Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-04-15
ECLI:NL:CRVB:2026:424
Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/927 WLZ Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 mei 2025, 23/7989 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het CIZ Datum uitspraak: 15 april 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak om de vraag of appellant in aanmerking komt voor zorg op grond van de Wlz. De Raad volgt de rechtbank in het oordeel dat het CIZ op zorgvuldige en toereikende wijze heeft gemotiveerd dat ten tijde van het bestreden besluit geen blijvende noodzaak voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid kon worden vastgesteld. Dit betekent dat het CIZ de aanvraag van appellant voor zorg op grond van de Wlz terecht heeft afgewezen. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. Het CIZ heeft een verweerschrift ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 maart 2026. Voor appellant is mr. Küçükünal verschenen. Het CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Bozdag en mr. J.E. Koedood. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant, geboren in 2009, is bekend met lichamelijke problematiek en een verstandelijke beperking. Namens appellant is op 2 mei 2023 een aanvraag ingediend voor zorg op grond van het bepaalde bij of krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz). 1.2. Met een besluit van 21 juni 2023 heeft het CIZ de aanvraag afgewezen. Het CIZ heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de noodzaak voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid niet onderbouwd kan worden en er daarnaast geen sprake is van een stabiele eindsituatie. 1.3. Appellant heeft tegen het besluit van 21 juni 2023 bezwaar gemaakt. 1.4. Hangende de bezwaarprocedure heeft een medisch adviseur van het CIZ (hierna: medisch adviseur) op 9 oktober 2023 een medisch advies uitgebracht en daarin, onder meer, het volgende vermeld. De grondslag somatische aandoening kan worden gesteld. De grondslag verstandelijke handicap kan niet worden gesteld. Nader onderzoek dient te worden afgewacht alvorens bezien kan worden van welke grondslag(en) gesproken kan worden en welke mate/intensiteit van zorg en ondersteuning nodig zal zijn. Er zijn op dit moment geen aanwijzingen dat voor de somatische problematiek 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig is om ernstig nadeel te voorkomen. 1.5. Op 7 november 2023 heeft een telefonische hoorzitting plaatsgevonden. Voorafgaand aan de hoorzitting heeft appellant medische informatie overgelegd, namelijk een verslag van een psychologisch onderzoek van 17 juli 2023, waaruit blijkt dat bij appellant een totaal IQ van 65 is vastgesteld, en een brief van een kinder- en jeugdpsychiater van het Erasmus MC van 31 oktober 2023. 1.6. Op 14 november 2023 heeft de medisch adviseur een aanvullend medisch advies uitgebracht en daarin, onder meer, het volgende vermeld. Uit de recent ontvangen medische informatie lijkt verzekerde op zeer laag tot laag niveau te functioneren. Naast de reeds gestelde grondslag somatische aandoening kan de grondslag verstandelijke handicap gesteld worden. De grondslag verstandelijke handicap heeft de grootste zorgvraag. Geconcludeerd dient te worden dat verzekerde momenteel is aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid. De inschatting van de kinder- en jeugdpsychiater is dat uit het intelligentieonderzoek een betrouwbare score is gekomen en dat in eventuele volgende onderzoeken vergelijkbare scores behaald zullen worden. Echter, er valt nog niet op te maken dat sprake is van een eindsituatie ten aanzien van de ontwikkeling. Verzekerde volgt VSO Cluster 3 ZML-onderwijs (waarbij ZML staat voor ‘zeer moeilijk lerend’) waarvan de uitstroommogelijkheid nog niet vaststaat. Verder is verzekerde op dit moment pas 14 jaar oud. Het brein is op deze leeftijd nog in ontwikkeling. Daarbij is, gezien de verstan Anders dan appellant heeft aangevoerd heeft de medisch adviseur in de aanvulling van het medisch advies van 14 november 2023 de medische informatie die voorafgaand aan de hoorzitting is aangeleverd, en waar appellant tijdens de hoorzitting op heeft gewezen, op inzichtelijke wijze bij zijn beoordeling betrokken. Dat de medisch adviseur de door appellant voorafgaand aan de hoorzitting overgelegde medische informatie heeft meegewogen in zijn beoordeling, blijkt alleen al uit de omstandigheid dat de medisch adviseur aan de hand van deze informatie de grondslag verstandelijke handicap heeft gesteld en heeft vastgesteld dat thans sprake is van een noodzaak voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Blijvende zorgbehoefte 4.4. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat het CIZ het bestreden besluit mocht baseren op het advies van de medisch adviseur van 9 oktober 2023, aangevuld op 14 november 2023. Daarin is geconcludeerd dat appellant (op grond van de grondslag verstandelijke handicap) momenteel is aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid, maar dat nog niet vast te stellen is dat appellant hier blijvend op zal zijn aangewezen. In wat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen steun gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. Hieraan wordt nog het volgende toegevoegd. 4.5. De medisch adviseur van het CIZ heeft vastgesteld dat appellant op grond van de grondslag somatische aandoening niet is aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Uit de in hoger beroep overgelegde informatie van de afdeling dermatologie van het Erasmus MC van januari 2025 kan evenmin worden afgeleid dat appellant als gevolg van de grondslag somatische aandoening is aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid. De Raad komt dan ook niet toe aan de vraag of deze zorgbehoefte blijvend is. Conclusie en gevolgen 4.6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. 5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026. (getekend) C.W.C.A. Bruggeman (getekend) F.M. Gerritsen Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Wet langdurige zorg Artikel 3.2.1 1. Een verzekerde heeft recht op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen omdat hij, vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking, een psychische stoornis of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, een blijvende behoefte heeft aan: a. permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de verzekerde, of b. 24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat hij zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel voor hemzelf te voorkomen, 1°. door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft, of 2°. door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft. 2. In het eerste lid wordt verstaan onder: a. blijvend: van niet voorbijgaande aard; b. permanent toezicht: onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal, waardoor tijdig kan worden ingegrepen; c. ernstig nadeel voor de verzekerde: een situatie waarin de verzekerde: 1°.zich maatschappelijk te gronde richt of dreigt te richten; 2°.zichzelf in ernstige mate verwaarloost of dreigt te verwaarlozen; 3°.ernstig lichamelijk letsel oploopt of dreigt op te lopen dan wel zichzelf ernstig lichamelijk letsel toebrengt of dr