Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-05-01
ECLI:NL:CRVB:2026:520
25/175 STAP, 25/176 STAP, 25/661 STAP, 25/178 STAP, 25/179 STAP, 25/657 STAP, 25/188 STAP, 25/189 STAP, 25/658 STAP, 25/190 STAP, 25/659 STAP, 25/192 STAP, 25/660 STAP Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 11 december 2024, 23/6651, 23/6655 (aangevallen uitspraak 1), 23/6652, 23/6653 (aangevallen uitspraak 2), 23/6654, 23/6656 (aangevallen uitspraak 3), 24/7464 (aangevallen uitspraak 4) en 24/7989 (aangevallen uitspraak 5) Partijen: [appellant 1] te [woonplaats 1] (appellant 1) [appellant 2] te [woonplaats 1] (appellant 2) [appellante 3] te [woonplaats 1] (appellante 3) [appellant 4] te [woonplaats 2] (appellant 4) [appellant 5] te [woonplaats 3] (België) (appellant 5) de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister) Datum uitspraak: 1 mei 2026 SAMENVATTING Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op hun bezwaren tegen de besluiten waarbij de minister hun verzoeken om dwangsommen heeft afgewezen. De rechtbank heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard omdat sprake is van misbruik van recht. De Raad onderschrijft het standpunt van de rechtbank. PROCESVERLOOP Appellant 1 heeft hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1. Daarnaast heeft appellant 1 namens appellanten 2, 3, 4 en 5 afzonderlijk hoger beroepen ingesteld tegen de aangevallen uitspraken 2, 3, 4 en 5. Appellanten hebben nadere stukken ingediend. Namens de minister heeft de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verweerschriften ingediend. Bij besluiten van 5 februari 2025 heeft de minister beslist op de door appellanten ingediende STAP-aanvragen. Appellanten hebben gereageerd op deze besluiten. De beroepen tegen deze besluiten zijn geregistreerd onder de nummers 25/661 STAP, 25/657 STAP, 25/658 STAP, 25/659 STAP en 25/660 STAP. De Raad heeft de zaken gevoegd behandeld op een zitting van 19 november 2025. Appellant 1 is verschenen in persoon. Appellanten 2 tot en met 5 zijn vertegenwoordigd door appellant 1. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. R. Spanjer, werkzaam bij het Uwv. Op 23 november 2025 heeft appellant 1 een wrakingsverzoek ingediend. Bij uitspraak van 10 februari 2026 heeft de wrakingskamer van de Raad het wrakingsverzoek afgewezen. OVERWEGINGEN Inleiding 1.1. Op grond van de subsidieregeling Stimulering ArbeidsmarktPositie (STAP)-budget (STAP-regeling) was het voor werkenden en werkzoekenden, die een band hadden met de Nederlandse arbeidsmarkt, vanaf 1 maart 2022 mogelijk één keer per jaar een budget van € 1.000,- aan te vragen voor scholing en ontwikkeling om hun positie op de arbeidsmarkt te verbeteren. Deze subsidie kon worden gebruikt voor een training, cursus of opleiding bij een opleider die in een scholingsregister was vermeld. De aanvraag om subsidie moest voldoen aan een aantal voorwaarden, waaronder het bijvoegen van het STAP-aanmeldbewijs voor de scholing. De aanvraag om subsidie vond plaats in vastgestelde aanvraagtijdvakken, via een elektronisch formulier. Het eerste aanvraagtijdvak van 2023 werd opengesteld op 17 maart 2023. 1.2. Appellanten 1, 2, 3 en 5 hebben op 3 maart 2023 en op 11 maart 2023 per persoon op papier 130 dan wel 139 STAP-aanvragen in het kader van de STAP-regeling ingediend. Op 23 maart 2023 hebben appellanten 1, 2, 3, 4, en 5 per persoon nog eens op papier 25 STAP-aanvragen ingediend. Op deze aanvragen hebben appellanten uitsluitend de opleiding, de opleider en de kosten van de opleiding vermeld. 1.3. Appellanten hebben vervolgens, omdat een beslissing op hun aanvragen uitbleef, de minister in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op hun aanvragen en de minister verzocht hen dwangsommen toe te kennen. Bij afzonderlijke primaire besluiten van 17 mei 2023, 30 mei 2023 en 19 september 2023 heeft de minister de dwangsomverzoeken afgewezen. 1.4. Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen deze primaire besluiten en (later) de minister in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op de door hen ingediende bezwaarschriften. Appellanten hebben beroepen ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun bezwaarschriften. Ondertussen heeft de minister op 17 januari 2024 het bezwaar van appellant 5 tegen de afwijzing van de dwangsommen nietontvankelijk verklaard in verband met misbruik van recht. Uitspraken van de rechtbank 2. De rechtbank heeft de beroepen van appellanten 1, 2, 3 en 4 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van misbruik van recht. De rechtbank heeft het beroep van appellant 5 tegen het besluit van 17 januari 2024 ongegrond verklaard, en daarmee het standpunt van de minister dat sprake was van misbruik van recht onderschreven. Het standpunt van appellanten 3. Appellanten zijn het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Appellanten hebben, samengevat weergegeven en voor zover relevant, zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat sprake is van misbruik van recht. Appellanten hebben ontkend dat hun handelwijze erop gericht is om geld te verdienen met het voeren van deze procedures. Volgens appellanten is hun enige doel geweest het verkrijgen van een STAP-budget. Appellanten hebben gesteld dat het Uwv tot op heden niet heeft aangegeven waar de aanvragen, behalve online, per post naartoe konden worden gestuurd. Het lag daarom voor appellanten, gelet op hun woonplaats, voor de hand de aanvragen naar het kantoor van het Uwv in Rotterdam te sturen. Daarbij hebben zij een antwoordnummer gebruikt dat het Uwv ooit aan (gemachtigde van) appellanten heeft verstrekt. Onder verwijzing naar een uitspraak van 1 maart 2010 van deze Raad, hebben appellanten gesteld dat het op de weg van het Uwv had gelegen om hen de gelegenheid te bieden de aanvragen, voor zover deze onvolledig zouden zijn, aan te vullen. Het Uwv heeft dat ten onrechte niet gedaan. Het Uwv heeft daarnaast ten onrechte niet beslist op de tijdig ingediende bezwaarschriften. Het standpunt van de minister 4. De minister heeft verzocht om de aangevallen uitspraken te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. Absolute competentie 5.1. De STAP-regeling is gebaseerd op artikel 3, eerste en derde lid, en de artikelen 5 en 8, eerste lid, van de Kaderwet Sociale Zaken en Werkgelegenheid-subsidie. Deze artikelen, noch de STAP-regeling zijn opgenomen in Hoofdstuk 4 van de bij de Algemene wet bestuursrecht (Awb) behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. Er is ook geen andere regeling waaruit volgt dat de Raad bevoegd is om van het hoger beroep kennis te nemen. Dit betekent dat de Raad in beginsel niet bevoegd is van het hoger beroep kennis te nemen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is dit echter anders, indien sprake is van een kennelijk of onmiskenbaar onbedoeld hiaat in de rechtsmachtbepaling en voorts de betrokken besluiten naar onderwerp, kader, strekking of toepasselijk recht een zodanig sterke verwantschap tonen met de in de bijlage bij de Beroepswet opgenomen dan wel anderszins aan de Raad toebedeelde wetten en ‑ andere ‑ regelingen, dat aan de Raad desondanks de bevoegdheid dient toe te komen in hoger beroep te oordelen over een uitspraak van (de voorzieningenrechter van) de rechtbank terzake. Deze situatie doet zich hier voor. Misbruik van recht? 5.2. Ingevolge artikel 3:13, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt haar niet inroepen voor zover hij haar misbruikt. In het tweede lid is bepaald dat een bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Ingevolge het derde lid kan uit de aard van een bevoegdheid voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt. 5.3. Ingevolge artikel 3:15 van het BW vindt artikel 3:13 van het BW buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. 5.4. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld, verzetten de in 5.2 en 5.3 genoemde bepalingen zich tegen een inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van bevoegdheid behelst. De genoemde bepalingen bieden dan ook een wettelijke grondslag om een zodanig beroep niet-ontvankelijk te verklaren. 5.5. Voor het niet-ontvankelijk verklaren van een bij een rechter ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zijn zwaarwichtige gronden vereist, aangezien met de nietontvankelijkverklaring de betrokkene in feite het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd. Dit geldt temeer wanneer het gaat om een door de burger tegen de overheid aangewend rechtsmiddel, gelet op de – soms zeer verstrekkende – bevoegdheden waarover de overheid beschikt. Alleen als over de zwaarwichtige gronden geen enkele twijfel bestaat, volgt een niet-ontvankelijkverklaring. Zwaarwichtige gronden zijn onder meer aanwezig indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Een min of meer overmatig beroep op de door de overheid geboden faciliteiten levert in het algemeen op zich geen misbruik van recht op. Elk beroep op die faciliteiten brengt immers kosten met zich voor de overheid en benadeelt de overheid in zoverre. Wel kan het aantal malen dat een bepaald recht of bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden, bijdragen aan de conclusie dat sprake is van misbruik van recht. 5.6. Per zaak moet worden beoordeeld of misbruik van (proces)recht is gemaakt, zoals appellant ook terecht heeft aangevoerd. Vergelijk de uitspraak van 16 december 2015 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Eerdere procedures en de handelwijze van een partij mogen worden betrokken bij het oordeel of in een specifieke zaak misbruik van recht is gemaakt. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2019. 5.7. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellanten in deze zaken rechten of bevoegdheden zodanig evident hebben aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Daarmee is sprake van zwaarwichtige gronden als genoemd in 5.5 en (dus) misbruik van recht. Daartoe wordt het volgende overwogen. 5.7.1. Appellanten 1, 2, 3 en 5 hebben in maart 2023 in twee tranches per persoon 155 dan wel 164 STAP-aanvragen op papier ingediend en appellant 4 heeft in één tranche 25 STAP-aanvragen op papier ingediend, terwijl op grond van de STAP-regeling per persoon slechts één keer per jaar een budget van € 1.000,- beschikbaar was voor scholing. Uit de (begeleidende brieven bij de) STAP-aanvragen, die variëren van opleidingen Basis installatietechniek tot solderen en van Ambtenaar bouw- en woningtoezicht 1 tot Programmeren in Javascript, blijkt niet welke opleiding(en) de voorkeur had(den) van appellanten. Verder was in de STAP-regeling uitdrukkelijk bepaald dat de STAP-aanvraag ingediend moest worden door middel van een elektronisch (digitaal) formulier. Voor personen voor wie het niet mogelijk was om langs digitale weg het aanvraagproces te doorlopen, was een voorziening getroffen om op een kantoor van het Uwv een digitale aanvraag te verzorgen. Desondanks hebben appellanten ervoor gekozen om alle STAP-aanvragen op papier toe te sturen aan antwoordnummers van kantoren van het Uwv in Rotterdam of, zoals ter zitting van de Raad nog toegelicht, Amsterdam. De door appellanten ingediende STAP-aanvragen waren verder niet volledig, omdat zij op essentiële punten niet voldeden aan de in de STAP-regeling genoemde voorwaarden, zoals het als bijlage opnemen van het STAP-aanmeldingsbewijs voor de betreffende scholing. Gelet op het feit dat op grond van de STAP-regeling uitsluitend volledige aanvragen werden behandeld op volgorde van ontvangst, en het appellanten redelijkerwijs bekend had kunnen zijn dat de STAP-regeling zeer populair was en het budgetplafond bij eerdere rondes in zeer korte tijd was bereikt, was voor appellanten voorzienbaar dat de incomplete aanvragen niet tot verlening van de subsidie konden leiden, ook niet na een eventuele door de minister geboden mogelijkheid om deze aanvragen aan te vullen. Daarbij dienden appellanten de STAP-aanvragen in op data waarop voorzienbaar was dat indiening niet tot verlening van een subsidie voor een scholing zou kunnen leiden. Zo werden de STAP-aanvragen van 3 maart 2023 en 11 maart 2023 ingediend nog voordat het eerste aanvraagtijdvak van 2023 op 17 maart 2023 werd opengesteld en werden de STAP-aanvragen van 23 maart 2023 (pas) zes dagen na de openstelling van het aanvraagtijdvak ingediend. 5.7.2. Dit leidt tot de conclusie dat het appellanten in het geheel niet te doen is geweest om de minister te stimuleren tot het nemen van inhoudelijke besluiten op de door hen ingediende STAP-aanvragen, maar dat zij uitsluitend procederen met het oogmerk om geldsommen te incasseren wegens gesteld niet-tijdig beslissen door de minister. Dit levert misbruik van recht op. Besluiten van 5 februari 2025 5.8. Bij de in hoger beroep ingebrachte vijf besluiten van 5 februari 2025 heeft de minister de (in totaal 654) aanvragen van appellanten op grond van de STAP-regeling afgewezen, omdat deze aanvragen niet compleet zijn en omdat sprake is van misbruik van recht. Deze besluiten worden met overeenkomstige toepassing van artikel 6:20, derde lid, en artikel 6:24 van de Awb bij de gedingen in hoger beroep betrokken. Appellanten hebben te kennen gegeven zich niet te kunnen verenigen met deze besluiten. De beroepen van appellanten tegen de besluiten van 5 februari 2025 worden, onder verwijzing naar wat is overwogen in 5.7, niet-ontvankelijk verklaard in verband met misbruik van recht. Conclusie en gevolgen 5.9. De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. De beroepen tegen de besluiten van 5 februari 2025 worden niet-ontvankelijk verklaard in verband met misbruik van recht. 6. Omdat de hoger beroepen niet slagen krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraken; - verklaart de beroepen tegen de besluiten van 5 februari 2025 niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026. (getekend) H.G. Rottier (getekend) D. Semiz Bijlage Artikel 3 van de Subsidieregeling STAP-budget Het doel van deze regeling is om personen, die een band hebben met de Nederlandse arbeidsmarkt, met financiële ondersteuning in staat te stellen om scholing te volgen, gericht op versterking van hun arbeidsmarktpositie. Artikel 5, eerste lid, van de Subsidieregeling STAP-budget De Minister kan subsidie verstrekken aan een persoon die een band heeft met de Nederlandse arbeidsmarkt ten behoeve van een door hem te volgen scholing die in het scholingsregister is vermeld en hierin niet is uitgesloten, en die marktconform geprijsd en arbeidsmarktgericht is. Artikel 7 van de Subsidieregeling STAP-budget De subsidie voor een scholing bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten van de scholing zoals vermeld in het scholingsregister, tot een maximum van € 1.000,– inclusief btw. Artikel 8, eerste, tweede en derde lid, van de Subsidieregeling STAP-budget 1. De subsidieaanvrager kan een subsidieaanvraag indienen vanaf 1 maart 2022 door middel van een door de Minister beschikbaar gesteld elektronisch formulier. 2. De subsidieaanvraag wordt voor aanvang van de scholing ingediend. 3.