Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-03-17
ECLI:NL:CRVB:2026:379
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,666 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:CRVB:2026:379 text/xml public 2026-04-08T16:32:01 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-03-17 24/2623 PW-PV Uitspraak Hoger beroep Proces-verbaal NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:379 text/html public 2026-04-02T16:42:34 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:379 Centrale Raad van Beroep , 17-03-2026 / 24/2623 PW-PV Herziening, intrekking en terugvordering van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Kasstortingen en bijschrijvingen van derden op bankrekening. Geen dringende redenen. Met de enkele stelling van appellante dat de bijschrijvingen en stortingen voor een deel ziet op gelden die aan haar broer toebehoren en waarover hij enkel kan beschikken, heeft appellante geen tegenbewijs geleverd. Zij heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat de bijschrijvingen terugbetalingen zijn van gelden die zij zou hebben uitgeleend aan haar twee vrienden of dat deze bijschrijvingen bestemd waren voor boodschappen die zij voor drie vrienden deed. Hiervoor zijn de in bezwaar overgelegde verklaringen van deze vrienden ontoereikend omdat ze achteraf zijn opgesteld, niet zijn ondertekend en onvoldoende specifiek zijn. 24/2623 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 oktober 2024, 24/1998 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college) Datum uitspraak: 17 maart 2026 Zitting heeft: E.C.E. Marechal Griffier: C.E.A. Tessemaker Partijen zijn niet verschenen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. 1. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. 2. Het gaat in deze zaak om besluiten tot herziening, intrekking en terugvordering van bijstand van appellante op grond van de Participatiewet. De bijstand is over de maanden april 2022 tot en met december 2022 en mei 2023 herzien en over de maand april 2023 ingetrokken. Het terugvorderingsbedrag bedraagt € 10.966,66. Het college heeft deze besluiten na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 25 maart 2024 (bestreden besluit). Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat in de maanden waar het hier om gaat op twee bankrekeningen van appellante kasstortingen en bijschrijvingen van derden hebben plaatsgevonden die appellante niet aan het college heeft gemeld. Daarmee heeft appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden waardoor zij in die maanden te veel of ten onrechte bijstand heeft ontvangen. Er zijn geen dringende redenen gebleken om van terugvordering af te zien. 3. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 4. Appellante heeft in hoger beroep de beroepsgronden herhaald dat de bijschrijvingen en stortingen geldbedragen zijn die toebehoren aan haar broer, dan wel dat het terugbetalingen betreffen van geldleningen of dat het geldbedragen zijn afkomstig van vrienden en bestemd om voor hen boodschappen te doen. Ook heeft appellante de beroepsgrond herhaald dat het college van terugvordering had moeten afzien in verband met dringende redenen, die gelegen zijn in haar persoonlijke omstandigheden. Deze beroepsgronden slagen om de navolgende redenen niet. 5. Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat brengt – behoudens tegenbewijs – mee dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Met de enkele stelling van appellante dat het voor een deel zou gaan om gelden die aan haar broer toebehoren en waarover hij enkel kan beschikken, heeft appellante geen tegenbewijs geleverd. 6. Kasstortingen en bijschrijvingen door derden op een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen. Als deze een terugkerend of periodiek karakter hebben, aangewend kunnen worden voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, zoals in het geval van appellante, is voorts sprake van inkomsten die op de bijstand in mindering moeten worden gebracht. Het ligt dan op de weg van appellante om aannemelijk te maken dat geen sprake is van inkomen. Ook hierin is appellante niet geslaagd. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bijschrijvingen terugbetalingen zijn van gelden die zij zou hebben uitgeleend aan haar twee vrienden of dat deze bijschrijvingen bestemd waren voor boodschappen die zij voor drie vrienden deed. Hiervoor zijn de in bezwaar overgelegde verklaringen van deze vrienden ontoereikend omdat ze achteraf zijn opgesteld, niet zijn ondertekend en onvoldoende specifiek zijn nu daarin geen bedragen en data zijn genoemd. 7. Verder heeft de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking gebracht dat een besluit om al dan niet gebruik te maken van de mogelijkheid om wegens dringende redenen van terugvordering af te zien, moet zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan. Het is aan een betrokkene om feiten en omstandigheden aan te voeren die maken dat – volgens hem – sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. 8. Appellante heeft ook in hoger beroep niet concreet gemaakt met welke persoonlijke omstandigheden het college rekening had moeten houden en waarom sprake is van dringende redenen. Reeds daarom kan niet worden gezegd dat het college blijk heeft gegeven van een onevenwichtige belangenafweging. 9. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) C.E.A. Tessemaker (getekend) E.C.E. Marechal Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1570. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2334. ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194 en ECLI:NL:CRVB:2024:2195.