Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-04-02
ECLI:NL:CRVB:2026:420
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
8,154 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:420 text/xml public 2026-05-01T10:01:51 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-04-02 25/1066 AKW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl ABkort 2026/119 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:420 text/html public 2026-04-20T11:42:00 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:420 Centrale Raad van Beroep , 02-04-2026 / 25/1066 AKW De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat de beroepstermijn met twee dagen is overschreden. De Raad acht de termijnoverschrijding in beroep echter verschoonbaar en beoordeelt het beroep inhoudelijk. De Raad is van oordeel dat de kinderen op de peildatum van het derde kwartaal van 2023 nog tot het huishouden van appellant behoorden. Op de peildatum van het vierde kwartaal van 2023 behoorde de zoon nog tot het huishouden van appellant. De Svb heeft de kinderbijslag van appellant over het derde kwartaal van 2023, en de kinderbijslag voor de zoon over het vierde kwartaal van 2023, ten onrechte herzien en teruggevorderd. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/1066 AKW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2025, 24/5598 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 2 april 2026 SAMENVATTING De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat de beroepstermijn met twee dagen is overschreden. De Raad acht de termijnoverschrijding in beroep echter verschoonbaar en beoordeelt het beroep inhoudelijk. De Raad is van oordeel dat de kinderen op de peildatum van het derde kwartaal van 2023 nog tot het huishouden van appellant behoorden. Op de peildatum van het vierde kwartaal van 2023 behoorde de zoon nog tot het huishouden van appellant. De Svb heeft de kinderbijslag van appellant over het derde kwartaal van 2023, en de kinderbijslag voor de zoon over het vierde kwartaal van 2023, ten onrechte herzien en teruggevorderd. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 februari 2026. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant en de moeder zijn gehuwd geweest. Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren. De Svb heeft de kinderbijslag vanaf het begin toegekend en uitbetaald aan appellant. 1.2. In juli 2023 heeft de moeder de Svb gevraagd om de kinderbijslag voor alle kinderen volledig aan haar toe te kennen, omdat de kinderen tot haar huishouden behoren en niet langer tot het huishouden van appellant en zij alle kosten voor de kinderen draagt. Ter ondersteuning van haar stellingen heeft de moeder in de periode hierna diverse bewijsstukken ingezonden, waaronder een verslag van Veilig Thuis. 1.3. Met een besluit van 4 juli 2024 heeft de Svb aan appellant te kennen gegeven dat hij met ingang van het derde kwartaal van 2023 geen recht op kinderbijslag meer heeft, omdat de kinderen vanaf 1 juni 2023 bij de andere ouder wonen. Met een besluit van eveneens 4 juli 2024 heeft de Svb appellant bericht dat hij een bedrag van € 2.130,94 te veel aan kinderbijslag heeft ontvangen en moet terugbetalen. Daarbij heeft de Svb een wijze van terugbetaling voorgesteld. 1.4. Appellant heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Dit bezwaar heeft de Svb in zijn besluit van 10 september 2024 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat het recht van de andere ouder, bij wie de kinderen wonen, voor gaat. Dat appellant zijn gezin heeft onderhouden is niet bepalend voor het recht. Er is geen sprake van dringende redenen om af te zien van de herziening. Appellant maakte feitelijk vanaf juli 2023 al geen deel meer uit van het huishouden. De terugvordering van € 2.130,94, die betrekking heeft op het derde en vierde kwartaal van 2023, blijft in stand. 1.5. Appellant heeft op 24 oktober 2024 digitaal beroep ingesteld. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat de beroepstermijn met twee dagen is overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank leiden de door appellant aangevoerde omstandigheden niet tot verschoonbaarheid van de overschrijding. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant, ook onder de omstandigheden van het ondervinden van stress en het eens per week ophalen van post op een postadres, tijdig beroep had kunnen instellen. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank te weinig rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden ten tijde van het instellen van beroep. Hij had geen vaste woon- of verblijfplaats en was door de gezinsproblematiek psychisch niet in staat helder te denken. Verder heeft appellant aangevoerd dat zijn kinderen over de in geding zijnde kwartalen tot zijn huishouden behoorden en hij hen heeft onderhouden. Appellant heeft bewijsstukken ingezonden van zijn financiële bijdragen. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt en dat ook het beroep tegen het bestreden besluit gedeeltelijk slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Beoordeling niet-ontvankelijkverklaring beroep 4.1. Appellant heeft niet bestreden dat het beroepschrift twee dagen na afloop van de wettelijke beroepstermijn bij de rechtbank is ingediend. Hij acht deze (geringe) termijnoverschrijding echter verschoonbaar als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. 4.2. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van de Awb. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. 4.3. Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. 4.4. Bijzondere omstandigheden bij de indiener kunnen persoonlijke omstandigheden of externe omstandigheden zijn. Als de indiener als gevolg van deze omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt van de termijnoverschrijding, kan de termijnoverschrijding niet aan de indiener worden toegerekend. Daarnaast is er ruimte om in gevallen waarin sprake is van een slechts geringe verwijtbaarheid met betrekking tot de termijnoverschrijding, deze niet aan de indiener toe te rekenen. Of sprake is van een geringe verwijtbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. 4.5. De Raad is van oordeel dat de door appellant in diverse instanties geschetste situatie blijk geeft van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het niet tijdig indienen van het beroepschrift slechts in geringe mate aan appellant kan worden verweten. Voorts is er naar het oordeel van de Raad in dit geval ruimte om de zeer geringe termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Hiervoor is het volgende van belang. Appellant werd niet bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:420 text/xml public 2026-05-01T10:01:51 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-04-02 25/1066 AKW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl ABkort 2026/119 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:420 text/html public 2026-04-20T11:42:00 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:420 Centrale Raad van Beroep , 02-04-2026 / 25/1066 AKW De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat de beroepstermijn met twee dagen is overschreden. De Raad acht de termijnoverschrijding in beroep echter verschoonbaar en beoordeelt het beroep inhoudelijk. De Raad is van oordeel dat de kinderen op de peildatum van het derde kwartaal van 2023 nog tot het huishouden van appellant behoorden. Op de peildatum van het vierde kwartaal van 2023 behoorde de zoon nog tot het huishouden van appellant. De Svb heeft de kinderbijslag van appellant over het derde kwartaal van 2023, en de kinderbijslag voor de zoon over het vierde kwartaal van 2023, ten onrechte herzien en teruggevorderd. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/1066 AKW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2025, 24/5598 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 2 april 2026 SAMENVATTING De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat de beroepstermijn met twee dagen is overschreden. De Raad acht de termijnoverschrijding in beroep echter verschoonbaar en beoordeelt het beroep inhoudelijk. De Raad is van oordeel dat de kinderen op de peildatum van het derde kwartaal van 2023 nog tot het huishouden van appellant behoorden. Op de peildatum van het vierde kwartaal van 2023 behoorde de zoon nog tot het huishouden van appellant. De Svb heeft de kinderbijslag van appellant over het derde kwartaal van 2023, en de kinderbijslag voor de zoon over het vierde kwartaal van 2023, ten onrechte herzien en teruggevorderd. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 februari 2026. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant en de moeder zijn gehuwd geweest. Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren. De Svb heeft de kinderbijslag vanaf het begin toegekend en uitbetaald aan appellant. 1.2. In juli 2023 heeft de moeder de Svb gevraagd om de kinderbijslag voor alle kinderen volledig aan haar toe te kennen, omdat de kinderen tot haar huishouden behoren en niet langer tot het huishouden van appellant en zij alle kosten voor de kinderen draagt. Ter ondersteuning van haar stellingen heeft de moeder in de periode hierna diverse bewijsstukken ingezonden, waaronder een verslag van Veilig Thuis. 1.3. Met een besluit van 4 juli 2024 heeft de Svb aan appellant te kennen gegeven dat hij met ingang van het derde kwartaal van 2023 geen recht op kinderbijslag meer heeft, omdat de kinderen vanaf 1 juni 2023 bij de andere ouder wonen. Met een besluit van eveneens 4 juli 2024 heeft de Svb appellant bericht dat hij een bedrag van € 2.130,94 te veel aan kinderbijslag heeft ontvangen en moet terugbetalen. Daarbij heeft de Svb een wijze van terugbetaling voorgesteld. 1.4. Appellant heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Dit bezwaar heeft de Svb in zijn besluit van 10 september 2024 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat het recht van de andere ouder, bij wie de kinderen wonen, voor gaat. Dat appellant zijn gezin heeft onderhouden is niet bepalend voor het recht. Er is geen sprake van dringende redenen om af te zien van de herziening. Appellant maakte feitelijk vanaf juli 2023 al geen deel meer uit van het huishouden. De terugvordering van € 2.130,94, die betrekking heeft op het derde en vierde kwartaal van 2023, blijft in stand. 1.5. Appellant heeft op 24 oktober 2024 digitaal beroep ingesteld. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat de beroepstermijn met twee dagen is overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank leiden de door appellant aangevoerde omstandigheden niet tot verschoonbaarheid van de overschrijding. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant, ook onder de omstandigheden van het ondervinden van stress en het eens per week ophalen van post op een postadres, tijdig beroep had kunnen instellen. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank te weinig rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden ten tijde van het instellen van beroep. Hij had geen vaste woon- of verblijfplaats en was door de gezinsproblematiek psychisch niet in staat helder te denken. Verder heeft appellant aangevoerd dat zijn kinderen over de in geding zijnde kwartalen tot zijn huishouden behoorden en hij hen heeft onderhouden. Appellant heeft bewijsstukken ingezonden van zijn financiële bijdragen. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt en dat ook het beroep tegen het bestreden besluit gedeeltelijk slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Beoordeling niet-ontvankelijkverklaring beroep 4.1. Appellant heeft niet bestreden dat het beroepschrift twee dagen na afloop van de wettelijke beroepstermijn bij de rechtbank is ingediend. Hij acht deze (geringe) termijnoverschrijding echter verschoonbaar als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. 4.2. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van de Awb. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. 4.3. Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. 4.4. Bijzondere omstandigheden bij de indiener kunnen persoonlijke omstandigheden of externe omstandigheden zijn. Als de indiener als gevolg van deze omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt van de termijnoverschrijding, kan de termijnoverschrijding niet aan de indiener worden toegerekend. Daarnaast is er ruimte om in gevallen waarin sprake is van een slechts geringe verwijtbaarheid met betrekking tot de termijnoverschrijding, deze niet aan de indiener toe te rekenen. Of sprake is van een geringe verwijtbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. 4.5. De Raad is van oordeel dat de door appellant in diverse instanties geschetste situatie blijk geeft van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het niet tijdig indienen van het beroepschrift slechts in geringe mate aan appellant kan worden verweten. Voorts is er naar het oordeel van de Raad in dit geval ruimte om de zeer geringe termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Hiervoor is het volgende van belang. Appellant werd niet bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener.
Volledig
Volgens zijn verklaring ter zitting was er al langere tijd sprake van problemen en escalaties in het gezin en had appellant behoefte van tijd tot tijd afstand te kunnen nemen. Vanaf mei 2023 beschikte hij over een tuinhuis dat op naam van zijn moeder stond en niet geschikt was voor permanente bewoning. Hij kluste daar en sliep er vanaf juni 2023 af en toe, maar hij woonde toen nog bij de moeder en de kinderen. In augustus 2023 vond een ernstige escalatie plaats, die tot een melding bij de politie heeft geleid. Vanaf dat moment verbleef appellant, tot november 2023 met zijn zoon, in het tuinhuisje. Appellant had veel stress over de verbroken relatie en zijn kinderen. Daarnaast had hij de dagelijkse zorg voor zijn zoon, die bij hem in het tuinhuisje verbleef en psychische problemen had. Zijn werk ging gewoon door. Omdat appellant aanwijzingen had dat de moeder zijn post niet doorgaf, waarvoor het dossier overigens ook aanwijzingen bevat, had hij een postadres bij de daklozenbond. Hij haalde daar geregeld de post op en opende die ook, maar was geestelijk niet in staat om de inhoud daarvan tot zich te laten doordringen en adequaat actie te ondernemen. Verder speelde een rol dat appellant, behalve zijn mobiele telefoon, geen elektronische communicatiemiddelen ter beschikking had. Het tuinhuisje had geen internet en ook een laptop ontbrak. 4.6. Gezien het voorgaande, en in het licht van de onder 4.4 genoemde uitspraken is er naar het oordeel van de Raad aanleiding om de – zeer beperkte – termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. 4.7. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit alsnog beoordelen. Beoordeling bestreden besluit 4.8. Beoordeeld moet worden of de kinderbijslag van appellant over het derde en vierde kwartaal van 2023 terecht is herzien op de grond dat de kinderen tot het huishouden van de andere ouder behoren, en zo ja, of het onverschuldigd betaalde bedrag terecht is teruggevorderd. 4.9. Het besluit tot herziening en terugvordering van de kinderbijslag is een belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op de Svb. 4.10. Verzekerden voor de Algemene Kinderbijslagwet hebben recht op kinderbijslag voor kinderen jonger dan 18 jaar die tot hun huishouden behoren of door hen worden onderhouden. Als twee of meer personen, waaronder één persoon tot wiens huishouden het kind behoort, over eenzelfde tijdvak recht op kinderbijslag voor eenzelfde kind hebben, wordt de kinderbijslag waarop degene recht heeft, tot wiens huishouden dit kind niet behoort, niet uitbetaald. Voor het antwoord op de vraag tot welk huishouden een kind behoort, is de feitelijke situatie van belang. 4.11. De Svb verwijst voor zijn standpunt dat de kinderen over de kwartalen in geding tot het huishouden van de moeder behoorden, naar de verklaringen van de moeder en naar een verslag van Veilig Thuis. In dat verslag is een weergave opgenomen van een telefonisch contact op [datum] 2023. Volgens die weergave heeft appellant verklaard dat hij sinds mei 2023 in het tuinhuisje zit. 4.12. Appellant heeft, naast wat onder 4.5 is vermeld, aangevoerd dat hij over de kwartalen in geding volledig financieel verantwoordelijk is gebleven voor zijn gezin. Hij heeft een groot aantal bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat hij de kosten droeg van de nutsvoorzieningen in de gezinswoning en dat hij veel kosten voor de kinderen heeft gedragen. 4.13. Naar het oordeel van de Raad is de Svb er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de kinderen van appellant reeds op 1 juli 2023, zijnde de peildatum van het kwartaal van 2023, niet meer tot het huishouden van appellant behoorden. Hiervoor is het volgende van belang. 4.14. Uit de verklaring van appellant blijkt van een zich geleidelijk ontwikkelende situatie die erin resulteerde dat appellant vanaf een datum in augustus 2023 duurzaam elders verbleef dan de rest van het gezin. In een emailbericht van het Juridisch Loket aan de moeder van 31 juli 2023 wordt vermeld dat zij heeft verteld dat appellant “al een paar weken” in een tuinhuisje woont. In een emailbericht van het Buurtteam [regio] van 27 februari 2024 wordt vermeld dat appellant sinds juli 2023 niet meer bij de moeder en de kinderen inwoont. Uit al deze stukken blijkt niet dat appellant al op 1 juli 2023 duurzaam elders verbleef. 4.15. De opmerking waarnaar de Svb heeft verwezen in het verslag van Veilig Thuis is niet in strijd met de verklaring van appellant hierover. Daarvoor is van belang dat appellant heeft verklaard dat hij vanaf mei 2023 geregeld in het tuinhuisje aan het klussen was en daar af en toe overnachtte. Daarbij komt dat in het verslag slechts een weergave van het telefoongesprek is opgenomen, zonder aanhef, en dat het verslag niet is ondertekend. 4.16. Verder is er aanleiding om te twijfelen aan de accuraatheid van de verklaringen van de moeder. De moeder heeft in juli 2023 verklaard dat zij zelf alle kosten droeg. Appellant heeft echter met bewijsstukken aangetoond dat hij over de kwartalen in geding veel kosten van het huishouden en de kinderen droeg. Ook heeft de moeder in augustus 2023 verklaard dat zij volledig voor de kinderen zorgt, terwijl uit het verslag van Veilig Thuis blijkt dat de zoon toen bij appellant verbleef. 4.17. Alles overziende is de Raad van oordeel dat de Svb de kinderbijslag van appellant over het derde kwartaal van 2023 ten onrechte heeft herzien. De kinderbijslag over dit kwartaal mag dan ook niet worden teruggevorderd. 4.18. Op de peildatum van het vierde kwartaal van 2023 behoorden de dochters van appellant niet meer tot het huishouden van appellant, maar tot het huishouden van de moeder. De zoon verbleef volgens het verslag van Veilig Thuis op de peildatum van dit kwartaal nog bij appellant. Dit betekent dat de Svb de kinderbijslag voor de dochters over dit kwartaal op goede gronden heeft herzien en teruggevorderd. Hieraan doet niet af dat appellant in dit kwartaal nog veel kosten voor de dochters heeft gedragen. De kinderbijslag voor de zoon is echter terecht aan appellant uitbetaald. De Svb heeft deze dan ook ten onrechte herzien en teruggevorderd. Conclusie en gevolgen 4.19. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit wordt gegrond verklaard. Het bestreden besluit wordt vernietigd, voor wat betreft de herziening en terugvordering van de kinderbijslag over het derde kwartaal van 2023 en voor wat betreft de herziening en terugvordering van de kinderbijslag voor de zoon over het vierde kwartaal van 2023. De besluiten van 4 juli 2024 worden in zoverre herroepen. Dit betekent dat appellant alleen de kinderbijslag voor zijn dochters over het vierde kwartaal van 2023 hoeft terug te betalen. 5. Voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. De Svb moet het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep tegen het besluit van 10 september 2024 gegrond; vernietigt het besluit van 10 september 2024, voor wat betreft de herziening en terugvordering van de kinderbijslag voor alle kinderen over het derde kwartaal van 2023, en voor wat betreft de herziening en terugvordering van de kinderbijslag voor de zoon van appellant over het vierde kwartaal van 2023; herroept de besluiten van 4 juli 2024 in zoverre; bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 194,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026. (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum (getekend) J.A. Adjei-Asamoah Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Algemene wet bestuursrecht Artikel 6:9 1.
Volledig
Volgens zijn verklaring ter zitting was er al langere tijd sprake van problemen en escalaties in het gezin en had appellant behoefte van tijd tot tijd afstand te kunnen nemen. Vanaf mei 2023 beschikte hij over een tuinhuis dat op naam van zijn moeder stond en niet geschikt was voor permanente bewoning. Hij kluste daar en sliep er vanaf juni 2023 af en toe, maar hij woonde toen nog bij de moeder en de kinderen. In augustus 2023 vond een ernstige escalatie plaats, die tot een melding bij de politie heeft geleid. Vanaf dat moment verbleef appellant, tot november 2023 met zijn zoon, in het tuinhuisje. Appellant had veel stress over de verbroken relatie en zijn kinderen. Daarnaast had hij de dagelijkse zorg voor zijn zoon, die bij hem in het tuinhuisje verbleef en psychische problemen had. Zijn werk ging gewoon door. Omdat appellant aanwijzingen had dat de moeder zijn post niet doorgaf, waarvoor het dossier overigens ook aanwijzingen bevat, had hij een postadres bij de daklozenbond. Hij haalde daar geregeld de post op en opende die ook, maar was geestelijk niet in staat om de inhoud daarvan tot zich te laten doordringen en adequaat actie te ondernemen. Verder speelde een rol dat appellant, behalve zijn mobiele telefoon, geen elektronische communicatiemiddelen ter beschikking had. Het tuinhuisje had geen internet en ook een laptop ontbrak. 4.6. Gezien het voorgaande, en in het licht van de onder 4.4 genoemde uitspraken is er naar het oordeel van de Raad aanleiding om de – zeer beperkte – termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. 4.7. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit alsnog beoordelen. Beoordeling bestreden besluit 4.8. Beoordeeld moet worden of de kinderbijslag van appellant over het derde en vierde kwartaal van 2023 terecht is herzien op de grond dat de kinderen tot het huishouden van de andere ouder behoren, en zo ja, of het onverschuldigd betaalde bedrag terecht is teruggevorderd. 4.9. Het besluit tot herziening en terugvordering van de kinderbijslag is een belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op de Svb. 4.10. Verzekerden voor de Algemene Kinderbijslagwet hebben recht op kinderbijslag voor kinderen jonger dan 18 jaar die tot hun huishouden behoren of door hen worden onderhouden. Als twee of meer personen, waaronder één persoon tot wiens huishouden het kind behoort, over eenzelfde tijdvak recht op kinderbijslag voor eenzelfde kind hebben, wordt de kinderbijslag waarop degene recht heeft, tot wiens huishouden dit kind niet behoort, niet uitbetaald. Voor het antwoord op de vraag tot welk huishouden een kind behoort, is de feitelijke situatie van belang. 4.11. De Svb verwijst voor zijn standpunt dat de kinderen over de kwartalen in geding tot het huishouden van de moeder behoorden, naar de verklaringen van de moeder en naar een verslag van Veilig Thuis. In dat verslag is een weergave opgenomen van een telefonisch contact op [datum] 2023. Volgens die weergave heeft appellant verklaard dat hij sinds mei 2023 in het tuinhuisje zit. 4.12. Appellant heeft, naast wat onder 4.5 is vermeld, aangevoerd dat hij over de kwartalen in geding volledig financieel verantwoordelijk is gebleven voor zijn gezin. Hij heeft een groot aantal bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat hij de kosten droeg van de nutsvoorzieningen in de gezinswoning en dat hij veel kosten voor de kinderen heeft gedragen. 4.13. Naar het oordeel van de Raad is de Svb er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de kinderen van appellant reeds op 1 juli 2023, zijnde de peildatum van het kwartaal van 2023, niet meer tot het huishouden van appellant behoorden. Hiervoor is het volgende van belang. 4.14. Uit de verklaring van appellant blijkt van een zich geleidelijk ontwikkelende situatie die erin resulteerde dat appellant vanaf een datum in augustus 2023 duurzaam elders verbleef dan de rest van het gezin. In een emailbericht van het Juridisch Loket aan de moeder van 31 juli 2023 wordt vermeld dat zij heeft verteld dat appellant “al een paar weken” in een tuinhuisje woont. In een emailbericht van het Buurtteam [regio] van 27 februari 2024 wordt vermeld dat appellant sinds juli 2023 niet meer bij de moeder en de kinderen inwoont. Uit al deze stukken blijkt niet dat appellant al op 1 juli 2023 duurzaam elders verbleef. 4.15. De opmerking waarnaar de Svb heeft verwezen in het verslag van Veilig Thuis is niet in strijd met de verklaring van appellant hierover. Daarvoor is van belang dat appellant heeft verklaard dat hij vanaf mei 2023 geregeld in het tuinhuisje aan het klussen was en daar af en toe overnachtte. Daarbij komt dat in het verslag slechts een weergave van het telefoongesprek is opgenomen, zonder aanhef, en dat het verslag niet is ondertekend. 4.16. Verder is er aanleiding om te twijfelen aan de accuraatheid van de verklaringen van de moeder. De moeder heeft in juli 2023 verklaard dat zij zelf alle kosten droeg. Appellant heeft echter met bewijsstukken aangetoond dat hij over de kwartalen in geding veel kosten van het huishouden en de kinderen droeg. Ook heeft de moeder in augustus 2023 verklaard dat zij volledig voor de kinderen zorgt, terwijl uit het verslag van Veilig Thuis blijkt dat de zoon toen bij appellant verbleef. 4.17. Alles overziende is de Raad van oordeel dat de Svb de kinderbijslag van appellant over het derde kwartaal van 2023 ten onrechte heeft herzien. De kinderbijslag over dit kwartaal mag dan ook niet worden teruggevorderd. 4.18. Op de peildatum van het vierde kwartaal van 2023 behoorden de dochters van appellant niet meer tot het huishouden van appellant, maar tot het huishouden van de moeder. De zoon verbleef volgens het verslag van Veilig Thuis op de peildatum van dit kwartaal nog bij appellant. Dit betekent dat de Svb de kinderbijslag voor de dochters over dit kwartaal op goede gronden heeft herzien en teruggevorderd. Hieraan doet niet af dat appellant in dit kwartaal nog veel kosten voor de dochters heeft gedragen. De kinderbijslag voor de zoon is echter terecht aan appellant uitbetaald. De Svb heeft deze dan ook ten onrechte herzien en teruggevorderd. Conclusie en gevolgen 4.19. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit wordt gegrond verklaard. Het bestreden besluit wordt vernietigd, voor wat betreft de herziening en terugvordering van de kinderbijslag over het derde kwartaal van 2023 en voor wat betreft de herziening en terugvordering van de kinderbijslag voor de zoon over het vierde kwartaal van 2023. De besluiten van 4 juli 2024 worden in zoverre herroepen. Dit betekent dat appellant alleen de kinderbijslag voor zijn dochters over het vierde kwartaal van 2023 hoeft terug te betalen. 5. Voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. De Svb moet het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep tegen het besluit van 10 september 2024 gegrond; vernietigt het besluit van 10 september 2024, voor wat betreft de herziening en terugvordering van de kinderbijslag voor alle kinderen over het derde kwartaal van 2023, en voor wat betreft de herziening en terugvordering van de kinderbijslag voor de zoon van appellant over het vierde kwartaal van 2023; herroept de besluiten van 4 juli 2024 in zoverre; bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 194,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026. (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum (getekend) J.A. Adjei-Asamoah Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Algemene wet bestuursrecht Artikel 6:9 1.