Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-03-25
ECLI:NL:CRVB:2026:348
Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 24/2036 WMO15 Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 juli 2024, 23/10632 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Breda (college) Datum uitspraak: 25 maart 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het college terecht heeft geweigerd appellant op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning na 27 februari 2023 te verstrekken. De Raad oordeelt dat het bestreden besluit geen standhoudt en draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M. Tracey hoger beroep ingesteld en verzocht om het college te veroordelen tot vergoeding van de door appellant geleden schade. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellant zijn nadere stukken ingediend, waaronder een contra-expertise en een aanvullende rapportage van medisch adviseur M.C. Heus, arts bij Trompetter & Partners. Het college heeft een nadere reactie ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 februari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tracey. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.L. Verbunt en M.C.J.J. den Biggelaar. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant, geboren in 1949, is bekend met diverse lichamelijke klachten. Appellant ontving tot en met 1 januari 2023 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning voor twee uur en vijftien minuten per week. 1.2. Appellant heeft op 18 november 2022 een aanvraag voor verlenging van deze maatwerkvoorziening ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft een verzekeringsarts van Stichting SAP op verzoek van het college onderzoek verricht en zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 6 december 2022. 1.3. Met een besluit van 16 februari 2023 heeft het college de eerder verstrekte maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning verlengd tot 28 februari 2023 en de aanvraag voor het overige afgewezen. Het college heeft daaraan, verwijzend naar het advies van Stichting SAP, ten grondslag gelegd dat appellant de huishoudelijke taken verdeeld over de week en dag zelfstandig kan uitvoeren. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 1.4. Met een besluit van 19 september 2023 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 februari 2023 ongegrond verklaard. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Omdat de rechtbank toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het college veroordeeld in de door appellant gemaakte proceskosten en het door appellant betaalde griffierecht. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Hij heeft aangevoerd dat hij ten onrechte niet meer op grond van de Wmo 2015 in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar de in hoger beroep overgelegde contra-expertise van 20 augustus 2025 en de aanvullende rapportage van 31 december 2025 van Trompetter & Partners. Appellant stelt verder schade te hebben geleden, zijnde de kosten voor de door hem ingeschakelde huishoudelijke hulp vanaf 27 februari 2023. Het standpunt van het college 4. Het college stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit juist is en schaart zich achter de aangevallen uitspraak. Volgens het college ziet de contra-expertise van Trompetter & Partners niet op de situatie van appellant ten tijde van de besluitvorming. In reactie op het rapport van Trompetter & Partners heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de contra-expertise ziet op de situatie, belemmeringen en stoornissen van appellant in 2025 en niets weergeeft over de situatie van 2023. De Raad volgt het college daarin niet. De medisch adviseur van Trompetter & Partners heeft in zijn aanvullende rapportage van 31 december 2025 overtuigend gemotiveerd dat de beperkingen van appellant in het uitvoeren van de huishoudelijke taken ook aanwezig waren ten tijde van de te beoordelen periode. Zo heeft de medisch adviseur zijn contra-expertise mede gebaseerd op het beeldvormend onderzoek van 11 oktober 2023. De daarin beschreven bevindingen berusten op chronische degeneratieve processen. Deze zullen volgens de medisch adviseur ook hiervóór tot belemmeringen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken hebben geleid. 5.6. Ten aanzien van de door het college in zijn reactie van 8 oktober 2025 voorgestelde hulpmiddelen (verlengstok en robotstofzuiger/dweil) heeft de medisch adviseur van Trompetter & Partners in zijn aanvullende rapportage van 31 december 2025 gemotiveerd aangegeven waarom deze hulpmiddelen geen adequate oplossing bieden. De medisch adviseur heeft aangegeven dat een robotstofzuiger/dweil niet kan worden ingezet op moeilijk bereikbare plaatsen waar appellant met zijn beperkingen ook niet bij kan. Ten aanzien van de verlengstok heeft de medisch adviseur opgemerkt dat door de lengte van de steel meer kracht nodig is om schoon te maken. Afstoffen met een plumeau zal wel lukken, maar oppervlakten afnemen met een wisser op steel zal geen adequaat resultaat geven met de beperkingen van appellant, aldus de medisch adviseur. Voor zover het college van mening is dat een dergelijk oordeel over hulpmiddelen is voorbehouden aan een ergotherapeut, zoals ter zitting gesteld, overweegt de Raad dat het op de weg van het college had gelegen om dan een ergotherapeut in te schakelen. Nu het college dit niet heeft gedaan, ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan wat de medisch adviseur van Trompetter & Partners hierover heeft geschreven. Conclusie en gevolgen 5.7. Uit 5.3 tot en met 5.6 volgt dat de conclusies uit het rapport van de verzekeringsarts van Stichting SAP niet kunnen worden gevolgd en dat het college de afwijzing van de maatwerkvoorziening daarop dan ook niet heeft kunnen baseren. Het bestreden besluit berust dan ook niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep slaagt dus. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, met uitzondering van de bepalingen over de proceskosten en het griffierecht. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het college zal worden opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Nu met de rapporten van de medisch adviseur van Trompetter & Partners voldoende is komen vast te staan dat appellant vanaf 28 februari 2023 beperkt is in het uitvoeren van zware huishoudelijke taken en de lichte huishoudelijke taken op laagte en hoogte, acht de Raad het passend dat aan betrokkene in de nieuwe beslissing op bezwaar een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning wordt verstrekt. Een nader onderzoek daartoe is dan ook niet nodig. Omdat de omvang van de maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning nog niet vaststaat, kan de Raad niet zelf voorzien. De Raad kan dan ook niet de omvang van de door appellant geleden schade vaststellen. Het college zal dan ook worden opgedragen om in de nieuwe beslissing op het bezwaar ook te beslissen op het verzoek van appellant tot vergoeding van schade. De Raad zal daarom het verzoek van appellant om het college te veroordelen tot het vergoeden van schade afwijzen. 5.8. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweed