Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-04-01
ECLI:NL:CRVB:2026:370
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,985 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:CRVB:2026:370 text/xml public 2026-04-03T08:04:39 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-04-01 25/896 WAJONG Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:370 text/html public 2026-04-03T08:00:29 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:370 Centrale Raad van Beroep , 01-04-2026 / 25/896 WAJONG Weigering terug te komen van het besluit van 12 november 2020 tot afwijzing aanvraag om een Wajong-uitkering toe te kennen. Terecht geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven het eerdere besluit te herzien. Geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/896 WAJONG Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2025, 24/5274 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 1 april 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van het besluit van 12 november 2020, waarin het Uwv de aanvraag van appellant om een Wajong-uitkering heeft afgewezen. Volgens appellant blijkt uit het door hem overgelegde intelligentieonderzoek van 21 april 2022 dat hij nu wel recht heeft op een Wajong-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van het besluit van 12 november 2020. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R. Kuijer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 februari 2026. Voor appellant is mr. Kuijer verschenen. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant, geboren op [geboortedatum] 1997, heeft op 21 augustus 2020 verzocht om toekenning van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij besluit van 12 november 2020 heeft het Uwv geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen omdat hij arbeidsvermogen heeft. 1.2. Met een door het Uwv op 31 mei 2023 ontvangen formulier heeft appellant opnieuw om een Wajong-uitkering verzocht. Bij besluit van 4 oktober 2023 heeft het Uwv appellant te kennen gegeven dat geen aanleiding bestaat om terug te komen van het besluit van 12 november 2020 omdat het meegezonden intelligentieonderzoek niet tot een ander oordeel leidt over de situatie die in dat besluit is vastgesteld. Het tegen het besluit van 4 oktober 2023 gemaakte bezwaar heeft het Uwv met het besluit van 8 mei 2024 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft hieraan ten grondslag gelegd dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven het eerdere besluit te herzien. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. 2.1. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv op de aanvraag van appellant heeft beslist met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. 2.2. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die maken dat zou moeten worden teruggekomen van de eerdere afwijzing voor een Wajong-uitkering. De rechtbank is van oordeel dat het rapport intelligentieonderzoek van 21 juni 2022 geen nieuw feit is. Appellant heeft dit rapport namelijk ook in het hoger beroep tegen de afwijzing van de eerste Wajong-aanvraag al ingebracht. De Raad heeft er in diens uitspraak van 29 november 2023 een inhoudelijk oordeel over gegeven, inhoudende dat dit rapport geen aanleiding geeft voor de conclusie dat appellant niet minimaal één uur per dag zich aaneengesloten kan concentreren of dermate frequent moet worden bijgestuurd dat dit niet mogelijk is. Daarbij wijst de rechtbank er nog op dat het enkele bekend worden van een IQ-score niet al heeft te gelden als een nieuw feit. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant is de IQ-test voldoende duidelijk en had dat aanleiding moeten zijn voor een nieuw inhoudelijk onderzoek door of namens het Uwv. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering terug te komen van het besluit van 12 november 2020 terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1. Het Uwv heeft op de herhaalde aanvraag van appellant beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. 5.2. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het overgelegde intelligentieonderzoek geen nieuw feit betreft. Dit stuk is immers al ingebracht in hoger beroep in de procedure over de eerdere afwijzing van de Wajong-aanvraag van appellant en de Raad heeft daarover al een inhoudelijk oordeel gegeven. Het intelligentieonderzoek is in deze procedure daarom niet als nieuw feit aan te merken. Het Uwv mocht de herhaalde aanvraag van appellant afwijzen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb. In wat appellant heeft aangevoerd, wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Conclusie en gevolgen 5.3. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om terug te komen van het besluit van 12 november 2020 in stand blijft. 6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026. (getekend) F.M. Rijnbeek (getekend) S.P.A. Elzer CRvB 29 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2225.