Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-04-01
ECLI:NL:CRVB:2026:368
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,977 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:CRVB:2026:368 text/xml public 2026-04-03T07:56:09 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-04-01 25/830 WAJONG Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:368 text/html public 2026-04-03T07:49:35 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:368 Centrale Raad van Beroep , 01-04-2026 / 25/830 WAJONG Weigering terug te komen van het besluit van 10 november 2014 tot afwijzing aanvraag om een Wajong-uitkering toe te kennen. Terecht geoordeeld dat het besluit niet evident onredelijk is. Het bestuursorgaan heeft zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/830 WAJONG Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 maart 2025, 23/1575 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 1 april 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van het besluit van 10 november 2014, waarin het Uwv de aanvraag van appellant om een Wajong-uitkering heeft afgewezen. Volgens appellant blijkt uit de door hem overgelegde medische gegevens dat hij nu wel recht heeft op een Wajong-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van het besluit van 10 november 2014. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 februari 2026. Voor appellant is mr. Gans verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W.C. Jacobs. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant, geboren op [geboortedatum] 1991 , heeft op 5 september 2014 verzocht om toekenning van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij besluit van 10 november 2014 heeft het Uwv geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen omdat appellant ten minste het minimumloon kan verdienen en omdat vanaf zijn zeventiende verjaardag er geen periode van 52 weken was waarin hij minder dan het minimumloon verdiende. 1.2. Met een door het Uwv op 18 juli 2022 ontvangen formulier heeft appellant opnieuw om een Wajong-uitkering verzocht. Bij besluit van 7 november 2022 heeft het Uwv appellant te kennen gegeven dat geen aanleiding bestaat om terug te komen van het besluit van 10 november 2014 omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv met het besluit van 1 mei 2023 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. 2.1. De rechtbank heeft hierbij vooropgesteld dat het Uwv op de aanvraag van appellante heeft beslist met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Verder heeft de rechtbank overwogen dat door appellant is erkend dat de zogeheten Amber-beoordeling al bij het besluit van 10 november 2014 is verricht, zodat de daartegen gerichte beroepsgronden verder onbesproken kunnen blijven. 2.2. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig onderzoek gedaan. Appellant is gezien op het spreekuur op 8 mei 2023 en de door hem ingebrachte medische informatie is kenbaar bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het standpunt van de verzekeringsarts gevolgd dat de nu door appellant aangeleverde medische informatie in essentie dezelfde problematiek beschrijft als waarmee appellant destijds, ten tijde van de beoordeling in 2014, van doen had. Deze gegevens vormen volgens de verzekeringsartsen dan ook geen nieuwe medische feiten. Volgens de rechtbank is dit inzichtelijk gemotiveerd en betekent dit dat geen aanleiding bestaat om voor het verleden terug te komen van het besluit van 10 november 2014. Evenmin geven de door appellant overgelegde gegevens aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 10 november 2014 alsnog voor onjuist moet worden gehouden, zodat ook geen aanleiding bestaat om van dat besluit terug te komen voor de toekomst. Tot slot is de rechtbank niet gebleken dat de afwijzing van de aanvraag van 18 juli 2022 evident onredelijk is. 2.3. Voor zover appellant heeft aangevoerd dat ten onrechte niet is getoetst aan de bepalingen van de Wajong 2015 heeft de rechtbank overwogen dat het ervoor moet worden gehouden dat appellant op zeventien- en achttienjarige leeftijd in staat was de hem door de arbeidsdeskundige bij de beoordeling in 2014 voorgehouden functies te verrichten. Dit staat in rechte vast en geen aanleiding bestaat om daarvan terug te komen. Daarmee is volgens de rechtbank gegeven dat appellant op die leeftijd ook beschikte over arbeidsvermogen in de zin van de Wajong 2015. Hierbij heeft de rechtbank gewezen op de uitspraak van deze Raad van 13 december 2020. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft herhaald dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat ten onrechte is geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe medische feiten, waarbij hij opnieuw heeft gewezen op het door hem overgelegde volledige dossier van PsyQ. Hij heeft erop gewezen dat hij feitelijk niet beschikt over een arbeidsverleden en dat hij nimmer in staat is geweest een duurzaam dienstverband in een arbeidsverhouding te verkrijgen noch te behouden. Verder heeft appellant aangevoerd dat, ook als de conclusie zou zijn dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, dat er niet aan in de weg staat te beoordelen of per latere datum mogelijk sprake is van een wijziging in de belastbaarheid. Van een dergelijke toename is volgens appellant sprake. Er heeft volgens appellant dan ook ten onrechte geen inhoudelijke beoordeling plaatsgevonden. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering terug te komen van de afwijzing van de eerdere Wajong-aanvraag terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1. Het Uwv heeft op de herhaalde aanvraag van appellant beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. 5.2.