Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-05-04
ECLI:NL:CRVB:2026:517
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
6,775 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:517 text/xml public 2026-05-11T08:32:44 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-04 24/2177 WAJONG Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:517 text/html public 2026-05-06T15:39:56 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:517 Centrale Raad van Beroep , 04-05-2026 / 24/2177 WAJONG Weigering toekenning Wajong-uitkering. Appellante beschikte in de relevantie periode over arbeidsvermogen en is om die reden niet als jonggehandicapte aan te merken. 24/2177 WAJONG Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 augustus 2024, 21/3119 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 4 mei 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij (duurzaam) niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A.M.W.A van der Hoeven, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken gestuurd. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is verwezen naar de enkelvoudige kamer van de Raad. De Raad heeft een aanvullende vraagstelling gestuurd naar de door de rechtbank ingeschakelde deskundige prof. dr. I.M. Hoepelman. Op 25 september 2025 heeft de deskundige gerapporteerd. Partijen hebben hun zienswijzen op dit rapport gegeven. Het Uwv heeft bij brief van 24 oktober 2025 gereageerd. Appellante heeft bij brief van 25 november 2025 gereageerd. De deskundige heeft als reactie op de zienswijzen van partijen een aanvullend rapport van 10 december 2025 uitgebracht. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 maart 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Hoeven en haar ouders. Het Uwv heeft zich via een online beeldverbinding laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Heijnen-Veldman. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum] 1993, heeft met een door het Uwv op 5 juni 2020 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat zij fysieke klachten heeft als gevolg van een in 2009 doorgemaakte Q-koorts infectie. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van haar behandelaars. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 25 maart 2021 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. 1.2. Bij besluit van 18 oktober 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. 2.2. De rechtbank heeft aanleiding gevonden om prof. dr. Hoepelman in te schakelen voor een deskundigenonderzoek. Op 6 augustus 2023 heeft de deskundige gerapporteerd. 2.2.1. De rechtbank heeft uit het rapport van de deskundige afgeleid dat appellante ‑ in ieder geval ‑ ten tijde van diens onderzoek niet beschikte over arbeidsvermogen, omdat zij geen vier uur per dag belastbaar is. De deskundige is van mening dat vier uur per dag belastbaarheid hem aan de zeer hoge kant lijkt. Een uur aaneengesloten werken zou moeten kunnen, mede afhankelijk van het type werk. Een uur achtereen zeer geconcentreerd werken zal lastig zijn, meer eenvoudige taken uitvoeren moet mogelijk zijn. Hij schrijft dat appellante, gezien het neuropsychologisch rapport van Adelante, nauwkeurig kan werken, maar niet te lang. De door hem uitgevoerde Checklist Individuele Spankracht vragenlijst, wijst op zeer ernstige vermoeidheid. De deskundige denkt dat appellante wel werknemersvaardigheden heeft. Zij kan bepaalde taken vervullen, maar heeft wel recuperatietijd nodig en er is sprake van uitputting na geringe inspanning. Uitgaande van de definitie van arbeidsvermogen heeft zij geen arbeidsvermogen, omdat zij niet vier uur per dag belastbaar is. 2.2.2. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de deskundige in zijn rapport van 6 augustus 2023, alhoewel hij schrijft dat de beperkingen ook in 2011 groot waren en de zeer ernstige vermoeidheid ook al in februari 2012 bestond, in zijn conclusie over het ontbreken van arbeidsvermogen niet heeft gedifferentieerd naar datum en dus ook niet blijkt per wanneer volgens hem sprake is van deze situatie. Ook blijkt uit het rapport niet in hoeverre de levensbedreigende anemie, die appellante in december 2022 doormaakte, van invloed is geweest op zijn beoordeling. Er kan dan ook niet met zoveel woorden een antwoord gegeven worden op de vraag of het arbeidsvermogen bij appellante ook al ontbrak op achttienjarige leeftijd of in de vijf jaar daarna. Nu hier sprake is van een laattijdige aanvraag is, komt het feit dat niet kan worden vastgesteld vanaf welk moment appellante geen arbeidsvermogen heeft, volgens vaste rechtspraak voor rekening en risico van appellante. 2.2.3. Anders dan het Uwv is de rechtbank van oordeel dat appellante ten tijde van de aanvraag niet beschikte over arbeidsvermogen, maar dat dit ontbreken van arbeidsvermogen op datum aanvraag niet duurzaam is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante geen recht heeft op een Wajonguitkering. De rechtbank heeft vervolgens toepassing gegeven aan artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht en heeft hierin reden gezien om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante en tot vergoeding van griffierecht. Het standpunt van appellante 3.1. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank geen volledig beeld heeft geschetst van de bevindingen van de deskundige prof. dr. Hoepelman. Zij kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat uit diens onderzoek niet blijkt per wanneer er sprake is van het ontbreken van arbeidsvermogen. Uit het rapport van prof. dr. Hoepelman van 6 augustus 2023 en de door haar ingebrachte medische informatie blijkt dat appellante op achttienjarige leeftijd en de vijf jaar daarna geen arbeidsvermogen had omdat zij niet ten minste vier uur per dag belastbaar was. Over het in hoger beroep op verzoek van de Raad uitgebrachte aanvullende rapport van prof. dr. Hoepelman van 25 september 2025 heeft appellante aangevoerd dat het niet zorgvuldig tot stand is gekomen, onjuistheden bevat en tegenstrijdig en niet consistent is met het bij de rechtbank uitgebrachte rapport. Appellante verzoekt om inschakeling van een andere deskundige. Het standpunt van het Uwv 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad beantwoordt deze vraag – zij het op andere gronden dan de rechtbank – bevestigend en komt tot het oordeel dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. 4.1. Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is ‑ kort gezegd en voor zover hier van belang ‑ sprake als een betrokkene op zijn achttiende jaar dan wel in de vijf jaar daaropvolgend duurzaam geen arbeidsvermogen heeft.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:517 text/xml public 2026-05-11T08:32:44 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-04 24/2177 WAJONG Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:517 text/html public 2026-05-06T15:39:56 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:517 Centrale Raad van Beroep , 04-05-2026 / 24/2177 WAJONG Weigering toekenning Wajong-uitkering. Appellante beschikte in de relevantie periode over arbeidsvermogen en is om die reden niet als jonggehandicapte aan te merken. 24/2177 WAJONG Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 augustus 2024, 21/3119 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 4 mei 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij (duurzaam) niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A.M.W.A van der Hoeven, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken gestuurd. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is verwezen naar de enkelvoudige kamer van de Raad. De Raad heeft een aanvullende vraagstelling gestuurd naar de door de rechtbank ingeschakelde deskundige prof. dr. I.M. Hoepelman. Op 25 september 2025 heeft de deskundige gerapporteerd. Partijen hebben hun zienswijzen op dit rapport gegeven. Het Uwv heeft bij brief van 24 oktober 2025 gereageerd. Appellante heeft bij brief van 25 november 2025 gereageerd. De deskundige heeft als reactie op de zienswijzen van partijen een aanvullend rapport van 10 december 2025 uitgebracht. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 maart 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Hoeven en haar ouders. Het Uwv heeft zich via een online beeldverbinding laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Heijnen-Veldman. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum] 1993, heeft met een door het Uwv op 5 juni 2020 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat zij fysieke klachten heeft als gevolg van een in 2009 doorgemaakte Q-koorts infectie. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van haar behandelaars. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 25 maart 2021 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. 1.2. Bij besluit van 18 oktober 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. 2.2. De rechtbank heeft aanleiding gevonden om prof. dr. Hoepelman in te schakelen voor een deskundigenonderzoek. Op 6 augustus 2023 heeft de deskundige gerapporteerd. 2.2.1. De rechtbank heeft uit het rapport van de deskundige afgeleid dat appellante ‑ in ieder geval ‑ ten tijde van diens onderzoek niet beschikte over arbeidsvermogen, omdat zij geen vier uur per dag belastbaar is. De deskundige is van mening dat vier uur per dag belastbaarheid hem aan de zeer hoge kant lijkt. Een uur aaneengesloten werken zou moeten kunnen, mede afhankelijk van het type werk. Een uur achtereen zeer geconcentreerd werken zal lastig zijn, meer eenvoudige taken uitvoeren moet mogelijk zijn. Hij schrijft dat appellante, gezien het neuropsychologisch rapport van Adelante, nauwkeurig kan werken, maar niet te lang. De door hem uitgevoerde Checklist Individuele Spankracht vragenlijst, wijst op zeer ernstige vermoeidheid. De deskundige denkt dat appellante wel werknemersvaardigheden heeft. Zij kan bepaalde taken vervullen, maar heeft wel recuperatietijd nodig en er is sprake van uitputting na geringe inspanning. Uitgaande van de definitie van arbeidsvermogen heeft zij geen arbeidsvermogen, omdat zij niet vier uur per dag belastbaar is. 2.2.2. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de deskundige in zijn rapport van 6 augustus 2023, alhoewel hij schrijft dat de beperkingen ook in 2011 groot waren en de zeer ernstige vermoeidheid ook al in februari 2012 bestond, in zijn conclusie over het ontbreken van arbeidsvermogen niet heeft gedifferentieerd naar datum en dus ook niet blijkt per wanneer volgens hem sprake is van deze situatie. Ook blijkt uit het rapport niet in hoeverre de levensbedreigende anemie, die appellante in december 2022 doormaakte, van invloed is geweest op zijn beoordeling. Er kan dan ook niet met zoveel woorden een antwoord gegeven worden op de vraag of het arbeidsvermogen bij appellante ook al ontbrak op achttienjarige leeftijd of in de vijf jaar daarna. Nu hier sprake is van een laattijdige aanvraag is, komt het feit dat niet kan worden vastgesteld vanaf welk moment appellante geen arbeidsvermogen heeft, volgens vaste rechtspraak voor rekening en risico van appellante. 2.2.3. Anders dan het Uwv is de rechtbank van oordeel dat appellante ten tijde van de aanvraag niet beschikte over arbeidsvermogen, maar dat dit ontbreken van arbeidsvermogen op datum aanvraag niet duurzaam is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante geen recht heeft op een Wajonguitkering. De rechtbank heeft vervolgens toepassing gegeven aan artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht en heeft hierin reden gezien om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante en tot vergoeding van griffierecht. Het standpunt van appellante 3.1. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank geen volledig beeld heeft geschetst van de bevindingen van de deskundige prof. dr. Hoepelman. Zij kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat uit diens onderzoek niet blijkt per wanneer er sprake is van het ontbreken van arbeidsvermogen. Uit het rapport van prof. dr. Hoepelman van 6 augustus 2023 en de door haar ingebrachte medische informatie blijkt dat appellante op achttienjarige leeftijd en de vijf jaar daarna geen arbeidsvermogen had omdat zij niet ten minste vier uur per dag belastbaar was. Over het in hoger beroep op verzoek van de Raad uitgebrachte aanvullende rapport van prof. dr. Hoepelman van 25 september 2025 heeft appellante aangevoerd dat het niet zorgvuldig tot stand is gekomen, onjuistheden bevat en tegenstrijdig en niet consistent is met het bij de rechtbank uitgebrachte rapport. Appellante verzoekt om inschakeling van een andere deskundige. Het standpunt van het Uwv 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad beantwoordt deze vraag – zij het op andere gronden dan de rechtbank – bevestigend en komt tot het oordeel dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. 4.1. Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is ‑ kort gezegd en voor zover hier van belang ‑ sprake als een betrokkene op zijn achttiende jaar dan wel in de vijf jaar daaropvolgend duurzaam geen arbeidsvermogen heeft.
Volledig
Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. 4.2. De door de rechtbank beantwoorde vraag, of appellante op datum aanvraag (5 juni 2020) duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikt, is niet doorslaggevend voor de vraag of appellante jonggehandicapte is geworden in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvoor moet appellante immers op achttienjarige leeftijd ( [geboortedatum] 2011) dan wel de periode van vijf jaar daaropvolgend (tot [geboortedatum] 2016) duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikken. De rechtbank heeft niet geoordeeld over de aanwezigheid van arbeidsvermogen in deze voor de Wajong relevante periode en heeft eventuele onduidelijkheid op dit punt in het rapport van deskundige prof. dr. Hoepelman van 23 augustus 2023 niet door nadere vragen aan de deskundige opgehelderd. Aangezien de onduidelijkheid hier niet is veroorzaakt door de laattijdige aanvraag van appellante, maar door het rapport van de deskundige, heeft de rechtbank die onduidelijkheid ten onrechte voor rekening en risico van appellante gelaten. De onduidelijkheid heeft de Raad in hoger beroep alsnog weggenomen met een nadere vraagstelling aan de deskundige. 4.3. In de rapporten van 25 september 2025 en 10 december 2025 heeft de deskundige desgevraagd aangegeven dat appellante in de periode van [geboortedatum] 2011 tot [geboortedatum] 2016 zijns inziens gedurende vijf werkdagen achtereen gedurende vier uur per dag belastbaar was. De deskundige heeft daarbij ‑ desgevraagd ‑ in aanmerking genomen dat de vier uur belastbaarheid binnen een 24-uurscyclus ook verdeeld kan worden in (bijvoorbeeld) tweemaal twee uur met daartussen twee uur recuperatie. Dit standpunt van de deskundige wordt gevolgd omdat de door hem gebezigde motivering de Raad overtuigend voorkomt. Anders dan door appellante gesteld, geven de rapporten van de deskundige blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn deze inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft kenbaar het verslag van medisch adviseur A.O. Loohuis van 18 maart 2022, de informatie van revalidatiearts A. Derks van 13 februari 2012, internist J. Buijs van 17 oktober 2011 en de bevindingen van de primaire verzekeringsarts C.A.H. Lemmers in zijn oordeelsvorming betrokken, als ook het gegeven dat appellante met haar beperkingen in staat is gebleken haar VWO-opleiding in 2013 af te ronden, waarna zij in 2013-2014 het theoretisch deel van de HBO-studie Verpleegkunde en in 2015 de propedeuse van de PABO heeft afgerond. De stages bleken daarbij voor appellante telkens fysiek te inspannend. De deskundige heeft daaruit afgeleid dat appellante ten tijde in geding weliswaar fors beperkt was in haar duurbelastbaarheid, maar dat zij ‑ met rustpauzes ‑ wel gedurende vier uur per dag belastbaar was. De door appellante tegen dit standpunt van de deskundige ingebrachte zienswijze, geeft geen aanleiding het oordeel van deskundige op dit punt niet te onderschrijven. Waar het hier gaat om een retrospectieve beoordeling van de belastbaarheid van appellante, acht de Raad het niet onzorgvuldig dat de deskundige zijn standpunt mede baseert op de anamnestische gegevens van de behandelaars uit die tijd. Van tegenstrijdigheid met het door de deskundige bij de rechtbank uitgebrachte rapport, acht de Raad ten slotte ook geen sprake. Anders dan in het rapport van 6 augustus 2023 heeft de deskundige in hoger beroep desgevraagd de mogelijkheid van tussentijdse recuperaties meegewogen bij beantwoording van de vraag of appellante in de periode in geding gedurende vier uur per dag belastbaar was te achten. 4.4. Gelet op 4.3 ziet de Raad geen aanleiding een andere deskundige in te schakelen, zoals door appellante verzocht. De Raad merkt daarbij nog op dat appellante zélf prof. dr. Hoepelman als in te schakelen deskundige bij de rechtbank heeft voorgedragen, dit in verband met zijn actuele en gedegen kennis van Q-koorts en het Q-koorts vermoeidheidssyndroom. 4.5. Gelet op 4.2, 4.3 en 4.4 moet het Uwv worden gevolgd in zijn standpunt, dat appellante in de voor de Wajong relevante periode beschikte over arbeidsvermogen en om die reden niet als jonggehandicapte is aan te merken. De vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is, kan daarom onbeantwoord blijven. Conclusie en gevolgen 5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt ‑ met verbetering van gronden ‑ bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering van de Wajonguitkering in stand blijft. 6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante in hoger beroep geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026. (getekend) E.J.J.M. Weyers (getekend) C.C.M. van ’t Hol Zie de uitspraak van de Raad van 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6477 en de uitspraak van de Raad van 26 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2193.
Volledig
Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. 4.2. De door de rechtbank beantwoorde vraag, of appellante op datum aanvraag (5 juni 2020) duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikt, is niet doorslaggevend voor de vraag of appellante jonggehandicapte is geworden in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvoor moet appellante immers op achttienjarige leeftijd ( [geboortedatum] 2011) dan wel de periode van vijf jaar daaropvolgend (tot [geboortedatum] 2016) duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikken. De rechtbank heeft niet geoordeeld over de aanwezigheid van arbeidsvermogen in deze voor de Wajong relevante periode en heeft eventuele onduidelijkheid op dit punt in het rapport van deskundige prof. dr. Hoepelman van 23 augustus 2023 niet door nadere vragen aan de deskundige opgehelderd. Aangezien de onduidelijkheid hier niet is veroorzaakt door de laattijdige aanvraag van appellante, maar door het rapport van de deskundige, heeft de rechtbank die onduidelijkheid ten onrechte voor rekening en risico van appellante gelaten. De onduidelijkheid heeft de Raad in hoger beroep alsnog weggenomen met een nadere vraagstelling aan de deskundige. 4.3. In de rapporten van 25 september 2025 en 10 december 2025 heeft de deskundige desgevraagd aangegeven dat appellante in de periode van [geboortedatum] 2011 tot [geboortedatum] 2016 zijns inziens gedurende vijf werkdagen achtereen gedurende vier uur per dag belastbaar was. De deskundige heeft daarbij ‑ desgevraagd ‑ in aanmerking genomen dat de vier uur belastbaarheid binnen een 24-uurscyclus ook verdeeld kan worden in (bijvoorbeeld) tweemaal twee uur met daartussen twee uur recuperatie. Dit standpunt van de deskundige wordt gevolgd omdat de door hem gebezigde motivering de Raad overtuigend voorkomt. Anders dan door appellante gesteld, geven de rapporten van de deskundige blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn deze inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft kenbaar het verslag van medisch adviseur A.O. Loohuis van 18 maart 2022, de informatie van revalidatiearts A. Derks van 13 februari 2012, internist J. Buijs van 17 oktober 2011 en de bevindingen van de primaire verzekeringsarts C.A.H. Lemmers in zijn oordeelsvorming betrokken, als ook het gegeven dat appellante met haar beperkingen in staat is gebleken haar VWO-opleiding in 2013 af te ronden, waarna zij in 2013-2014 het theoretisch deel van de HBO-studie Verpleegkunde en in 2015 de propedeuse van de PABO heeft afgerond. De stages bleken daarbij voor appellante telkens fysiek te inspannend. De deskundige heeft daaruit afgeleid dat appellante ten tijde in geding weliswaar fors beperkt was in haar duurbelastbaarheid, maar dat zij ‑ met rustpauzes ‑ wel gedurende vier uur per dag belastbaar was. De door appellante tegen dit standpunt van de deskundige ingebrachte zienswijze, geeft geen aanleiding het oordeel van deskundige op dit punt niet te onderschrijven. Waar het hier gaat om een retrospectieve beoordeling van de belastbaarheid van appellante, acht de Raad het niet onzorgvuldig dat de deskundige zijn standpunt mede baseert op de anamnestische gegevens van de behandelaars uit die tijd. Van tegenstrijdigheid met het door de deskundige bij de rechtbank uitgebrachte rapport, acht de Raad ten slotte ook geen sprake. Anders dan in het rapport van 6 augustus 2023 heeft de deskundige in hoger beroep desgevraagd de mogelijkheid van tussentijdse recuperaties meegewogen bij beantwoording van de vraag of appellante in de periode in geding gedurende vier uur per dag belastbaar was te achten. 4.4. Gelet op 4.3 ziet de Raad geen aanleiding een andere deskundige in te schakelen, zoals door appellante verzocht. De Raad merkt daarbij nog op dat appellante zélf prof. dr. Hoepelman als in te schakelen deskundige bij de rechtbank heeft voorgedragen, dit in verband met zijn actuele en gedegen kennis van Q-koorts en het Q-koorts vermoeidheidssyndroom. 4.5. Gelet op 4.2, 4.3 en 4.4 moet het Uwv worden gevolgd in zijn standpunt, dat appellante in de voor de Wajong relevante periode beschikte over arbeidsvermogen en om die reden niet als jonggehandicapte is aan te merken. De vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is, kan daarom onbeantwoord blijven. Conclusie en gevolgen 5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt ‑ met verbetering van gronden ‑ bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering van de Wajonguitkering in stand blijft. 6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante in hoger beroep geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026. (getekend) E.J.J.M. Weyers (getekend) C.C.M. van ’t Hol Zie de uitspraak van de Raad van 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6477 en de uitspraak van de Raad van 26 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2193.