Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-04-15
ECLI:NL:CRVB:2026:435
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
4,053 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:435 text/xml public 2026-05-04T15:38:20 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-04-15 24/1060 POL Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Ambtenarenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:435 text/html public 2026-04-22T11:31:41 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:435 Centrale Raad van Beroep , 15-04-2026 / 24/1060 POL Afwijzing verzoek om aanvullend smartengeld wegens later ingetreden arbeidsongeschiktheid. De Raad oordeelt dat de afwijzing in dit geval terecht is gelet op de inhoud en systematiek van de toepasselijke regeling die voorziet in een eenmalige beoordeling van invaliditeit of arbeidsongeschiktheid en in toekenning van een daarop gebaseerde eenmalige smartengelduitkering. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 24/1060 POL Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 maart 2024, 23/3146 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Korpschef van Politie (korpschef) Datum uitspraak: 15 april 2026 SAMENVATTING Appellant heeft in de uitoefening van zijn werkzaamheden een PTSS opgelopen. In verband daarmee is hem in 2017 smartengeld toegekend op basis van blijvende invaliditeit. In 2023 heeft appellant een aanvraag ingediend om een aanvullend bedrag aan smartengeld wegens later ingetreden arbeidsongeschiktheid. Die aanvraag is afgewezen. De Raad oordeelt dat die afwijzing in dit geval terecht is, gelet op de inhoud en systematiek van de toepasselijke regeling. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Namens de korpschef heeft mr. I.G.J. van den Broek, advocaat, een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 maart 2026. Appellant is verschenen, samen met zijn echtgenote en bijgestaan door mr. Van der Wal. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van den Broek. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Op 1 april 2025 is het Besluit beroepsgerelateerde gezondheidsklachten politie (Besluit) in werking getreden, waarbij onder meer het stelsel voor beroepsziekten, beroepsincidenten en dienstongevallen op grond van het Barp is gewijzigd. In deze zaak is het Barp van toepassing zoals dat gold vóór inwerkingtreding van het Besluit. 2. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 2.1. Appellant is op 1 januari 1986 in dienst getreden bij de politie. In 2005 heeft hij tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden in de executieve dienst een incident meegemaakt. Als gevolg hiervan heeft appellant een PTSS opgelopen. Na een periode van re-integratie heeft hij op enig moment zijn werkzaamheden hervat. 2.2. Appellant heeft de korpschef op 1 december 2014 verzocht de PTSS aan te merken als een beroepsziekte. Naar aanleiding daarvan heeft de Adviescommissie PTSS Politie op 17 mei 2016 een advies uitgebracht. De korpschef heeft de PTSS met een besluit van 7 juni 2016 als beroepsziekte aangemerkt. 2.3. Met een besluit van 30 januari 2017 heeft de korpschef appellant op grond van artikel 54a van het Barp (oud) smartengeld toegekend tot een bedrag van € 15.000,- (netto). De hoogte van het smartengeld is gebaseerd op een mate van blijvende invaliditeit van 10%. 2.4. Op 8 december 2021 is appellant opnieuw uitgevallen voor zijn werkzaamheden. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft met een besluit van 27 maart 2023 aan appellant met ingang van 16 april 2023 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen een IVA -uitkering toegekend. 2.5. Op 12 april 2023 heeft appellant de korpschef verzocht hem aanvullend smartengeld toe te kennen, nu wegens arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 4 van de Rvbp . Met een besluit van 1 juni 2023 (bestreden besluit) heeft de korpschef dit verzoek afgewezen. Tegen dit besluit heeft appellant rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank. Uitspraak van de rechtbank 3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en heeft daarmee dat besluit in stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank vooropgesteld dat in het bijzonder de vraag voorligt of appellant, nadat hij op grond van blijvende invaliditeit zoals bedoeld in artikel 3 van de Rvbp een smartengeldvergoeding heeft gekregen, nu op grond van arbeidsongeschiktheid aanspraak kan maken op smartengeld op grond van artikel 4 van de Rvbp. Die vraag heeft de rechtbank ontkennend beantwoord. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de Raad in een uitspraak van 9 augustus 2018 een algemene uitleg heeft gegeven van het systeem van de Rvbp, die naar het oordeel van de rechtbank ook toepasbaar is op de situatie van appellant. Het systeem voorziet in een eenmalige beoordeling van invaliditeit of arbeidsongeschiktheid en in toekenning van een daarop gebaseerde eenmalige smartengelduitkering. Hebben die beoordeling en toekenning eenmaal plaatsgevonden, dan is de zaak afgedaan. Later ingetreden omstandigheden, of die nu ten voordele of ten nadele van de betrokkene werken, kunnen dat niet anders maken. Het standpunt van appellant 4. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 5.1. De Raad volgt de rechtbank in haar hiervoor weergegeven conclusie dat er, gelet op de inhoud en systematiek van de Rvbp, in de gegeven omstandigheden geen ruimte is voor toekenning van een aanvullend bedrag aan smartengeld. Daarbij is van belang dat ten tijde van de aanvraag van 12 april 2023 de eerdere beoordeling met het besluit van 30 januari 2017 al was afgerond. Ten tijde van die eerdere beoordeling was nog geen sprake van arbeidsongeschiktheid. Anders dan appellant heeft betoogd, voorziet de Rvbp er niet in dat in een geval als dit nog een nieuwe, zelfstandige, aanvraag om smartengeld kan worden ingediend, ditmaal op basis van de veel later ingetreden arbeidsongeschiktheid. De artikelen 3 en 4 van de Rvbp moeten in onderlinge samenhang worden bezien en ook in samenhang met artikel 5, eerste lid, van de Rvbp. Heeft de toekenning van smartengeld eenmaal plaatsgevonden dan is de zaak daarmee afgedaan. Conclusie en gevolgen 5.2. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent dat de weigering om een aanvullend bedrag aan smartengeld toe te kennen in stand blijft. 6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026. (getekend) L. Tobé (getekend) N. Gios Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Besluit algemene rechtspositie politie Artikel 54a (zoals dat luidde van 1 januari 2023 tot 1 januari 2024) 1. In geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte, wordt aan de desbetreffende ambtenaar smartengeld vergoed tot een netto maximum bedrag van € 197.850. (…) 4. Onze Minister stelt nadere regels vast omtrent de toekenning van de uitkering, bedoeld in het eerste lid. (…) Regeling vergoeding beroepsziekten politie (per 1 april 2025 ingetrokken) Artikel 3 1. Het bevoegd gezag wijst een onafhankelijke deskundige aan die de als gevolg van de beroepsziekte ontstane mate van invaliditeit van de ambtenaar, uitgedrukt in procenten, vaststelt aan de hand van de Guides to the Evaluation of Permanent Impairment van de American Medical Association.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:435 text/xml public 2026-05-04T15:38:20 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-04-15 24/1060 POL Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Ambtenarenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:435 text/html public 2026-04-22T11:31:41 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:435 Centrale Raad van Beroep , 15-04-2026 / 24/1060 POL Afwijzing verzoek om aanvullend smartengeld wegens later ingetreden arbeidsongeschiktheid. De Raad oordeelt dat de afwijzing in dit geval terecht is gelet op de inhoud en systematiek van de toepasselijke regeling die voorziet in een eenmalige beoordeling van invaliditeit of arbeidsongeschiktheid en in toekenning van een daarop gebaseerde eenmalige smartengelduitkering. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 24/1060 POL Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 maart 2024, 23/3146 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Korpschef van Politie (korpschef) Datum uitspraak: 15 april 2026 SAMENVATTING Appellant heeft in de uitoefening van zijn werkzaamheden een PTSS opgelopen. In verband daarmee is hem in 2017 smartengeld toegekend op basis van blijvende invaliditeit. In 2023 heeft appellant een aanvraag ingediend om een aanvullend bedrag aan smartengeld wegens later ingetreden arbeidsongeschiktheid. Die aanvraag is afgewezen. De Raad oordeelt dat die afwijzing in dit geval terecht is, gelet op de inhoud en systematiek van de toepasselijke regeling. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Namens de korpschef heeft mr. I.G.J. van den Broek, advocaat, een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 maart 2026. Appellant is verschenen, samen met zijn echtgenote en bijgestaan door mr. Van der Wal. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van den Broek. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Op 1 april 2025 is het Besluit beroepsgerelateerde gezondheidsklachten politie (Besluit) in werking getreden, waarbij onder meer het stelsel voor beroepsziekten, beroepsincidenten en dienstongevallen op grond van het Barp is gewijzigd. In deze zaak is het Barp van toepassing zoals dat gold vóór inwerkingtreding van het Besluit. 2. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 2.1. Appellant is op 1 januari 1986 in dienst getreden bij de politie. In 2005 heeft hij tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden in de executieve dienst een incident meegemaakt. Als gevolg hiervan heeft appellant een PTSS opgelopen. Na een periode van re-integratie heeft hij op enig moment zijn werkzaamheden hervat. 2.2. Appellant heeft de korpschef op 1 december 2014 verzocht de PTSS aan te merken als een beroepsziekte. Naar aanleiding daarvan heeft de Adviescommissie PTSS Politie op 17 mei 2016 een advies uitgebracht. De korpschef heeft de PTSS met een besluit van 7 juni 2016 als beroepsziekte aangemerkt. 2.3. Met een besluit van 30 januari 2017 heeft de korpschef appellant op grond van artikel 54a van het Barp (oud) smartengeld toegekend tot een bedrag van € 15.000,- (netto). De hoogte van het smartengeld is gebaseerd op een mate van blijvende invaliditeit van 10%. 2.4. Op 8 december 2021 is appellant opnieuw uitgevallen voor zijn werkzaamheden. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft met een besluit van 27 maart 2023 aan appellant met ingang van 16 april 2023 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen een IVA -uitkering toegekend. 2.5. Op 12 april 2023 heeft appellant de korpschef verzocht hem aanvullend smartengeld toe te kennen, nu wegens arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 4 van de Rvbp . Met een besluit van 1 juni 2023 (bestreden besluit) heeft de korpschef dit verzoek afgewezen. Tegen dit besluit heeft appellant rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank. Uitspraak van de rechtbank 3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en heeft daarmee dat besluit in stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank vooropgesteld dat in het bijzonder de vraag voorligt of appellant, nadat hij op grond van blijvende invaliditeit zoals bedoeld in artikel 3 van de Rvbp een smartengeldvergoeding heeft gekregen, nu op grond van arbeidsongeschiktheid aanspraak kan maken op smartengeld op grond van artikel 4 van de Rvbp. Die vraag heeft de rechtbank ontkennend beantwoord. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de Raad in een uitspraak van 9 augustus 2018 een algemene uitleg heeft gegeven van het systeem van de Rvbp, die naar het oordeel van de rechtbank ook toepasbaar is op de situatie van appellant. Het systeem voorziet in een eenmalige beoordeling van invaliditeit of arbeidsongeschiktheid en in toekenning van een daarop gebaseerde eenmalige smartengelduitkering. Hebben die beoordeling en toekenning eenmaal plaatsgevonden, dan is de zaak afgedaan. Later ingetreden omstandigheden, of die nu ten voordele of ten nadele van de betrokkene werken, kunnen dat niet anders maken. Het standpunt van appellant 4. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 5.1. De Raad volgt de rechtbank in haar hiervoor weergegeven conclusie dat er, gelet op de inhoud en systematiek van de Rvbp, in de gegeven omstandigheden geen ruimte is voor toekenning van een aanvullend bedrag aan smartengeld. Daarbij is van belang dat ten tijde van de aanvraag van 12 april 2023 de eerdere beoordeling met het besluit van 30 januari 2017 al was afgerond. Ten tijde van die eerdere beoordeling was nog geen sprake van arbeidsongeschiktheid. Anders dan appellant heeft betoogd, voorziet de Rvbp er niet in dat in een geval als dit nog een nieuwe, zelfstandige, aanvraag om smartengeld kan worden ingediend, ditmaal op basis van de veel later ingetreden arbeidsongeschiktheid. De artikelen 3 en 4 van de Rvbp moeten in onderlinge samenhang worden bezien en ook in samenhang met artikel 5, eerste lid, van de Rvbp. Heeft de toekenning van smartengeld eenmaal plaatsgevonden dan is de zaak daarmee afgedaan. Conclusie en gevolgen 5.2. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent dat de weigering om een aanvullend bedrag aan smartengeld toe te kennen in stand blijft. 6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026. (getekend) L. Tobé (getekend) N. Gios Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Besluit algemene rechtspositie politie Artikel 54a (zoals dat luidde van 1 januari 2023 tot 1 januari 2024) 1. In geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte, wordt aan de desbetreffende ambtenaar smartengeld vergoed tot een netto maximum bedrag van € 197.850. (…) 4. Onze Minister stelt nadere regels vast omtrent de toekenning van de uitkering, bedoeld in het eerste lid. (…) Regeling vergoeding beroepsziekten politie (per 1 april 2025 ingetrokken) Artikel 3 1. Het bevoegd gezag wijst een onafhankelijke deskundige aan die de als gevolg van de beroepsziekte ontstane mate van invaliditeit van de ambtenaar, uitgedrukt in procenten, vaststelt aan de hand van de Guides to the Evaluation of Permanent Impairment van de American Medical Association.