gemachtigde] verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Riet. De Raad heeft het onderzoek heropend en J.J.D. Tilanus, psychiater, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 16 december 2024 een rapport uitgebracht. Het Uwv heeft zijn zienswijze op het deskundigenrapport gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd. Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord. Appellant heeft hierop gereageerd. De Raad heeft de zaak behandeld op een nadere zitting van 6 augustus 2025. Voor appellant is verschenen [naam gemachtigde] , kantoorgenoot van [gemachtigde] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeier. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het Uwv in de gelegenheid gesteld een nadere reactie in te dienen. Het Uwv heeft op 11 september 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Appellant heeft tevens verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Omdat partijen daarna niet om een nadere zitting hebben gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een nadere zitting en is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Proceskosten Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 11 september 2025 aan zijn bezwaren tegemoet is tegemoetgekomen. Omdat het Uwv al heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten. Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 2.335,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en 0,5 punt voor de reactie op een vraagstelling van de rechtbank, met een waarde van € 934,- per punt) en € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting op 14 maart 2024 en 0,5 punt voor het bijwonen van de nadere zitting op 6 augustus 2025, met een waarde van € 934,- per punt), in totaal € 4.670,- voor verleende rechtsbijstand. Appellant heeft ook verzocht om vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt voor de door hem in beroep en hoger beroep ingediende rapporten van psychiater W.H.J. Mutsaers en neuroloog J.U.R. Niewold. Deze kosten komen gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. De kostenvergoeding voor de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, wordt berekend conform het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts). Daarbij geldt een maximaal uurtarief van € 136,19 in 2022 en € 142,75 in 2023 en dient te worden afgerond op hele en halve uren. De door het Uwv te vergoeden kosten voor het rapport van Mutsaers van 3 november 2022 bedragen daarom € 2.859,99 (21 x € 136,19) en voor het aanvullende rapport van Mutsaers van 21 augustus 2023 komt een bedrag van € 1.284,75 (9 x € 142,75) voor vergoeding in aanmerking. Voor het rapport van Niewold van 23 november 2023 gaat het om een bedrag van € 713,75 (5 x € 142,75). Dit bedrag wordt op grond van artikel 15 van het Bts verhoogd met de omzetbelasting van 21% die daarover is verschuldigd en komt daarmee uit op € 863,64. De te vergoeden bedragen voor de rapporten van Mutsaers worden niet verhoogd, omdat uit de door appellant overgelegde facturen niet blijkt dat door Mutsaers omzetbelasting in rekening is gebracht. De vergoeding voor deskundigenkosten bedraagt daarmee in totaal € 5.008,38. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. Als een tegemoetkomend besluit is genomen, eindigt de redelijke termijn op het moment dat dit besluit is bekendgemaakt. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van de ex-werkgever van appellant op 7 oktober 2020 tot de datum van het tegemoetkomende besluit van 11 september 2025 zijn vier jaar en ruim elf maanden verstreken. Er is noch in de zaak, noch in de opstelling van appellant een aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim elf maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1.000,-. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaarschrift door het Uwv bijna acht maanden geduurd en heeft de behandeling in de rechterlijke fase vier jaar en ruim drie maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016.