Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-04-02
ECLI:NL:CRVB:2026:423
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
6,873 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:423 text/xml public 2026-05-06T09:44:39 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-04-02 25/164 AOW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:423 text/html public 2026-04-21T14:36:41 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:423 Centrale Raad van Beroep , 02-04-2026 / 25/164 AOW Toekenning van een AOW-pensioen naar de norm van een gehuwde. Appellante is een geregistreerd partnerschap aangegaan. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het doen van gezamenlijke belastingaangifte geen rol mag spelen bij de beoordeling van duurzaam gescheiden leven. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/164 AOW, 25/165 AOW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 19 november 2024, 23/3141 en 24/3000 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 2 april 2026 SAMENVATTING Appellante is een geregistreerd partnerschap aangegaan. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat appellante en haar partner niet duurzaam gescheiden van elkaar leven. De overweging van de rechtbank ten aanzien van het doen van gezamenlijke belastingaangifte onderschrijft de Raad echter niet, nu appellante en haar geregistreerde partner van op grond van de fiscale regelgeving als fiscale partners worden aangemerkt. Nu deze omstandigheid uit de wet voortvloeit, mag deze niet meewegen bij de beoordeling of al dan niet sprake is van duurzaam gescheiden leven. Dit doet er niet aan af dat, gelet op alle overige feiten en omstandigheden, in het geval van appellante geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Het opheffen van de gezamenlijke bankrekening brengt hierin geen verandering. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. G.A.R. Wieleman, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 februari 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wieleman. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante is van [datum 1] 1976 tot [datum 2] 1995 gehuwd geweest met dhr. [naam] ( [naam] ), die in [plaats] woont. Op [datum 3] 2016 is zij met hem een geregistreerd partnerschap aangegaan. Appellante heeft op 27 maart 2023 bij de Svb een aanvraag gedaan om toekenning van een AOW -pensioen. 1.2. Met een besluit van 5 juni 2023 heeft de Svb aan appellante met ingang van 18 juli 2023 een AOW-pensioen toegekend naar de norm van een gehuwde. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 juni 2023. Tegelijkertijd heeft zij een verzoek om herziening ingediend van dat besluit, op de grond dat de gezamenlijke bankrekening van appellante en [naam] per 24 juli 2023 is opgeheven. Bij besluit van 4 oktober 2023 (bestreden besluit 1) heeft de Svb het bezwaar van appellante ongegrond verklaard, omdat zij niet duurzaam gescheiden van haar geregistreerde partner leeft. 1.3. Met een besluit van 15 december 2023 heeft de Svb het verzoek om herziening afgewezen. Bij besluit van 23 april 2024 (bestreden besluit 2) is het bezwaar ongegrond verklaard, omdat ondanks het opheffen van de gezamenlijke rekening ook vanaf 24 juli 2023 geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Uitspraak van de rechtbank 2.1. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante niet duurzaam gescheiden leven van [naam] leeft. Daarvoor is van belang geacht dat er nog sprake is van sociaal contact tussen appellante en [naam] . Zij bellen en appen elkaar en ondernemen gezamenlijk activiteiten. Zo gaan zij af en toe samen op vakantie, overnachten zij soms bij elkaar en bezoeken en ontvangen zij gezamenlijk familie en vrienden. Verder hadden zij tot 24 juli 2023 een gezamenlijke bankrekening. Ook doen appellante en [naam] feitelijk nog steeds samen belastingaangifte. Hierdoor is sprake van financiële verstrengeling. Verder wijzen de redenen voor het aangaan van het geregistreerd partnerschap op een zekere zorg voor elkaar. Appellante is een geregistreerd partnerschap aangegaan zodat bij haar plotseling overlijden [naam] officieel zaken kan regelen of gelegitimeerde beslissingen kan nemen. Alles bij elkaar genomen en in onderling samenhang bezien, is naar het oordeel van de rechtbank niet ondubbelzinnig gebleken dat appellante en [naam] duurzaam gescheiden van elkaar leven. 2.2. Ten aanzien van het verzoek om herziening heeft de rechtbank overwogen dat het opheffen van de gezamenlijke bankrekening op 24 juli 2023 weliswaar een novum is, maar dit slechts één aspect betreft dat is veranderd. De overige feiten en omstandigheden zijn, in onderlinge samenhang bezien, nog steeds onvoldoende om te kunnen concluderen dat ondubbelzinnig gebleken is van duurzaam gescheiden leven. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante leidt sinds de scheiding al 30 jaar haar eigen leven en dat is door het aangaan van een geregistreerd partnerschap niet veranderd. Het contact met [naam] is altijd vriendschappelijk geweest. Hij maakt deel uit van de grote groep mensen met wie appellante omgaat, maar er is ook wel een-op-een contact. Het geregistreerd partnerschap is aangegaan met het oog op een mogelijk overlijden en de afwikkeling van de nalatenschap. Appellante laat haar vermogen na aan het bestuur van een charitatieve stichting, waarin [naam] een rol heeft. Hij is echter niet haar erfgenaam. Omdat appellante en [naam] ieder hun eigen netwerk hebben, verzorgen zij elkaar niet bij ziekte. Appellante heeft benadrukt dat zij financieel onafhankelijk is en haar eigen beslissingen neemt. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 4.1. In beginsel heeft appellante, omdat zij een geregistreerd partnerschap is aangegaan, recht op een gehuwdenpensioen. Uit artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, van de AOW volgt dat de als partner geregistreerde gelijkgesteld wordt met een gehuwde. Dit is slechts anders als sprake is van een uitzonderingssituatie op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. Op grond van die bepaling wordt voor de toepassing van de AOW als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. 4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van een ongewilde verbreking van de huwelijkse samenleving. Volgens appellante is sprake van een gewilde verbreking (of het niet aangaan) van de huwelijke samenleving. In die situatie legt de Raad het begrip duurzaam gescheiden leven als volgt uit. Gehuwde mensen leven pas duurzaam gescheiden als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: ten minste één van hen wil de huwelijkse samenleving verbreken; ieder van hen leidt afzonderlijk een eigen leven alsof hij of zij niet met de ander is gehuwd; ten minste één van hen bedoelt deze situatie als blijvend. Of aan deze voorwaarden wordt voldaan, moet blijken uit de feitelijke omstandigheden. Daarvoor is niet voldoende dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning. De huwelijkse samenleving kan immers bestaan zonder dat de echtgenoten samenwonen. Voor de beoordeling of mensen duurzaam gescheiden leven is verder niet van belang om welke redenen zij de huwelijkse samenleving niet (of nog niet, niet meer of niet opnieuw) hebben verbroken.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:423 text/xml public 2026-05-06T09:44:39 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-04-02 25/164 AOW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:423 text/html public 2026-04-21T14:36:41 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:423 Centrale Raad van Beroep , 02-04-2026 / 25/164 AOW Toekenning van een AOW-pensioen naar de norm van een gehuwde. Appellante is een geregistreerd partnerschap aangegaan. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het doen van gezamenlijke belastingaangifte geen rol mag spelen bij de beoordeling van duurzaam gescheiden leven. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/164 AOW, 25/165 AOW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 19 november 2024, 23/3141 en 24/3000 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 2 april 2026 SAMENVATTING Appellante is een geregistreerd partnerschap aangegaan. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat appellante en haar partner niet duurzaam gescheiden van elkaar leven. De overweging van de rechtbank ten aanzien van het doen van gezamenlijke belastingaangifte onderschrijft de Raad echter niet, nu appellante en haar geregistreerde partner van op grond van de fiscale regelgeving als fiscale partners worden aangemerkt. Nu deze omstandigheid uit de wet voortvloeit, mag deze niet meewegen bij de beoordeling of al dan niet sprake is van duurzaam gescheiden leven. Dit doet er niet aan af dat, gelet op alle overige feiten en omstandigheden, in het geval van appellante geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Het opheffen van de gezamenlijke bankrekening brengt hierin geen verandering. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. G.A.R. Wieleman, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 februari 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wieleman. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante is van [datum 1] 1976 tot [datum 2] 1995 gehuwd geweest met dhr. [naam] ( [naam] ), die in [plaats] woont. Op [datum 3] 2016 is zij met hem een geregistreerd partnerschap aangegaan. Appellante heeft op 27 maart 2023 bij de Svb een aanvraag gedaan om toekenning van een AOW -pensioen. 1.2. Met een besluit van 5 juni 2023 heeft de Svb aan appellante met ingang van 18 juli 2023 een AOW-pensioen toegekend naar de norm van een gehuwde. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 juni 2023. Tegelijkertijd heeft zij een verzoek om herziening ingediend van dat besluit, op de grond dat de gezamenlijke bankrekening van appellante en [naam] per 24 juli 2023 is opgeheven. Bij besluit van 4 oktober 2023 (bestreden besluit 1) heeft de Svb het bezwaar van appellante ongegrond verklaard, omdat zij niet duurzaam gescheiden van haar geregistreerde partner leeft. 1.3. Met een besluit van 15 december 2023 heeft de Svb het verzoek om herziening afgewezen. Bij besluit van 23 april 2024 (bestreden besluit 2) is het bezwaar ongegrond verklaard, omdat ondanks het opheffen van de gezamenlijke rekening ook vanaf 24 juli 2023 geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Uitspraak van de rechtbank 2.1. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante niet duurzaam gescheiden leven van [naam] leeft. Daarvoor is van belang geacht dat er nog sprake is van sociaal contact tussen appellante en [naam] . Zij bellen en appen elkaar en ondernemen gezamenlijk activiteiten. Zo gaan zij af en toe samen op vakantie, overnachten zij soms bij elkaar en bezoeken en ontvangen zij gezamenlijk familie en vrienden. Verder hadden zij tot 24 juli 2023 een gezamenlijke bankrekening. Ook doen appellante en [naam] feitelijk nog steeds samen belastingaangifte. Hierdoor is sprake van financiële verstrengeling. Verder wijzen de redenen voor het aangaan van het geregistreerd partnerschap op een zekere zorg voor elkaar. Appellante is een geregistreerd partnerschap aangegaan zodat bij haar plotseling overlijden [naam] officieel zaken kan regelen of gelegitimeerde beslissingen kan nemen. Alles bij elkaar genomen en in onderling samenhang bezien, is naar het oordeel van de rechtbank niet ondubbelzinnig gebleken dat appellante en [naam] duurzaam gescheiden van elkaar leven. 2.2. Ten aanzien van het verzoek om herziening heeft de rechtbank overwogen dat het opheffen van de gezamenlijke bankrekening op 24 juli 2023 weliswaar een novum is, maar dit slechts één aspect betreft dat is veranderd. De overige feiten en omstandigheden zijn, in onderlinge samenhang bezien, nog steeds onvoldoende om te kunnen concluderen dat ondubbelzinnig gebleken is van duurzaam gescheiden leven. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante leidt sinds de scheiding al 30 jaar haar eigen leven en dat is door het aangaan van een geregistreerd partnerschap niet veranderd. Het contact met [naam] is altijd vriendschappelijk geweest. Hij maakt deel uit van de grote groep mensen met wie appellante omgaat, maar er is ook wel een-op-een contact. Het geregistreerd partnerschap is aangegaan met het oog op een mogelijk overlijden en de afwikkeling van de nalatenschap. Appellante laat haar vermogen na aan het bestuur van een charitatieve stichting, waarin [naam] een rol heeft. Hij is echter niet haar erfgenaam. Omdat appellante en [naam] ieder hun eigen netwerk hebben, verzorgen zij elkaar niet bij ziekte. Appellante heeft benadrukt dat zij financieel onafhankelijk is en haar eigen beslissingen neemt. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 4.1. In beginsel heeft appellante, omdat zij een geregistreerd partnerschap is aangegaan, recht op een gehuwdenpensioen. Uit artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, van de AOW volgt dat de als partner geregistreerde gelijkgesteld wordt met een gehuwde. Dit is slechts anders als sprake is van een uitzonderingssituatie op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. Op grond van die bepaling wordt voor de toepassing van de AOW als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. 4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van een ongewilde verbreking van de huwelijkse samenleving. Volgens appellante is sprake van een gewilde verbreking (of het niet aangaan) van de huwelijke samenleving. In die situatie legt de Raad het begrip duurzaam gescheiden leven als volgt uit. Gehuwde mensen leven pas duurzaam gescheiden als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: ten minste één van hen wil de huwelijkse samenleving verbreken; ieder van hen leidt afzonderlijk een eigen leven alsof hij of zij niet met de ander is gehuwd; ten minste één van hen bedoelt deze situatie als blijvend. Of aan deze voorwaarden wordt voldaan, moet blijken uit de feitelijke omstandigheden. Daarvoor is niet voldoende dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning. De huwelijkse samenleving kan immers bestaan zonder dat de echtgenoten samenwonen. Voor de beoordeling of mensen duurzaam gescheiden leven is verder niet van belang om welke redenen zij de huwelijkse samenleving niet (of nog niet, niet meer of niet opnieuw) hebben verbroken.
Volledig
Verder kan in het algemeen worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk betrokkenen de intentie hebben om een vorm van echtelijke samenleving aan te gaan. Dat kan ook op een andere manier dan door het voeren van een gezamenlijke huishouding. Er kan niet helemaal worden uitgesloten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken. Dat moet dan wel ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijken. Gezien het bepaalde in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, van de AOW geldt dit alles evenzeer voor het aangaan van een geregistreerd partnerschap. 4.3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak voldoende besproken en gemotiveerd waarom in het geval van appellante geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. De Raad ziet geen aanleiding hierover anders te oordelen en onderschrijft grotendeels de overwegingen waarop de rechtbank dit oordeel baseert. 4.4. De Raad volgt echter niet de overweging van de rechtbank ten aanzien van het doen van gezamenlijke belastingaangifte. Hiervoor is van belang dat in artikel 5a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awr in samenhang met artikel 1.2 Wet IB is bepaald dat de echtgenoot, en dus ook de geregistreerde partner, voor de belasting als partner wordt aangemerkt. Dit is slechts anders als sprake is van een situatie als bedoeld in het vierde lid van artikel 5a van de Awr. Nu het gezamenlijk doen van belastingaangifte in geval van een geregistreerd partnerschap uit de wet voortvloeit, kan deze omstandigheid niet meewegen bij de vaststelling of al dan niet sprake is van duurzaam gescheiden leven. Dit doet er echter niet aan af dat, dat gelet op alle overige feiten en omstandigheden, in het onderhavige geval geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Hoewel geen twijfel bestaat aan de grote mate van zelfstandigheid en financiële onafhankelijkheid van appellante, kan dit niet tot een ander oordeel leiden. Conclusie en gevolgen 4.5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van een AOW-pensioen per 18 juli 2023 naar de norm van een gehuwde in stand blijft. 5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026. (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum (getekend) J.A. Adjei-Asamoah Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Algemene Ouderdomswet Artikel 9, eerste lid Deze wet kent een bruto-ouderdomspensioen voor: a. de ongehuwde pensioengerechtigde; b. de gehuwde pensioengerechtigde. Artikel 1 (..) 2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met: (…) d. gehuwde: als partner geregistreerde. 3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt: (…) b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:6 1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. 2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. Algemene wet inzake rijksbelastingen Artikel 2 3. De belastingwet verstaat onder:(…) l. partner: persoon als bedoeld in artikel 5a; (…) Artikel 5a 1. Als partner wordt aangemerkt: a.de echtgenoot; b.de ongehuwde meerderjarige persoon waarmee de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige een notarieel samenlevingscontract is aangegaan en met wie hij staat ingeschreven op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland. (…) 3 Voor de toepassing van het eerste lid wordt een persoon die van tafel en bed is gescheiden, aangemerkt als ongehuwd. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit lid. 4 In afwijking van het eerste lid wordt een persoon niet meer als partner aangemerkt ingeval: een verzoek, zoals bedoeld in artikel 150, respectievelijk 169 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek tot echtscheiding, respectievelijk tot scheiding van tafel en bed is ingediend, en hij niet meer op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland staat ingeschreven als de belastingplichtige. Algemene Ouderdomswet. Uitspraak van de Raad van 23 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3273. Uitspraak van de Raad van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9932. Uitspraken van de Raad van 2 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1277 en 3 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1093. Uitspraak van de Raad van 24 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1453. Algemene wet inzake rijksbelastingen. Wet inkomstenbelasting. Verwezen wordt naar een uitspraak van de Raad van 21 januari 2021, ECLI:NL:CRvB:2021:158.
Volledig
Verder kan in het algemeen worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk betrokkenen de intentie hebben om een vorm van echtelijke samenleving aan te gaan. Dat kan ook op een andere manier dan door het voeren van een gezamenlijke huishouding. Er kan niet helemaal worden uitgesloten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken. Dat moet dan wel ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijken. Gezien het bepaalde in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, van de AOW geldt dit alles evenzeer voor het aangaan van een geregistreerd partnerschap. 4.3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak voldoende besproken en gemotiveerd waarom in het geval van appellante geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. De Raad ziet geen aanleiding hierover anders te oordelen en onderschrijft grotendeels de overwegingen waarop de rechtbank dit oordeel baseert. 4.4. De Raad volgt echter niet de overweging van de rechtbank ten aanzien van het doen van gezamenlijke belastingaangifte. Hiervoor is van belang dat in artikel 5a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awr in samenhang met artikel 1.2 Wet IB is bepaald dat de echtgenoot, en dus ook de geregistreerde partner, voor de belasting als partner wordt aangemerkt. Dit is slechts anders als sprake is van een situatie als bedoeld in het vierde lid van artikel 5a van de Awr. Nu het gezamenlijk doen van belastingaangifte in geval van een geregistreerd partnerschap uit de wet voortvloeit, kan deze omstandigheid niet meewegen bij de vaststelling of al dan niet sprake is van duurzaam gescheiden leven. Dit doet er echter niet aan af dat, dat gelet op alle overige feiten en omstandigheden, in het onderhavige geval geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Hoewel geen twijfel bestaat aan de grote mate van zelfstandigheid en financiële onafhankelijkheid van appellante, kan dit niet tot een ander oordeel leiden. Conclusie en gevolgen 4.5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van een AOW-pensioen per 18 juli 2023 naar de norm van een gehuwde in stand blijft. 5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026. (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum (getekend) J.A. Adjei-Asamoah Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Algemene Ouderdomswet Artikel 9, eerste lid Deze wet kent een bruto-ouderdomspensioen voor: a. de ongehuwde pensioengerechtigde; b. de gehuwde pensioengerechtigde. Artikel 1 (..) 2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met: (…) d. gehuwde: als partner geregistreerde. 3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt: (…) b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:6 1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. 2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. Algemene wet inzake rijksbelastingen Artikel 2 3. De belastingwet verstaat onder:(…) l. partner: persoon als bedoeld in artikel 5a; (…) Artikel 5a 1. Als partner wordt aangemerkt: a.de echtgenoot; b.de ongehuwde meerderjarige persoon waarmee de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige een notarieel samenlevingscontract is aangegaan en met wie hij staat ingeschreven op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland. (…) 3 Voor de toepassing van het eerste lid wordt een persoon die van tafel en bed is gescheiden, aangemerkt als ongehuwd. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit lid. 4 In afwijking van het eerste lid wordt een persoon niet meer als partner aangemerkt ingeval: een verzoek, zoals bedoeld in artikel 150, respectievelijk 169 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek tot echtscheiding, respectievelijk tot scheiding van tafel en bed is ingediend, en hij niet meer op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland staat ingeschreven als de belastingplichtige. Algemene Ouderdomswet. Uitspraak van de Raad van 23 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3273. Uitspraak van de Raad van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9932. Uitspraken van de Raad van 2 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1277 en 3 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1093. Uitspraak van de Raad van 24 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1453. Algemene wet inzake rijksbelastingen. Wet inkomstenbelasting. Verwezen wordt naar een uitspraak van de Raad van 21 januari 2021, ECLI:NL:CRvB:2021:158.