Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-04-30
ECLI:NL:CRVB:2026:525
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
11,965 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:525 text/xml public 2026-05-12T07:32:00 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-04-30 24/2021 AOW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:525 text/html public 2026-05-12T07:07:21 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:525 Centrale Raad van Beroep , 30-04-2026 / 24/2021 AOW Weigering om terug te komen van het besluit tot toekenning AOW-pensioen met toepassing van een korting van 46%, op de grond dat appellante niet verzekerd is geweest omdat zij niet in Nederland woonde en werkte. Terecht geoordeeld dat appellante in de periode in geding naar de tekst van de Nederlandse en Europese regelgeving niet verzekerd was voor de AOW. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 24/2021 AOW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 juli 2024, 23/3742 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] , België (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 30 april 2026 SAMENVATTING Appellante is in 1989 met haar echtgenoot naar België verhuisd. Vanaf die datum wordt zij niet meer verzekerd geacht voor de AOW. Op haar pensioen is een korting toegepast vanwege het niet verzekerd zijn wegens wonen in België. In deze uitspraak oordeelt de Raad dat de Svb terecht het verzoek om herziening van het toekenningsbesluit heeft afgewezen. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase wordt toegewezen. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J. van de Wiel, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer. Appellante heeft verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 februari 2026. Appellante is met haar echtgenoot [naam echtgenoot] verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wiel. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante is in 1969 gehuwd en heeft tot en met 1972 in Nederland gewerkt. Op [datum] 1989 is appellante met haar echtgenoot naar België verhuisd, waar zij nog steeds wonen. Aan appellante is met een besluit van 31 mei 2012 een AOW -pensioen toegekend met ingang van 16 februari 2013 later gewijzigd in 16 maart 2013. Op dit pensioen is een korting toegepast van 46%, in verband met, afgerond, 23 niet verzekerde jaren. Appellante is niet verzekerd geweest over de periode van [datum] 1989 tot en met 15 februari 2013. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt. 1.2. In maart 2021 heeft appellante een verzoek om herziening ingediend van het besluit van 31 mei 2012. 1.3. Met een besluit van 5 mei 2021 heeft de Svb het verzoek om herziening afgewezen. Bij besluit van 12 mei 2023 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb en dat het eerdere besluit ook niet onmiskenbaar onjuist is. De Svb komt daarom niet terug van het besluit van 31 mei 2012. Verder is overwogen dat appellante vanaf [datum] 1989 niet meer in Nederland woonde en werkte. Zij was daarom niet langer verzekerd voor de AOW. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Svb het herzieningsverzoek terecht heeft afgewezen. Volgens de rechtbank is de Svb niet tekortgeschoten in zijn zorg- en informatieplicht naar appellante op het moment dat zij naar België verhuisde. In het algemeen geldt dat appellante zelf verantwoordelijk is om te achterhalen wat de gevolgen zijn van een verhuizing naar het buitenland voor haar AOWpensioen. Van een onmiskenbaar onjuiste beslissing door de Svb is geen sprake. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft herhaald dat de Svb haar destijds had moeten informeren over de gevolgen voor de AOW van haar verhuizing naar België. Verder heeft appellante aangevoerd dat zij in 1972 is ontslagen vanwege haar zwangerschap en daarna nooit meer heeft gewerkt. Door de verhuizing naar België wordt zij als economische inactieve vrouw benadeeld. Dit acht zij in strijd met het beginsel van vrij verkeer van personen, goederen en diensten als neergelegd in de Europese regelgeving, alsmede dat zij indirect wordt gediscrimineerd als bedoeld in artikel 21 van het Handvest . Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 4.1. Tussen partijen is in geschil of de Svb terecht heeft geweigerd terug te komen op het besluit van 31 mei 2012. 4.2. Het besluit van 31 mei 2012 staat in rechte vast. Het verzoek van appellante van maart 2021 is dan ook terecht aangemerkt als een verzoek om terug te komen van dat besluit als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. 4.3. De Svb heeft in het bestreden besluit voor de periode vanaf het herzieningsverzoek een minder terughoudende toets toegepast dan voor de periode voorafgaand aan het herzieningsverzoek. De Raad ziet aanleiding om ten eerste te bespreken of het besluit van de Svb voor de periode vanaf het herzieningsverzoek de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Als dat het geval is, kan het besluit ook de terughoudender rechterlijke toets doorstaan over de periode voorafgaand aan het herzieningsverzoek. 4.4. Het geschil gaat over de vraag of appellante in de periode van [datum] 1989 tot en met 15 februari 2013 verzekerd was voor de AOW. In deze periode woonde zij in België en werkte zij niet. 4.5. Het is mogelijk dat appellante verzekerd is op grond van artikel 6a van de AOW in samenhang met Europeesrechtelijke regelgeving. Dat is het geval als op grond van Vo 1408/71 tot 1 mei 2010, en vanaf die datum via Vo 883/2004 op appellante de Nederlandse wetgeving van toepassing is verklaard. 4.6. Naar nationaal recht is appellante verzekerd als zij ingezetene is; dat wil zeggen: naar de omstandigheden beoordeeld woont in Nederland, of op grond van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid onderworpen is aan de loonbelasting. Dit is geregeld in artikel 6 van de AOW. In artikel 2 van de AOW is geregeld dat iemand ingezetene is als diegene woont in Nederland. Om te bepalen waar iemand woont, moet op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Maar verzekering naar nationaal recht is alleen mogelijk als niet in Europeesrechtelijke regelgeving de wetgeving van een andere lidstaat van toepassing wordt verklaard. Periode van [datum] 1989 tot 1 mei 2010 4.7.1. Appellante heeft op zitting van de Raad gesteld dat zij in 1972 voorgoed de arbeidsmarkt heeft verlaten. Appellante was toen niet langer als werknemer of zelfstandige werkzaam in een lidstaat van de Unie en dus ook niet toen zij verhuisde naar België. Appellante heeft ook later in België niet gewerkt en was ook anderszins niet verzekerd voor een werknemersverzekering in België. Onder die omstandigheden viel appellante niet onder de personele werkingssfeer van Vo 1408/71.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:525 text/xml public 2026-05-12T07:32:00 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-04-30 24/2021 AOW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:525 text/html public 2026-05-12T07:07:21 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:525 Centrale Raad van Beroep , 30-04-2026 / 24/2021 AOW Weigering om terug te komen van het besluit tot toekenning AOW-pensioen met toepassing van een korting van 46%, op de grond dat appellante niet verzekerd is geweest omdat zij niet in Nederland woonde en werkte. Terecht geoordeeld dat appellante in de periode in geding naar de tekst van de Nederlandse en Europese regelgeving niet verzekerd was voor de AOW. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 24/2021 AOW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 juli 2024, 23/3742 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] , België (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 30 april 2026 SAMENVATTING Appellante is in 1989 met haar echtgenoot naar België verhuisd. Vanaf die datum wordt zij niet meer verzekerd geacht voor de AOW. Op haar pensioen is een korting toegepast vanwege het niet verzekerd zijn wegens wonen in België. In deze uitspraak oordeelt de Raad dat de Svb terecht het verzoek om herziening van het toekenningsbesluit heeft afgewezen. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase wordt toegewezen. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J. van de Wiel, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer. Appellante heeft verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 februari 2026. Appellante is met haar echtgenoot [naam echtgenoot] verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wiel. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante is in 1969 gehuwd en heeft tot en met 1972 in Nederland gewerkt. Op [datum] 1989 is appellante met haar echtgenoot naar België verhuisd, waar zij nog steeds wonen. Aan appellante is met een besluit van 31 mei 2012 een AOW -pensioen toegekend met ingang van 16 februari 2013 later gewijzigd in 16 maart 2013. Op dit pensioen is een korting toegepast van 46%, in verband met, afgerond, 23 niet verzekerde jaren. Appellante is niet verzekerd geweest over de periode van [datum] 1989 tot en met 15 februari 2013. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt. 1.2. In maart 2021 heeft appellante een verzoek om herziening ingediend van het besluit van 31 mei 2012. 1.3. Met een besluit van 5 mei 2021 heeft de Svb het verzoek om herziening afgewezen. Bij besluit van 12 mei 2023 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb en dat het eerdere besluit ook niet onmiskenbaar onjuist is. De Svb komt daarom niet terug van het besluit van 31 mei 2012. Verder is overwogen dat appellante vanaf [datum] 1989 niet meer in Nederland woonde en werkte. Zij was daarom niet langer verzekerd voor de AOW. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Svb het herzieningsverzoek terecht heeft afgewezen. Volgens de rechtbank is de Svb niet tekortgeschoten in zijn zorg- en informatieplicht naar appellante op het moment dat zij naar België verhuisde. In het algemeen geldt dat appellante zelf verantwoordelijk is om te achterhalen wat de gevolgen zijn van een verhuizing naar het buitenland voor haar AOWpensioen. Van een onmiskenbaar onjuiste beslissing door de Svb is geen sprake. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft herhaald dat de Svb haar destijds had moeten informeren over de gevolgen voor de AOW van haar verhuizing naar België. Verder heeft appellante aangevoerd dat zij in 1972 is ontslagen vanwege haar zwangerschap en daarna nooit meer heeft gewerkt. Door de verhuizing naar België wordt zij als economische inactieve vrouw benadeeld. Dit acht zij in strijd met het beginsel van vrij verkeer van personen, goederen en diensten als neergelegd in de Europese regelgeving, alsmede dat zij indirect wordt gediscrimineerd als bedoeld in artikel 21 van het Handvest . Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 4.1. Tussen partijen is in geschil of de Svb terecht heeft geweigerd terug te komen op het besluit van 31 mei 2012. 4.2. Het besluit van 31 mei 2012 staat in rechte vast. Het verzoek van appellante van maart 2021 is dan ook terecht aangemerkt als een verzoek om terug te komen van dat besluit als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. 4.3. De Svb heeft in het bestreden besluit voor de periode vanaf het herzieningsverzoek een minder terughoudende toets toegepast dan voor de periode voorafgaand aan het herzieningsverzoek. De Raad ziet aanleiding om ten eerste te bespreken of het besluit van de Svb voor de periode vanaf het herzieningsverzoek de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Als dat het geval is, kan het besluit ook de terughoudender rechterlijke toets doorstaan over de periode voorafgaand aan het herzieningsverzoek. 4.4. Het geschil gaat over de vraag of appellante in de periode van [datum] 1989 tot en met 15 februari 2013 verzekerd was voor de AOW. In deze periode woonde zij in België en werkte zij niet. 4.5. Het is mogelijk dat appellante verzekerd is op grond van artikel 6a van de AOW in samenhang met Europeesrechtelijke regelgeving. Dat is het geval als op grond van Vo 1408/71 tot 1 mei 2010, en vanaf die datum via Vo 883/2004 op appellante de Nederlandse wetgeving van toepassing is verklaard. 4.6. Naar nationaal recht is appellante verzekerd als zij ingezetene is; dat wil zeggen: naar de omstandigheden beoordeeld woont in Nederland, of op grond van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid onderworpen is aan de loonbelasting. Dit is geregeld in artikel 6 van de AOW. In artikel 2 van de AOW is geregeld dat iemand ingezetene is als diegene woont in Nederland. Om te bepalen waar iemand woont, moet op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Maar verzekering naar nationaal recht is alleen mogelijk als niet in Europeesrechtelijke regelgeving de wetgeving van een andere lidstaat van toepassing wordt verklaard. Periode van [datum] 1989 tot 1 mei 2010 4.7.1. Appellante heeft op zitting van de Raad gesteld dat zij in 1972 voorgoed de arbeidsmarkt heeft verlaten. Appellante was toen niet langer als werknemer of zelfstandige werkzaam in een lidstaat van de Unie en dus ook niet toen zij verhuisde naar België. Appellante heeft ook later in België niet gewerkt en was ook anderszins niet verzekerd voor een werknemersverzekering in België. Onder die omstandigheden viel appellante niet onder de personele werkingssfeer van Vo 1408/71.
Volledig
De aanwijsregels van artikel 13 van Vo 1408/71 waren daarom niet op haar van toepassing. Hieruit volgt dat de vraag of appellante verzekerd was voor de AOW beoordeeld wordt aan de hand van de nationale wetgeving. 4.7.2. In beleidsregel SB1027 zijn uitgangspunten vastgesteld aan de hand waarvan het einde van de verplichte verzekering voor de AOW na vertrek uit Nederland wordt beoordeeld. Of de band met Nederland verbroken is, stelt de Svb vast op basis van het totaalbeeld van de feiten, waaruit in het concrete geval moet blijken of de betrokkene zijn woonplaats in Nederland heeft opgegeven. Als iemand uit Nederland vertrekt met het voornemen zich definitief in een ander land te vestigen, eindigt het ingezetenschap een dag na het feitelijk vertrek uit Nederland. Als betrokkene het voornemen heeft om langer dan een jaar buiten Nederland te verblijven, en het vertrek geen definitief karakter heeft, geldt als uitgangspunt dat naarmate betrokkene langer buiten Nederland verblijft, het waarschijnlijk is dat de band met Nederland minder sterk wordt. In gevallen waarin het onderzoek naar de feitelijke omstandigheden niet leidt tot de conclusie dat het verblijf in het buitenland definitief is, beschouwt de Svb betrokkene het eerste jaar na het feitelijk vertrek uit Nederland (nog) als ingezetene. Na dat jaar beschouwt de Svb het ingezetenschap als geëindigd, tenzij betrokkene zelf aantoont dat de feitelijke omstandigheden het (voorlopig) handhaven van het ingezetenschap rechtvaardigen. 4.7.3. De Raad leidt uit de beschikbare gegevens af dat appellante bij haar vertrek uit Nederland in december 1989 het voornemen had zich definitief in België te vestigen. Zij verhuisde immers met haar gehele gezin. Dit betekent dat het ingezetenschap direct na het vertrek is beëindigd en appellante over de periode van [datum] 1989 tot 1 mei 2010 niet langer verplicht verzekerd was voor de AOW. Periode van 1 mei 2010 tot en met 15 februari 2013 4.8.1. In deze periode was op appellante artikel 11 van Vo 883/2004 van toepassing en dan met name het eerste en het derde lid, onder e hiervan. Op grond van het eerste lid kan iemand maar aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen zijn. Op grond van het derde lid, onder e, geldt dat iemand die niet om een eerder in dat artikel genoemde reden onder de wetgeving van een bepaalde lidstaat valt, onderworpen is aan de wetgeving van de lidstaat waar men woont. Nu appellante niet werkte als werknemer, zelfstandige of ambtenaar, is er geen andere lidstaat aan te wijzen dan haar woonstaat, België. Dit betekent dat zij niet aan de Nederlandse wetgeving onderworpen was en dat zij dus ook niet verzekerd was voor de AOW. 4.8.2. Uit het voorgaande volgt dat appellante naar de tekst van de Nederlandse en Europese regelgeving, in de periode in geding, niet verzekerd was voor de AOW. Appellante heeft nog een aantal andere argumenten aangevoerd waarom zij desondanks toch als verzekerd aangemerkt zou moeten worden. Die argumenten worden hieronder nader besproken. Informatieplicht Svb 4.9.1. Volgens appellante had de Svb haar, bij haar vertrek naar België, moeten informeren over de gevolgen van haar vertrek en over de mogelijkheden deze gevolgen te beperken. 4.9.2. Volgens de Svb was appellante bij de Svb niet bekend toen zij naar België verhuisde. Op zitting is toegelicht dat de Svb geen actief verzekerde bestand heeft. De Svb was dan ook niet op de hoogte van de verhuizing van appellante en kon haar ook niet informeren. 4.9.3. De Raad overweegt dat bij een verhuizing naar het buitenland het in de eerste plaats op de weg van de betrokkene ligt om zich volledig te laten informeren over alle mogelijke gevolgen van die verhuizing. Niet is gebleken dat appellante zich voor of na 1989 heeft ingespannen om de gevolgen van de verhuizing voor haar sociale zekerheid op een rijtje te krijgen. Appellante heeft weliswaar gevraagd wat de consequenties zijn van de verhuizing bij gemeenten in Nederland en in België, maar niet bij de Svb. Op grond van de AOW is de Svb niet gehouden een administratie bij te houden van alle verzekerden. De opbouw van verzekerde jaren wordt doorgaans pas beoordeeld bij de aanvraag van een pensioenoverzicht of een ouderdomspensioen. De premie voor de AOW werd en wordt geïnd door de Belastingdienst en niet door de Svb. Kortom, de Svb had in 1989 geen zicht op appellantes verzekering voor de AOW en het mogelijk eindigen daarvan. Verder is gesteld noch gebleken dat de Svb aan appellante onjuiste informatie heeft verschaft over de consequenties van een verhuizing naar het buitenland. Deze grond slaagt dus niet. Schending recht op vrij verkeer van personen in de EU/indirecte discriminatie van vrouwen 4.10.1. Appellante stelt dat zij belemmerd wordt in haar recht op vrij verkeer nu zij vanwege haar verhuizing naar België een korting krijgt op haar AOW-pensioen. Verder meent appellante dat vrouwen, in een situatie als in dit geding, veel vaker geconfronteerd met een korting op het AOW-pensioen dan mannen. In de jaren ‘60/’70 gold namelijk een praktijk dat vrouwen werden ontslagen vanwege een zwangerschap of huwelijk. Zij meent dat zij meeverzekerd had moeten worden met haar echtgenoot. 4.10.2. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 6 juli 2023 , kunnen deze gronden niet slagen. Per 1 april 1985 is de AOW geïndividualiseerd, in die zin dat iedere verzekerde zelfstandig rechten opbouwde voor een eigen ouderdomspensioen. Enige jaren later is ook Bijlage VI bij Vo 1408/71 gewijzigd. De regeling in die Bijlage, dat de gehuwde vrouw die in een andere lidstaat dan Nederland woonde, was meeverzekerd met haar AOWverzekerde man, is toen vervallen. De werking is beperkt tot tijdvakken gelegen voor 2 augustus 1989. Wat appellante nu in essentie lijkt te beogen is een gedeeltelijke terugkeer naar de situatie van voor de invoering van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de AOW en in Bijlage VI. De Raad ziet hiervoor geen rechtsgrond. Een beroep op artikel 21 van het Handvest behoeft daarom geen verdere bespreking. Tussenconclusie 4.11. De Svb heeft op goede gronden geweigerd voor de periode vanaf het verzoek om herziening terug te komen van het besluit van 31 mei 2012. Zoals opgemerkt in 4.3 vloeit hieruit voort dat het besluit van de Svb betreffende de periode voorafgaand aan het verzoek om herziening eveneens de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn 4.12.1. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM . 4.12.2. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. 4.12.3. Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellante op 25 mei 2021 tot deze uitspraak zijn vier jaar en bijna elf maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met elf maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1.000,-. 4.12.4. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door de Svb afgerond vierentwintig maanden geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase is achttien maanden.
Volledig
De aanwijsregels van artikel 13 van Vo 1408/71 waren daarom niet op haar van toepassing. Hieruit volgt dat de vraag of appellante verzekerd was voor de AOW beoordeeld wordt aan de hand van de nationale wetgeving. 4.7.2. In beleidsregel SB1027 zijn uitgangspunten vastgesteld aan de hand waarvan het einde van de verplichte verzekering voor de AOW na vertrek uit Nederland wordt beoordeeld. Of de band met Nederland verbroken is, stelt de Svb vast op basis van het totaalbeeld van de feiten, waaruit in het concrete geval moet blijken of de betrokkene zijn woonplaats in Nederland heeft opgegeven. Als iemand uit Nederland vertrekt met het voornemen zich definitief in een ander land te vestigen, eindigt het ingezetenschap een dag na het feitelijk vertrek uit Nederland. Als betrokkene het voornemen heeft om langer dan een jaar buiten Nederland te verblijven, en het vertrek geen definitief karakter heeft, geldt als uitgangspunt dat naarmate betrokkene langer buiten Nederland verblijft, het waarschijnlijk is dat de band met Nederland minder sterk wordt. In gevallen waarin het onderzoek naar de feitelijke omstandigheden niet leidt tot de conclusie dat het verblijf in het buitenland definitief is, beschouwt de Svb betrokkene het eerste jaar na het feitelijk vertrek uit Nederland (nog) als ingezetene. Na dat jaar beschouwt de Svb het ingezetenschap als geëindigd, tenzij betrokkene zelf aantoont dat de feitelijke omstandigheden het (voorlopig) handhaven van het ingezetenschap rechtvaardigen. 4.7.3. De Raad leidt uit de beschikbare gegevens af dat appellante bij haar vertrek uit Nederland in december 1989 het voornemen had zich definitief in België te vestigen. Zij verhuisde immers met haar gehele gezin. Dit betekent dat het ingezetenschap direct na het vertrek is beëindigd en appellante over de periode van [datum] 1989 tot 1 mei 2010 niet langer verplicht verzekerd was voor de AOW. Periode van 1 mei 2010 tot en met 15 februari 2013 4.8.1. In deze periode was op appellante artikel 11 van Vo 883/2004 van toepassing en dan met name het eerste en het derde lid, onder e hiervan. Op grond van het eerste lid kan iemand maar aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen zijn. Op grond van het derde lid, onder e, geldt dat iemand die niet om een eerder in dat artikel genoemde reden onder de wetgeving van een bepaalde lidstaat valt, onderworpen is aan de wetgeving van de lidstaat waar men woont. Nu appellante niet werkte als werknemer, zelfstandige of ambtenaar, is er geen andere lidstaat aan te wijzen dan haar woonstaat, België. Dit betekent dat zij niet aan de Nederlandse wetgeving onderworpen was en dat zij dus ook niet verzekerd was voor de AOW. 4.8.2. Uit het voorgaande volgt dat appellante naar de tekst van de Nederlandse en Europese regelgeving, in de periode in geding, niet verzekerd was voor de AOW. Appellante heeft nog een aantal andere argumenten aangevoerd waarom zij desondanks toch als verzekerd aangemerkt zou moeten worden. Die argumenten worden hieronder nader besproken. Informatieplicht Svb 4.9.1. Volgens appellante had de Svb haar, bij haar vertrek naar België, moeten informeren over de gevolgen van haar vertrek en over de mogelijkheden deze gevolgen te beperken. 4.9.2. Volgens de Svb was appellante bij de Svb niet bekend toen zij naar België verhuisde. Op zitting is toegelicht dat de Svb geen actief verzekerde bestand heeft. De Svb was dan ook niet op de hoogte van de verhuizing van appellante en kon haar ook niet informeren. 4.9.3. De Raad overweegt dat bij een verhuizing naar het buitenland het in de eerste plaats op de weg van de betrokkene ligt om zich volledig te laten informeren over alle mogelijke gevolgen van die verhuizing. Niet is gebleken dat appellante zich voor of na 1989 heeft ingespannen om de gevolgen van de verhuizing voor haar sociale zekerheid op een rijtje te krijgen. Appellante heeft weliswaar gevraagd wat de consequenties zijn van de verhuizing bij gemeenten in Nederland en in België, maar niet bij de Svb. Op grond van de AOW is de Svb niet gehouden een administratie bij te houden van alle verzekerden. De opbouw van verzekerde jaren wordt doorgaans pas beoordeeld bij de aanvraag van een pensioenoverzicht of een ouderdomspensioen. De premie voor de AOW werd en wordt geïnd door de Belastingdienst en niet door de Svb. Kortom, de Svb had in 1989 geen zicht op appellantes verzekering voor de AOW en het mogelijk eindigen daarvan. Verder is gesteld noch gebleken dat de Svb aan appellante onjuiste informatie heeft verschaft over de consequenties van een verhuizing naar het buitenland. Deze grond slaagt dus niet. Schending recht op vrij verkeer van personen in de EU/indirecte discriminatie van vrouwen 4.10.1. Appellante stelt dat zij belemmerd wordt in haar recht op vrij verkeer nu zij vanwege haar verhuizing naar België een korting krijgt op haar AOW-pensioen. Verder meent appellante dat vrouwen, in een situatie als in dit geding, veel vaker geconfronteerd met een korting op het AOW-pensioen dan mannen. In de jaren ‘60/’70 gold namelijk een praktijk dat vrouwen werden ontslagen vanwege een zwangerschap of huwelijk. Zij meent dat zij meeverzekerd had moeten worden met haar echtgenoot. 4.10.2. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 6 juli 2023 , kunnen deze gronden niet slagen. Per 1 april 1985 is de AOW geïndividualiseerd, in die zin dat iedere verzekerde zelfstandig rechten opbouwde voor een eigen ouderdomspensioen. Enige jaren later is ook Bijlage VI bij Vo 1408/71 gewijzigd. De regeling in die Bijlage, dat de gehuwde vrouw die in een andere lidstaat dan Nederland woonde, was meeverzekerd met haar AOWverzekerde man, is toen vervallen. De werking is beperkt tot tijdvakken gelegen voor 2 augustus 1989. Wat appellante nu in essentie lijkt te beogen is een gedeeltelijke terugkeer naar de situatie van voor de invoering van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de AOW en in Bijlage VI. De Raad ziet hiervoor geen rechtsgrond. Een beroep op artikel 21 van het Handvest behoeft daarom geen verdere bespreking. Tussenconclusie 4.11. De Svb heeft op goede gronden geweigerd voor de periode vanaf het verzoek om herziening terug te komen van het besluit van 31 mei 2012. Zoals opgemerkt in 4.3 vloeit hieruit voort dat het besluit van de Svb betreffende de periode voorafgaand aan het verzoek om herziening eveneens de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn 4.12.1. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM . 4.12.2. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. 4.12.3. Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellante op 25 mei 2021 tot deze uitspraak zijn vier jaar en bijna elf maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met elf maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1.000,-. 4.12.4. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door de Svb afgerond vierentwintig maanden geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase is achttien maanden.
Volledig
Van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel is geen sprake, nu deze nog geen drie jaar heeft geduurd. De overschrijding komt dan ook in haar geheel voor rekening van de Svb. De Svb wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1.000,-. Conclusie en gevolgen 4.13. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om terug te komen van het besluit van 31 mei 2012 in stand blijft. De korting op het AOW-pensioen blijft ongewijzigd. 4.14. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. Er bestaat wel aanleiding om het Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij wordt volstaan met toekenning van 1 punt voor de indiening van het verzoek met toepassing van een wegingsfactor van 0,5. De kosten worden daarmee begroot op een bedrag van € 467,-. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak; veroordeelt de Svb tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-; veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 467,-. Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026. (getekend) E.E.V. Lenos (getekend) J.A. Adjei-Asamoah Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Nationaal Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:6 1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. 2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. Algemene Ouderdomswet Artikel 2 Ingezetene in de zin van deze wet is degene, die in Nederland woont. Artikel 6, eerste lid 1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en a. ingezetene is; b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. Artikel 6a Zo nodig in afwijking van artikel 6 en de daarop berustende bepalingen: a. wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; b. wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is. Artikel 13, eerste lid Op het bruto-ouderdomspensioen, vastgesteld op grond van artikel 9, wordt een korting toegepast van 2% voor elk kalenderjaar, dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de aanvangsleeftijd, doch vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet verzekerd is geweest. Internationaal Verordening (EG) nr. 1408/71 Artikel 13 1. Onder voorbehoud van de artikelen 14 quater en 14 septies zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld. 2. Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17: a. a) is op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid- Staat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat; b) is op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont; c) is op degene die zijn beroepswerkzaamheden uitoefent aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart, de wetgeving van die Staat van toepassing; d) is op ambtenaren en met hen gelijkgestelden, de wetgeving van toepassing van de lidstaat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert; e) is op degene die wordt opgeroepen op opnieuw wordt opgeroepen voor militaire dienst of vervangende burgerdienst in een lidstaat, de wetgeving van die Staat van toepassing. Indien toepassing van deze wetgeving afhankelijk is van het vervullen van tijdvakken van verzekering vóór de opkomst in of na het verlaten van de militaire of de vervangende burgerdienst, worden de tijdvakken van verzekering welke krachtens de wetgeving van een andere lidstaat zijn vervuld, voor zover nodig, in aanmerking genomen alsof het tijdvakken van verzekering betrof, vervuld krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Staat. De werknemer of zelfstandige die voor militaire dienst of vervangende burgerdienst wordt opgeroepen of opnieuw wordt opgeroepen, behoudt de hoedanigheid van werknemer of zelfstandige; f) is op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat zonder dat hij op grond van één van de in de voorgaande punten genoemde regels of van één van de in de artikelen 14 tot en met 17 bedoelde uitzonderingen of bijzondere regels aan de wettelijke regeling van een andere lidstaat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van toepassing van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling alleen. Verordening (EG) nr. 883/2004 Artikel 11 1. Degenen op wie deze verordening van toepassing is, zijn slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Welke die wetgeving is, wordt overeenkomstig deze titel vastgesteld. 2. (…) 3. Behoudens de artikelen 12 tot en met 16: a. a) geldt voor degene die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat; b) geldt voor ambtenaren de wetgeving van de lidstaat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert; c) geldt voor degene die een werkloosheidsuitkering ontvangt overeenkomstig artikel 65 volgens de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats, de wetgeving van die lidstaat; d) geldt voor degene die wordt opgeroepen of opnieuw wordt opgeroepen voor militaire dienst of vervangende burgerdienst in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat; e) geldt voor eenieder op wie de bepalingen van de onderdelen a) tot en met d) niet van toepassing zijn, de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats, onverminderd andere bepalingen van deze verordening die hem prestaties garanderen krachtens de wetgeving van een of meer andere lidstaten. Algemene Ouderdomswet. Algemene wet bestuursrecht. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verordening (EG) nr. 1408/71. Verordening (EG) nr. 883/2004. Zie de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466 en 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285. Zie CRvB 3 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3777. Zie CRvB 6 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1293. Zie CRvB 6 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1293. Wet 28 maart 1985, Stb 1985, 180, Invoering gelijke behandeling mannen en vrouwen in de AOW. Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zie CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
Volledig
Van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel is geen sprake, nu deze nog geen drie jaar heeft geduurd. De overschrijding komt dan ook in haar geheel voor rekening van de Svb. De Svb wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1.000,-. Conclusie en gevolgen 4.13. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om terug te komen van het besluit van 31 mei 2012 in stand blijft. De korting op het AOW-pensioen blijft ongewijzigd. 4.14. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. Er bestaat wel aanleiding om het Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij wordt volstaan met toekenning van 1 punt voor de indiening van het verzoek met toepassing van een wegingsfactor van 0,5. De kosten worden daarmee begroot op een bedrag van € 467,-. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak; veroordeelt de Svb tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-; veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 467,-. Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026. (getekend) E.E.V. Lenos (getekend) J.A. Adjei-Asamoah Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Nationaal Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:6 1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. 2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. Algemene Ouderdomswet Artikel 2 Ingezetene in de zin van deze wet is degene, die in Nederland woont. Artikel 6, eerste lid 1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en a. ingezetene is; b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. Artikel 6a Zo nodig in afwijking van artikel 6 en de daarop berustende bepalingen: a. wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; b. wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is. Artikel 13, eerste lid Op het bruto-ouderdomspensioen, vastgesteld op grond van artikel 9, wordt een korting toegepast van 2% voor elk kalenderjaar, dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de aanvangsleeftijd, doch vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet verzekerd is geweest. Internationaal Verordening (EG) nr. 1408/71 Artikel 13 1. Onder voorbehoud van de artikelen 14 quater en 14 septies zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld. 2. Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17: a. a) is op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid- Staat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat; b) is op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont; c) is op degene die zijn beroepswerkzaamheden uitoefent aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart, de wetgeving van die Staat van toepassing; d) is op ambtenaren en met hen gelijkgestelden, de wetgeving van toepassing van de lidstaat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert; e) is op degene die wordt opgeroepen op opnieuw wordt opgeroepen voor militaire dienst of vervangende burgerdienst in een lidstaat, de wetgeving van die Staat van toepassing. Indien toepassing van deze wetgeving afhankelijk is van het vervullen van tijdvakken van verzekering vóór de opkomst in of na het verlaten van de militaire of de vervangende burgerdienst, worden de tijdvakken van verzekering welke krachtens de wetgeving van een andere lidstaat zijn vervuld, voor zover nodig, in aanmerking genomen alsof het tijdvakken van verzekering betrof, vervuld krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Staat. De werknemer of zelfstandige die voor militaire dienst of vervangende burgerdienst wordt opgeroepen of opnieuw wordt opgeroepen, behoudt de hoedanigheid van werknemer of zelfstandige; f) is op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat zonder dat hij op grond van één van de in de voorgaande punten genoemde regels of van één van de in de artikelen 14 tot en met 17 bedoelde uitzonderingen of bijzondere regels aan de wettelijke regeling van een andere lidstaat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van toepassing van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling alleen. Verordening (EG) nr. 883/2004 Artikel 11 1. Degenen op wie deze verordening van toepassing is, zijn slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Welke die wetgeving is, wordt overeenkomstig deze titel vastgesteld. 2. (…) 3. Behoudens de artikelen 12 tot en met 16: a. a) geldt voor degene die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat; b) geldt voor ambtenaren de wetgeving van de lidstaat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert; c) geldt voor degene die een werkloosheidsuitkering ontvangt overeenkomstig artikel 65 volgens de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats, de wetgeving van die lidstaat; d) geldt voor degene die wordt opgeroepen of opnieuw wordt opgeroepen voor militaire dienst of vervangende burgerdienst in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat; e) geldt voor eenieder op wie de bepalingen van de onderdelen a) tot en met d) niet van toepassing zijn, de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats, onverminderd andere bepalingen van deze verordening die hem prestaties garanderen krachtens de wetgeving van een of meer andere lidstaten. Algemene Ouderdomswet. Algemene wet bestuursrecht. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verordening (EG) nr. 1408/71. Verordening (EG) nr. 883/2004. Zie de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466 en 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285. Zie CRvB 3 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3777. Zie CRvB 6 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1293. Zie CRvB 6 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1293. Wet 28 maart 1985, Stb 1985, 180, Invoering gelijke behandeling mannen en vrouwen in de AOW. Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zie CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.