Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-04-21
ECLI:NL:CRVB:2026:529
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,266 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:529 text/xml public 2026-05-15T15:33:59 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-04-21 25/124 PW-PV Uitspraak Hoger beroep Proces-verbaal NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:529 text/html public 2026-05-08T07:55:22 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:529 Centrale Raad van Beroep , 21-04-2026 / 25/124 PW-PV Niet-ontvankelijk hoger beroep. Laattijdig hoger beroepschrift. Geen verschoonbare termijnoverschrijding. De gemachtigde is, als professioneel rechtsbijstandverlener, op de hoogte van de geldende termijnen. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat partijen met bericht niet zijn verschenen op de zitting van 9 december 2022. Vaststaat dat de aangevallen uitspraak op tijd is gedaan. Het ligt op de weg van de gemachtigde als professioneel rechtshulpverlener om dan eerder te informeren naar de uitspraak dan hij heeft gedaan op 6 januari 2025 of op 16 april 2024. De gemachtigde heeft dit nagelaten. Daarom wordt de termijnoverschrijding in dit geval niet verschoonbaar geacht. 25/124 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2022, 22/4005 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 21 april 2026 Zitting heeft: C. Karman Griffier: M.G.J. van Eck Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. P. van Baaren, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Plaisier. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. 1. In artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn gaat in op de dag nadat de aangevallen uitspraak aan partijen is bekendgemaakt. Dat volgt uit artikel 6:8 van de Awb. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen of als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Deze regels staan in artikel 6:9 van de Awb. Uit artikel 6:24 van de Awb volgt dat deze bepalingen ook gelden voor het hoger beroep. 2. Als een beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend, blijft nietontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Als een partij wordt bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener dan komt diens handelen in beginsel voor risico van die partij. Een termijnoverschrijding is in een dergelijk geval doorgaans niet verschoonbaar vanwege de professionaliteit die bij beroepsmatig handelen mag worden verwacht. Op dit uitgangspunt wordt alleen een uitzondering gemaakt als sprake is van (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de professionele rechtshulpverlener of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door handelen of nalaten van het bestuursorgaan. 3. Als het beroepschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, dan moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij de beoordeling niet relevant. 4. De aangevallen uitspraak is op 23 december 2022 bij aangetekende brief aan partijen toegezonden waarbij het juiste adres van de gemachtigde van appellante is gehanteerd. De verzonden uitspraak is ook niet bij de rechtbank retour gekomen. Dat betekent dat de termijn om hoger beroep in te stellen is aangevangen op 24 december 2022 en geëindigd is op 4 februari 2023. 5. Het beroepschrift is op 20 januari 2025 ingediend en is dus na afloop van de beroepstermijn door de gemachtigde van appellante ingediend. 6. De gemachtigde van appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij vaker meemaakt dat aangetekende stukken niet bij hem aankomen. Hij heeft op 16 april 2024, via een Zivver bericht, aan de rechtbank gevraagd naar de stand van zaken en of er uitspraak is gedaan, maar heeft daarop geen reactie gekregen. Bij brief van 6 januari 2025 heeft de gemachtigde weer bij de rechtbank geïnformeerd naar een einduitspraak. Hierop heeft de rechtbank bij brief van 14 januari 2025, met bijvoeging van een kopie van de uitspraak, aan de gemachtigde geantwoord dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan. De gemachtigde neemt het standpunt in dat de beroepstermijn pas gaat lopen vanaf dat de uitspraak van de rechtbank wordt ontvangen en dat was dus in januari 2025. 7. Het standpunt van de gemachtigde komt erop neer dat tijdig hoger beroep is ingesteld omdat de beroepstermijn is aangevangen in januari 2025. De Raad volgt dit standpunt niet. De beroepstermijn is ingevolge artikel 6:8, eerste lid van de Awb namelijk gaan lopen met ingang van de dag na die waarop de aangevallen uitspraak is bekendgemaakt, in dit geval dus op 24 december 2022. 8. De gemachtigde is, als professioneel rechtsbijstandverlener, op de hoogte van de geldende termijnen. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat partijen met bericht niet zijn verschenen op de zitting van 9 december 2022. De gemachtigde was dus op de hoogte van die zitting bij de rechtbank. Vaststaat dat de aangevallen uitspraak op tijd, namelijk twee weken na de zitting, is gedaan. Het ligt op de weg van de gemachtigde als professioneel rechtshulpverlener om dan eerder te informeren naar de uitspraak dan hij heeft gedaan op 6 januari 2025 of op 16 april 2024. De gemachtigde heeft dit nagelaten. Daarom wordt de termijnoverschrijding in dit geval niet verschoonbaar geacht. 9. Wat de gemachtigde van appellante heeft aangevoerd, bevat dus geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. De enkele stelling dat aangetekende stukken vaker niet bij de gemachtigde aankomen, is geen (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheid die maakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar mag worden geacht. 10. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk, zodat moet worden beslist zonder verder onderzoek. 11. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) M.G.J. van Eck (getekend) C. Karman
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:529 text/xml public 2026-05-15T15:33:59 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-04-21 25/124 PW-PV Uitspraak Hoger beroep Proces-verbaal NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:529 text/html public 2026-05-08T07:55:22 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:529 Centrale Raad van Beroep , 21-04-2026 / 25/124 PW-PV Niet-ontvankelijk hoger beroep. Laattijdig hoger beroepschrift. Geen verschoonbare termijnoverschrijding. De gemachtigde is, als professioneel rechtsbijstandverlener, op de hoogte van de geldende termijnen. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat partijen met bericht niet zijn verschenen op de zitting van 9 december 2022. Vaststaat dat de aangevallen uitspraak op tijd is gedaan. Het ligt op de weg van de gemachtigde als professioneel rechtshulpverlener om dan eerder te informeren naar de uitspraak dan hij heeft gedaan op 6 januari 2025 of op 16 april 2024. De gemachtigde heeft dit nagelaten. Daarom wordt de termijnoverschrijding in dit geval niet verschoonbaar geacht. 25/124 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2022, 22/4005 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 21 april 2026 Zitting heeft: C. Karman Griffier: M.G.J. van Eck Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. P. van Baaren, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Plaisier. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. 1. In artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn gaat in op de dag nadat de aangevallen uitspraak aan partijen is bekendgemaakt. Dat volgt uit artikel 6:8 van de Awb. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen of als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Deze regels staan in artikel 6:9 van de Awb. Uit artikel 6:24 van de Awb volgt dat deze bepalingen ook gelden voor het hoger beroep. 2. Als een beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend, blijft nietontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Als een partij wordt bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener dan komt diens handelen in beginsel voor risico van die partij. Een termijnoverschrijding is in een dergelijk geval doorgaans niet verschoonbaar vanwege de professionaliteit die bij beroepsmatig handelen mag worden verwacht. Op dit uitgangspunt wordt alleen een uitzondering gemaakt als sprake is van (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de professionele rechtshulpverlener of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door handelen of nalaten van het bestuursorgaan. 3. Als het beroepschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, dan moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij de beoordeling niet relevant. 4. De aangevallen uitspraak is op 23 december 2022 bij aangetekende brief aan partijen toegezonden waarbij het juiste adres van de gemachtigde van appellante is gehanteerd. De verzonden uitspraak is ook niet bij de rechtbank retour gekomen. Dat betekent dat de termijn om hoger beroep in te stellen is aangevangen op 24 december 2022 en geëindigd is op 4 februari 2023. 5. Het beroepschrift is op 20 januari 2025 ingediend en is dus na afloop van de beroepstermijn door de gemachtigde van appellante ingediend. 6. De gemachtigde van appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij vaker meemaakt dat aangetekende stukken niet bij hem aankomen. Hij heeft op 16 april 2024, via een Zivver bericht, aan de rechtbank gevraagd naar de stand van zaken en of er uitspraak is gedaan, maar heeft daarop geen reactie gekregen. Bij brief van 6 januari 2025 heeft de gemachtigde weer bij de rechtbank geïnformeerd naar een einduitspraak. Hierop heeft de rechtbank bij brief van 14 januari 2025, met bijvoeging van een kopie van de uitspraak, aan de gemachtigde geantwoord dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan. De gemachtigde neemt het standpunt in dat de beroepstermijn pas gaat lopen vanaf dat de uitspraak van de rechtbank wordt ontvangen en dat was dus in januari 2025. 7. Het standpunt van de gemachtigde komt erop neer dat tijdig hoger beroep is ingesteld omdat de beroepstermijn is aangevangen in januari 2025. De Raad volgt dit standpunt niet. De beroepstermijn is ingevolge artikel 6:8, eerste lid van de Awb namelijk gaan lopen met ingang van de dag na die waarop de aangevallen uitspraak is bekendgemaakt, in dit geval dus op 24 december 2022. 8. De gemachtigde is, als professioneel rechtsbijstandverlener, op de hoogte van de geldende termijnen. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat partijen met bericht niet zijn verschenen op de zitting van 9 december 2022. De gemachtigde was dus op de hoogte van die zitting bij de rechtbank. Vaststaat dat de aangevallen uitspraak op tijd, namelijk twee weken na de zitting, is gedaan. Het ligt op de weg van de gemachtigde als professioneel rechtshulpverlener om dan eerder te informeren naar de uitspraak dan hij heeft gedaan op 6 januari 2025 of op 16 april 2024. De gemachtigde heeft dit nagelaten. Daarom wordt de termijnoverschrijding in dit geval niet verschoonbaar geacht. 9. Wat de gemachtigde van appellante heeft aangevoerd, bevat dus geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. De enkele stelling dat aangetekende stukken vaker niet bij de gemachtigde aankomen, is geen (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheid die maakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar mag worden geacht. 10. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk, zodat moet worden beslist zonder verder onderzoek. 11. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) M.G.J. van Eck (getekend) C. Karman