Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-04-15
ECLI:NL:CRVB:2026:465
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
6,092 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:465 text/xml public 2026-04-29T07:53:11 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-04-15 25/115 ZW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:465 text/html public 2026-04-28T16:04:35 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:465 Centrale Raad van Beroep , 15-04-2026 / 25/115 ZW Beëindiging vrijwillige ZW-verzekering. Geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het Uwv in afwijking van zijn gedragslijn met terugwerkende kracht tot beëindiging van de vrijwillige verzekering had moeten overgaan. Van een verboden onderscheid naar geslacht is niet gebleken. Het hoger beroep slaagt niet. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 25/115 ZW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 december 2024, 24/2277 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 15 april 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de verplichte verzekering van appellante voor de ZW heeft beëindigd per datum waarom zij heeft verzocht de verzekering te beëindigen, 30 oktober 2023. Volgens appellante zijn er bijzondere omstandigheden waardoor de vrijwillige verzekering met terugwerkende kracht moet worden beëindigd. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de vrijwillige ZWverzekering terecht per 30 oktober 2023 heeft beëindigd. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. N.E.M. van der Heijden, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 maart 2026. Voor appellante is mr. Van der Heijden verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Op 14 november 2017 is appellante gestart met een eenmanszaak ( [naam eenmanszaak] ), een winkel in dameskleding. Op 7 augustus 2018 heeft appellante zich aangemeld voor de vrijwillige verzekering op grond van de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 10 augustus 2018 heeft het Uwv appellante per 6 augustus 2018 toegelaten tot de vrijwillige ZW-verzekering, met als dagloon € 72,-. 1.2. Per 30 juni 2020 is de eenmanszaak omgezet in een besloten vennootschap, [naam eenmanszaak] B.V., met appellante als bestuurder. Bij brief van 17 oktober 2023 heeft het Uwv appellante geïnformeerd over haar vrijwillige ZW-verzekering. 1.3. Op 30 oktober 2023 heeft appellante het Uwv verzocht de vrijwillige ZWverzekering per 30 oktober 2023 te beëindigen. Bij besluit van 31 oktober 2023 heeft het Uwv de vrijwillige ZW-verzekering van appellante beëindigd per 30 oktober 2023. 1.4. Bij besluit van 12 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat gelet op het gelopen risico een vrijwillige verzekering slechts per toekomende datum kan worden beëindigd en dat geen aanleiding bestaat om tot premierestitutie over te gaan. Het Uwv heeft appellante hierbij onder meer gewezen op de verzekeringsvoorwaarden, de jaarlijkse informatiebrieven en de Uwv-website. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. 2.1. Op grond van artikel 67a, aanhef en onder a, van de ZW heeft het Uwv naar aanleiding van het verzoek van appellante in beginsel terecht de verzekering per 30 oktober 2023 beëindigd. De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de verzekering met terugwerkende kracht beëindigd had moeten worden. De rechtbank heeft geoordeeld dat hiervan geen sprake is. 2.2. Dat appellante jarenlang premies heeft betaald voor een verzekering waar zij nooit een beroep op heeft kunnen doen, is geen bijzondere omstandigheid. Daarbij overweegt de rechtbank dat het voor een directeur-grootaandeelhouder (DGA) in beginsel geen nut heeft om een ZW-verzekering af te sluiten omdat de B.V. het loon bij ziekte gedurende twee jaar door moet betalen, maar dat de vrouwelijke DGA wel recht heeft op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg bij zwangerschap en bevalling voor ten minste zestien weken. 2.3. De argumenten van appellante dat het Uwv haar eerder en duidelijker had moeten wijzen op het feit dat de verzekering in het geval van ziekte voor haar als DGA geen nut meer had, volgt de rechtbank niet. 2.4. Het Uwv heeft aan appellante voor de jaren 2020 tot en met 2023 jaarlijks een brief gestuurd over de premiepercentages. Het Uwv heeft in die premiebrieven voldoende duidelijk vermeld dat de vrijwillige ZW-verzekering voor een DGA slechts beperkte meerwaarde heeft omdat tijdens ziekte de B.V. verplicht is om het loon door te betalen. 2.5. De rechtbank ziet de registratie in de polisadministratie van de wijziging in rechtsvorm of het verstrekken van informatie in een procedure gericht op een ander doel, niet als een verzoek waarmee appellante heeft beoogd haar verzekering stop te zetten. Van het Uwv kan niet verwacht worden dat op basis van deze informatie zelfstandig onderzoek wordt gedaan naar de rechtsvormwijziging en de eventuele gevolgen daarvan voor de verzekering. Als appellante een verzekering wil beëindigen, ligt het op haar weg om met de juiste afdeling van het Uwv contact op te nemen en het Uwv daarover te informeren. Dat heeft appellante pas op 30 oktober 2023 voor het eerst gedaan. 2.6. De rechtbank ziet ook in de brief van het Uwv van 17 oktober 2023 geen reden om een bijzonder omstandigheid aan te nemen. In deze brief zijn de mogelijke gevolgen van de vrijwillige ZW-verzekering nogmaals onder de aandacht gebracht, maar dit wijkt niet af van de jaarlijkse premiebrief. Het Uwv stuurt deze brieven als service aan verzekerden, maar het blijft de verantwoordelijkheid van de verzekerden om aan de bel te trekken en de verzekering te beëindigen. 2.7. Ook het financiële nadeel van appellante kan niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Onder de gegeven omstandigheden ligt het binnen de risicosfeer van appellante dat het Uwv weigert om de vrijwillige ZW-verzekering met terugwerkende kracht te beëindigen met de daaraan verbonden financiële gevolgen. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante voert aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de vrijwillige verzekering met terugwerkende kracht per 30 juni 2020, dan wel per 17 februari 2021 had moeten worden beëindigd. 3.1. Appellante heeft namelijk jarenlang onverschuldigd premies betaald en dat dient voor rekening van het Uwv te komen. Het Uwv heeft appellante niet goed geïnformeerd. Op de website van het Uwv staat niet dat bij een wijziging in rechtsvorm het Uwv geïnformeerd dient te worden en/of de vrijwillige ZW-verzekering beëindigd dient te worden en/of feitelijk onnodig is geworden. Bovendien heeft appellante niet actief gezocht op de website van het Uwv omdat zij het verband niet legde tussen de wijziging van een rechtsvorm van een bedrijf en de vrijwillige ZW-verzekering. Aan de jaarlijkse premiebrieven ontleende zij dat ook niet. 3.2. Het Uwv heeft in de polisadministratie kunnen zien dat appellantes eenmanszaak per 30 juni 2020 was omgezet naar een B.V. Het Uwv was hiervan ook al door het bezwaarschrift van appellante van 17 februari 2021 in een NOW-procedure op de hoogte. Appellante is echter pas op 17 oktober 2023 gewezen op de gevolgen van de omzetting. Anders dan in de jaarlijkse premiebrieven is in de brief van 17 oktober 2023 veel uitgebreider en duidelijker uitgewerkt wat die gevolgen zijn. Appellante heeft daarop direct actie ondernomen. 3.3.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:465 text/xml public 2026-04-29T07:53:11 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-04-15 25/115 ZW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:465 text/html public 2026-04-28T16:04:35 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:465 Centrale Raad van Beroep , 15-04-2026 / 25/115 ZW Beëindiging vrijwillige ZW-verzekering. Geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het Uwv in afwijking van zijn gedragslijn met terugwerkende kracht tot beëindiging van de vrijwillige verzekering had moeten overgaan. Van een verboden onderscheid naar geslacht is niet gebleken. Het hoger beroep slaagt niet. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 25/115 ZW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 december 2024, 24/2277 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 15 april 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de verplichte verzekering van appellante voor de ZW heeft beëindigd per datum waarom zij heeft verzocht de verzekering te beëindigen, 30 oktober 2023. Volgens appellante zijn er bijzondere omstandigheden waardoor de vrijwillige verzekering met terugwerkende kracht moet worden beëindigd. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de vrijwillige ZWverzekering terecht per 30 oktober 2023 heeft beëindigd. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. N.E.M. van der Heijden, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 maart 2026. Voor appellante is mr. Van der Heijden verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Op 14 november 2017 is appellante gestart met een eenmanszaak ( [naam eenmanszaak] ), een winkel in dameskleding. Op 7 augustus 2018 heeft appellante zich aangemeld voor de vrijwillige verzekering op grond van de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 10 augustus 2018 heeft het Uwv appellante per 6 augustus 2018 toegelaten tot de vrijwillige ZW-verzekering, met als dagloon € 72,-. 1.2. Per 30 juni 2020 is de eenmanszaak omgezet in een besloten vennootschap, [naam eenmanszaak] B.V., met appellante als bestuurder. Bij brief van 17 oktober 2023 heeft het Uwv appellante geïnformeerd over haar vrijwillige ZW-verzekering. 1.3. Op 30 oktober 2023 heeft appellante het Uwv verzocht de vrijwillige ZWverzekering per 30 oktober 2023 te beëindigen. Bij besluit van 31 oktober 2023 heeft het Uwv de vrijwillige ZW-verzekering van appellante beëindigd per 30 oktober 2023. 1.4. Bij besluit van 12 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat gelet op het gelopen risico een vrijwillige verzekering slechts per toekomende datum kan worden beëindigd en dat geen aanleiding bestaat om tot premierestitutie over te gaan. Het Uwv heeft appellante hierbij onder meer gewezen op de verzekeringsvoorwaarden, de jaarlijkse informatiebrieven en de Uwv-website. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. 2.1. Op grond van artikel 67a, aanhef en onder a, van de ZW heeft het Uwv naar aanleiding van het verzoek van appellante in beginsel terecht de verzekering per 30 oktober 2023 beëindigd. De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de verzekering met terugwerkende kracht beëindigd had moeten worden. De rechtbank heeft geoordeeld dat hiervan geen sprake is. 2.2. Dat appellante jarenlang premies heeft betaald voor een verzekering waar zij nooit een beroep op heeft kunnen doen, is geen bijzondere omstandigheid. Daarbij overweegt de rechtbank dat het voor een directeur-grootaandeelhouder (DGA) in beginsel geen nut heeft om een ZW-verzekering af te sluiten omdat de B.V. het loon bij ziekte gedurende twee jaar door moet betalen, maar dat de vrouwelijke DGA wel recht heeft op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg bij zwangerschap en bevalling voor ten minste zestien weken. 2.3. De argumenten van appellante dat het Uwv haar eerder en duidelijker had moeten wijzen op het feit dat de verzekering in het geval van ziekte voor haar als DGA geen nut meer had, volgt de rechtbank niet. 2.4. Het Uwv heeft aan appellante voor de jaren 2020 tot en met 2023 jaarlijks een brief gestuurd over de premiepercentages. Het Uwv heeft in die premiebrieven voldoende duidelijk vermeld dat de vrijwillige ZW-verzekering voor een DGA slechts beperkte meerwaarde heeft omdat tijdens ziekte de B.V. verplicht is om het loon door te betalen. 2.5. De rechtbank ziet de registratie in de polisadministratie van de wijziging in rechtsvorm of het verstrekken van informatie in een procedure gericht op een ander doel, niet als een verzoek waarmee appellante heeft beoogd haar verzekering stop te zetten. Van het Uwv kan niet verwacht worden dat op basis van deze informatie zelfstandig onderzoek wordt gedaan naar de rechtsvormwijziging en de eventuele gevolgen daarvan voor de verzekering. Als appellante een verzekering wil beëindigen, ligt het op haar weg om met de juiste afdeling van het Uwv contact op te nemen en het Uwv daarover te informeren. Dat heeft appellante pas op 30 oktober 2023 voor het eerst gedaan. 2.6. De rechtbank ziet ook in de brief van het Uwv van 17 oktober 2023 geen reden om een bijzonder omstandigheid aan te nemen. In deze brief zijn de mogelijke gevolgen van de vrijwillige ZW-verzekering nogmaals onder de aandacht gebracht, maar dit wijkt niet af van de jaarlijkse premiebrief. Het Uwv stuurt deze brieven als service aan verzekerden, maar het blijft de verantwoordelijkheid van de verzekerden om aan de bel te trekken en de verzekering te beëindigen. 2.7. Ook het financiële nadeel van appellante kan niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Onder de gegeven omstandigheden ligt het binnen de risicosfeer van appellante dat het Uwv weigert om de vrijwillige ZW-verzekering met terugwerkende kracht te beëindigen met de daaraan verbonden financiële gevolgen. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante voert aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de vrijwillige verzekering met terugwerkende kracht per 30 juni 2020, dan wel per 17 februari 2021 had moeten worden beëindigd. 3.1. Appellante heeft namelijk jarenlang onverschuldigd premies betaald en dat dient voor rekening van het Uwv te komen. Het Uwv heeft appellante niet goed geïnformeerd. Op de website van het Uwv staat niet dat bij een wijziging in rechtsvorm het Uwv geïnformeerd dient te worden en/of de vrijwillige ZW-verzekering beëindigd dient te worden en/of feitelijk onnodig is geworden. Bovendien heeft appellante niet actief gezocht op de website van het Uwv omdat zij het verband niet legde tussen de wijziging van een rechtsvorm van een bedrijf en de vrijwillige ZW-verzekering. Aan de jaarlijkse premiebrieven ontleende zij dat ook niet. 3.2. Het Uwv heeft in de polisadministratie kunnen zien dat appellantes eenmanszaak per 30 juni 2020 was omgezet naar een B.V. Het Uwv was hiervan ook al door het bezwaarschrift van appellante van 17 februari 2021 in een NOW-procedure op de hoogte. Appellante is echter pas op 17 oktober 2023 gewezen op de gevolgen van de omzetting. Anders dan in de jaarlijkse premiebrieven is in de brief van 17 oktober 2023 veel uitgebreider en duidelijker uitgewerkt wat die gevolgen zijn. Appellante heeft daarop direct actie ondernomen. 3.3.
Volledig
Appellante heeft tot slot aangevoerd dat de overweging dat een vrouwelijke vrijwillige verzekerde mogelijk aanspraak kan maken op een uitkering bij zwangerschap en verlof een verboden onderscheid inhoudt tussen mannen en vrouwen. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de vrijwillige ZW-verzekering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1. Ingevolge artikel 67a, aanhef en onder a, van de ZW beëindigt het Uwv de vrijwillige verzekering op verzoek van de vrijwillig verzekerde met ingang van een door hem te bepalen datum. 5.2. Bij de toepassing van deze bepaling hanteert het Uwv de gedragslijn dat de vrijwillige ZW-verzekering gelet op het gelopen risico behoudens bijzondere omstandigheden slechts per een toekomende datum wordt beëindigd. Naar vaste rechtspraak is deze gedragslijn aanvaardbaar. 5.3. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden die zij reeds in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. 5.4. Met de rechtbank wordt dan ook geoordeeld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het Uwv in afwijking van de genoemde gedragslijn met terugwerkende kracht tot 30 juni 2020, dan wel 17 februari 2021 tot beëindiging van de vrijwillige verzekering had moeten overgaan. Dat het Uwv over de jaren 2020 tot en met 2023 geen risico heeft gelopen kan, nog daargelaten of deze stelling juist is, naar vaste rechtspraak niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. 5.5. Ook het betoog van appellante dat het Uwv al eerder op de hoogte zou zijn geweest van de gewijzigde rechtsvorm levert geen bijzondere omstandigheid op. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank ter zake en volstaat met een verwijzing daarnaar. 5.6. Voor zover appellante heeft betoogd dat het Uwv verwijtbaar tekort is geschoten in zijn informatieverplichting jegens appellante en dat dit de reden is om niet aan de gedragslijn vast te houden, slaagt dit betoog niet. In de jaarlijks aan appellante verstuurde premiebrieven wordt expliciet de situatie van een DGA benoemd. Hierin staat vermeld dat wanneer de verzekerde DGA van zijn eigen bedrijf is of wordt, het meestal niet nodig is om een vrijwillige ZW-verzekering af te sluiten, omdat tijdens zijn ziekte de besloten vennootschap namelijk verplicht is om zijn loon door te betalen. In dezelfde brieven wordt erop gewezen dat de vrijwillig verzekerde direct alle wijzigingen in zijn ZW-, WIA-, WAO of WW-verzekering doorgeeft die van invloed kunnen zijn op de verzekering. 5.7. Ten slotte is van een verboden onderscheid naar geslacht in de aangevallen uitspraak niet gebleken. De rechtbank heeft enkel gewezen op de uitzonderingssituatie in geval van zwangerschaps- en bevallingsverlof, zoals het Uwv ook heeft gedaan in de brief van 17 oktober 2023. Conclusie en gevolgen 5.8. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-verzekering per 30 oktober 2023 in stand blijft. 6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en F.M. Rijnbeek en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026. (getekend) D.S. de Vries (getekend) A.A. Verweij Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 9 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3655. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2088.
Volledig
Appellante heeft tot slot aangevoerd dat de overweging dat een vrouwelijke vrijwillige verzekerde mogelijk aanspraak kan maken op een uitkering bij zwangerschap en verlof een verboden onderscheid inhoudt tussen mannen en vrouwen. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de vrijwillige ZW-verzekering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1. Ingevolge artikel 67a, aanhef en onder a, van de ZW beëindigt het Uwv de vrijwillige verzekering op verzoek van de vrijwillig verzekerde met ingang van een door hem te bepalen datum. 5.2. Bij de toepassing van deze bepaling hanteert het Uwv de gedragslijn dat de vrijwillige ZW-verzekering gelet op het gelopen risico behoudens bijzondere omstandigheden slechts per een toekomende datum wordt beëindigd. Naar vaste rechtspraak is deze gedragslijn aanvaardbaar. 5.3. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden die zij reeds in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. 5.4. Met de rechtbank wordt dan ook geoordeeld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het Uwv in afwijking van de genoemde gedragslijn met terugwerkende kracht tot 30 juni 2020, dan wel 17 februari 2021 tot beëindiging van de vrijwillige verzekering had moeten overgaan. Dat het Uwv over de jaren 2020 tot en met 2023 geen risico heeft gelopen kan, nog daargelaten of deze stelling juist is, naar vaste rechtspraak niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. 5.5. Ook het betoog van appellante dat het Uwv al eerder op de hoogte zou zijn geweest van de gewijzigde rechtsvorm levert geen bijzondere omstandigheid op. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank ter zake en volstaat met een verwijzing daarnaar. 5.6. Voor zover appellante heeft betoogd dat het Uwv verwijtbaar tekort is geschoten in zijn informatieverplichting jegens appellante en dat dit de reden is om niet aan de gedragslijn vast te houden, slaagt dit betoog niet. In de jaarlijks aan appellante verstuurde premiebrieven wordt expliciet de situatie van een DGA benoemd. Hierin staat vermeld dat wanneer de verzekerde DGA van zijn eigen bedrijf is of wordt, het meestal niet nodig is om een vrijwillige ZW-verzekering af te sluiten, omdat tijdens zijn ziekte de besloten vennootschap namelijk verplicht is om zijn loon door te betalen. In dezelfde brieven wordt erop gewezen dat de vrijwillig verzekerde direct alle wijzigingen in zijn ZW-, WIA-, WAO of WW-verzekering doorgeeft die van invloed kunnen zijn op de verzekering. 5.7. Ten slotte is van een verboden onderscheid naar geslacht in de aangevallen uitspraak niet gebleken. De rechtbank heeft enkel gewezen op de uitzonderingssituatie in geval van zwangerschaps- en bevallingsverlof, zoals het Uwv ook heeft gedaan in de brief van 17 oktober 2023. Conclusie en gevolgen 5.8. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-verzekering per 30 oktober 2023 in stand blijft. 6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en F.M. Rijnbeek en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026. (getekend) D.S. de Vries (getekend) A.A. Verweij Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 9 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3655. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2088.