Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-03-18
ECLI:NL:CRVB:2026:329
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Herziening
1,265 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:CRVB:2026:329 text/xml public 2026-03-20T10:38:48 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-03-18 25/499 WMO15 Uitspraak Herziening NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:329 text/html public 2026-03-20T10:24:49 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:329 Centrale Raad van Beroep , 18-03-2026 / 25/499 WMO15 Afwijzing verzoek om herziening. Verzoekster heeft in haar verzoek geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb aangevoerd. Het verzoek komt erop neer dat zij in feite een (hernieuwde) discussie wil voeren over de inhoud van de zaak en de juistheid van de uitspraak van de Raad van 31 juli 2019. Het middel van herziening daarvoor niet bedoeld. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/499 WMO15 Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 31 juli 2019, 17/5542 WMO15 Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) Datum uitspraak: 18 maart 2026 SAMENVATTING In deze zaak gaat het om een verzoek om herziening van een eerdere uitspraak van de Raad. Wat verzoekster heeft aangevoerd, is onvoldoende om die uitspraak te herzien. De Raad wijst het verzoek daarom af. PROCESVERLOOP Verzoekster heeft met een brief van 4 januari 2025 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 31 juli 2019 en een nader stuk ingediend. Verzoekster heeft het verzoek nog nader schriftelijk toegelicht. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 11 februari 2026. Partijen zijn niet verschenen. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Voor de aanleiding en achtergrond van deze procedure wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 31 juli 2019, waarvan herziening wordt verzocht. 1.1. In de uitspraak van 31 juli 2019 heeft de Raad, voor zover hier van belang, het college veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan appellante van € 1.194,81 voor de kosten van de ho(s)telovernachtingen in de periode van 1 april 2016 tot 11 mei 2016. Voor het overige heeft de Raad het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het standpunt van verzoekster 2. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij in haar belangen is geschaad, omdat de Raad in de eerdere uitspraak een deel van de door haar gevorderde schade heeft afgewezen. Verzoekster heeft verder gewezen op een brief van de procureur-generaal van de Hoge Raad van 6 november 2024. Het oordeel van de Raad 3. De Raad beoordeelt of aanleiding bestaat om de onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad van 31 juli 2019 te herzien. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die verzoekster in haar verzoek om herziening heeft aangevoerd. De Raad wijst het verzoek om herziening af. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 3.1. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak; b. de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en; c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 3.2. Volgens vaste rechtspraak is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet bedoeld om een hernieuwde discussie over de zaak te voeren of om een discussie over de juistheid van de uitspraak te openen. Het is bedoeld om een rechterlijke uitspraak die is gebaseerd op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. Dit kan alleen indien is voldaan aan de strikte, cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. 3.3. Verzoekster heeft in haar verzoek geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb aangevoerd. Het verzoek komt erop neer dat zij in feite een (hernieuwde) discussie wil voeren over de inhoud van de zaak en de juistheid van de uitspraak van de Raad van 31 juli 2019. Uit wat hiervoor onder 3.2. is overwogen volgt dat het middel van herziening daarvoor niet is bedoeld. Wat verzoekster heeft aangevoerd kan daarom niet tot herziening van de uitspraak leiden. Conclusie en gevolgen 3.4. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen. Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 31 juli 2019 in stand blijft. 4. Verzoekster krijgt daarom haar proceskosten niet vergoed. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door B. Serno in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026. (getekend) B. Serno (getekend) M. Dafir Zie de uitspraak van de Raad van 8 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:813.