Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-02-26
ECLI:NL:CRVB:2026:222
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
4,067 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:222 text/xml public 2026-03-06T10:03:07 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-02-26 24/2456 WAD e.v. Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Ambtenarenrecht Rechtspraak.nl ABkort 2026/65 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:222 text/html public 2026-02-27T13:35:28 2026-03-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:222 Centrale Raad van Beroep , 26-02-2026 / 24/2456 WAD e.v. n deze zaak oordeelt de Raad dat er geen aanleiding is voor een doorbreking van het appelverbod. De Raad is daarom onbevoegd om kennis te nemen van het incidenteel hoger beroep van de minister, voor zover dit is gericht tegen de uitspraak op het verzet. De proceskostenveroordeling voor de verzet-procedure blijft in stand. Verder is de Raad van oordeel dat de rechtbank het verzoek om een proceskostenveroordeling in verband met de intrekking van het beroep ten onrechte heeft afgewezen. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 24/2456 WAD, 25/1079 WAD Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 september 2024, 23/684 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Defensie (minister) Datum uitspraak: 26 februari 2026 SAMENVATTING In deze zaak oordeelt de Raad dat er geen aanleiding is voor een doorbreking van het appelverbod. De Raad is daarom onbevoegd om kennis te nemen van het incidenteel hoger beroep van de minister, voor zover dit is gericht tegen de uitspraak op het verzet. De proceskostenveroordeling voor de verzetprocedure blijft in stand. Verder is de Raad van oordeel dat de rechtbank het verzoek om een proceskostenveroordeling in verband met de intrekking van het beroep ten onrechte heeft afgewezen. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. F. van de Nadort hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 januari 2026. Voor appellant is mr. Van de Nadort verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.E. Lamberti en mr. A.J. de Haan. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant heeft op 25 juni 2021 verzocht om toekenning van het Draaginsigne Gewonden (DIG). Appellant heeft hierbij vermeld dat hij lichamelijke en psychische klachten heeft als gevolg van een incident met een handgranaat op [datum] 2010 in Afghanistan, waarbij de handgranaat in het voertuig is ontploft. In een e-mail van 27 september 2021 heeft appellant toegelicht dat hij ook psychische klachten heeft als gevolg van zelfmoordaanslagen en het zien van leed als gevolg van seksueel misbruik. 1.2. Met een besluit van 14 maart 2022 is dit verzoek afgewezen, omdat de gebeurtenissen geen situaties waren die voldoen aan de criteria genoemd in artikel 3, eerste lid aanhef en onder b van het Besluit Draaginsigne Gewonden 2017 (Besluit DIG). Hieraan is een advies van de Centrale Adviescommissie Draaginsigne Gewonden (CADIG) ten grondslag gelegd. 1.3. Met een besluit van 8 december 2022 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 maart 2022 ongegrond verklaard. Hierin is toegelicht dat dat het incident met de handgranaat geen gevechtshandeling of van excessieve geweldsuitoefening of dreiging daarvan betreft, omdat de handgranaat niet van buitenaf in of naar het voertuig is gegooid, maar door toedoen van een collega in het voertuig is ontploft. Bij de overige incidenten was geen sprake van herhaaldelijk of langdurige blootstelling aan de gevolgen van oorlogsgeweld. 1.4. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hierin heeft hij toegelicht dat hij tijdens zijn uitzending zes zelfmoordaanslagen heeft meegemaakt. Appellant heeft twee van deze aanslagen beschreven en toegelicht hoe hij aan een zwaargewonde hulp heeft verleend. Ook heeft appellant een verklaring van een collega overgelegd die hij in de aanvraag als getuige heeft genoemd. 1.5. Met een besluit van 2 augustus 2023 is aan appellant alsnog het DIG toegekend. Hierbij is het besluit van 14 maart 2022 ingetrokken. 1.6. Appellant heeft vervolgens het beroep ingetrokken en verzocht om een (integrale) proceskostenveroordeling voor de in bezwaar en beroep gemaakte kosten. 1.7. Met een uitspraak van 7 december 2023 heeft de rechtbank, met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het verzoek om een proceskostenveroordeling afgewezen. Uitspraak van de rechtbank 2.1. De rechtbank heeft het verzet van appellant tegen de uitspraak van 7 december 2023 gegrond verklaard en de minister veroordeeld in de proceskosten voor de verzetprocedure van € 875,-. De rechtbank heeft overwogen dat in de uitspraak van 7 december 2023 ten onrechte is geoordeeld dat over het oordeel over de proceskosten in beroep in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. 2.2. De rechtbank heeft tevens uitspraak gedaan op het verzoek om een proceskostenveroordeling voor het ingetrokken beroep en heeft dit verzoek afgewezen. De rechtbank heeft overwogen dat het aan appellant als aanvrager van een DIG op zijn weg ligt om de aanvraag te verduidelijken met concrete informatie over de incidenten die aan de aanvraag ten grondslag liggen. De minister heeft de toetsing in het bestreden besluit afgestemd op de informatie over een handgranaatincident, zoals door appellant vermeld in de aanvraag en het bezwaarschrift en hoefde geen reden te zien om nader onderzoek te doen naar de andere incidenten. Appellant is pas tijdens de beroepsprocedure specifiek ingegaan op de andere incidenten. De minister is daarom niet aan appellant tegemoetgekomen vanwege een onrechtmatigheid die aan het besluit zou hebben gekleefd, maar op basis van informatie waarmee hij ten tijde van het bestreden besluit niet bekend hoefde te zijn. Het standpunt van partijen 3. Partijen zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij hiertegen hebben aangevoerd, wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de aangevallen uitspraak in stand kan blijven aan de hand van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. 4.1. De Raad stelt allereerst vast dat de besluiten van 14 maart 2022 en van 8 december 2022 zijn genomen namens de staatssecretaris van Defensie. Het besluit van 2 december 2023 is genomen door de minister. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van het Besluit DIG geschiedt de toekenning van het draaginsigne door de minister. De Raad heeft anders dan de rechtbank en met instemming van partijen de minister als partij aangemerkt. Incidenteel hoger beroep van de minister 4.2. Het incidenteel hoger beroep van de minister richt zich in de eerste plaats tegen de uitspraak op het verzet. Tegen een uitspraak op het verzet kan op grond van artikel 8:104, tweede lid aanhef en onder c in samenhang met artikel 8:55, zevende lid van de Awb, geen hoger beroep worden ingesteld. Voor doorbreking van dit zogenoemde appelverbod kan volgens vaste rechtspraak grond bestaan, indien sprake is van een evidente schending van eisen van goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is geweest. 4.3. De minister heeft aangevoerd dat hem de kans is ontnomen om op de zitting aanwezig te zijn en zijn standpunt naar voren te brengen over het verzet van appellant. De gemachtigde van de minister was wegens vakantie verhinderd en een medewerker van de rechtbank heeft in het telefonisch contact over de vooraankondiging van 4 juni 2024 medegedeeld dat aanwezigheid op de zitting niet verplicht is. Dit levert naar het oordeel van de Raad geen grond op voor de conclusie dat de rechtbank de eisen van goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen heeft geschonden. De minister heeft voorafgaand aan de zitting gebruik gemaakt van de gelegenheid om op het verzetschrift te reageren en uiteengezet waarom het verzet in zijn ogen ongegrond moet worden verklaard.
Volledig
Verder heeft de rechtbank de minister met de kennisgeving van 20 juni 2024 uitgenodigd voor de zitting. Hierin wordt partijen aangeraden om naar de zitting te gaan. Het is aan de minister om de afweging te maken of hij zich laat vertegenwoordigen op een zitting en of hij een gemachtigde bij verhindering laat vervangen. Er is in dit geval dus geen grond voor doorbreking van het appelverbod. Dit betekent dat de gegrondverklaring van het verzet vaststaat. Wat de minister hierover heeft aangevoerd blijft daarom buiten bespreking. 4.4. Het incidenteel hoger beroep van de minister richt zich ook tegen de beslissing over de proceskosten van de verzetprocedure. Deze beslissing is niet uitgezonderd van het instellen van hoger beroep. Bij een gegrondverklaring van het verzet komen de kosten die een betrokkene redelijkerwijs heeft moeten maken voor de verzetprocedure voor vergoeding in aanmerking. De hoogte van de door de rechtbank bepaalde vergoeding is in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de rechtbank had moeten afzien van een proceskostenveroordeling voor het verzet. Deze proceskostenveroordeling blijft dus in stand. Hoger beroep van appellant 4.5. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het verzoek om een proceskostenveroordeling in verband met de intrekking van het beroep is afgewezen. 4.6. Voor de vraag of in geval van intrekking van het beroep aanleiding bestaat de proceskosten te vergoeden is van belang of het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak beoordeeld of de minister het besluit van 14 maart 2022 heeft herroepen wegens een aan de minister te wijten onrechtmatigheid. Dit zijn echter de voorwaarden die gelden voor vergoeding van de kosten in bezwaar als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid van de Awb. 4.7. Naar het oordeel van de Raad is de minister met het besluit van 2 augustus 2023 geheel dan wel gedeeltelijk aan appellant tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. Met dit besluit is immers alsnog aan appellant het gewenste draaginsigne toegekend, onder intrekking van het afwijzende besluit van 14 maart 2022. Zoals de Raad eerder heeft overwogen moet een verzoek om toepassing van artikel 8:75a van de Awb als regel worden ingewilligd op grond van het enkele feit dat het bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien de noodzaak om beroep in te stellen uitsluitend was te wijten aan de handelwijze van de betrokkene zelf. Deze situatie doet zich hier niet voor. Anders dan de minister heeft gesteld zien de documenten die appellant in beroep heeft overgelegd niet op andere gebeurtenissen dan de gebeurtenissen die appellant aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd en die de minister in zijn besluitvorming heeft beoordeeld. Het gaat om nadere informatie over de zelfmoordaanslagen. Deze heeft appellant in zijn toelichting op de aanvraag genoemd en zijn ook in het besluit van 14 maart 2022 en het bestreden besluit vermeld. 4.8. Over de vergoeding van de kosten in bezwaar als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, overweegt de Raad het volgende. Met het besluit van 2 augustus 2023 heeft de minister het primaire besluit van 14 maart 2022 ingetrokken. Dit moet voor de toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb op een lijn worden gesteld met het geheel of gedeeltelijk herroepen van een primair besluit. Zoals de Raad eerder heeft overwogen is met het herroepen in beginsel de onrechtmatigheid en verwijtbaarheid daarvan aan het bestuursorgaan gegeven, tenzij het aan de betrokkene is te wijten dat dit onrechtmatige besluit is afgegeven. 4.9. De minister heeft het besluit van 14 maart 2022 herroepen nadat appellant in beroep nadere informatie heeft verstrekt en een getuigenverklaring heeft overgelegd over zijn aanwezigheid bij de zelfmoordaanslagen. De Raad heeft eerder overwogen dat het op zichzelf juist is dat bij een aanvraag als deze appellant de gegevens en bescheiden dient te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen en dat de door appellant genoemde gebeurtenissen genoegzaam door hem aannemelijk moeten worden gemaakt. Van de minister mogen bij een aanvraag als deze echter ook inspanningen worden verwacht om getuigen te achterhalen, omdat Defensie meer mogelijkheden dan appellant heeft om mogelijke getuigen van gebeurtenissen te vinden. Verder dient de minister ook bij een aanvraag als deze op grond van artikel 3:2 van de Awb bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren. Uit het vrijwel ongemotiveerde besluit van 14 maart 2022, het bestreden besluit en de overige gedingstukken is niet af te leiden of appellant nog in de gelegenheid is gesteld om alsnog een nadere onderbouwing aan te leveren over de gebeurtenissen. Ook blijkt hieruit niet waaruit het onderzoek van de CADIG heeft bestaan en waarom de door appellant in de aanvraag aangedragen getuigen niet zijn gehoord. Tegen deze achtergrond kan de Raad tot geen andere conclusie komen dan dat de minister in strijd heeft gehandeld met artikel 3:2 van de Awb. 4.10. Appellant heeft de Raad verzocht om op grond van artikel 2, derde lid van het Bpb af te wijken van de forfaitaire vergoeding en hem een integrale vergoeding toe te kennen. De Raad is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor een hogere vergoeding. Niet valt in te zien dat appellant, omdat hij zelf op zoek is gegaan naar een van de door hem genoemde getuigen, uitzonderlijk hoge kosten heeft moeten maken. Conclusie en gevolgen 4.11. De Raad verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het incidenteel hoger beroep van de minister, voor zover dit is gericht tegen de uitspraak op het verzet. Het incidenteel hoger beroep van de minister slaagt niet, voor zover dit betrekking heeft op de proceskostenveroordeling voor de verzetprocedure. De aangevallen uitspraak wordt in zoverre bevestigd. 4.12. Het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, voor zover daarbij het verzoek om een proceskostenveroordeling voor de ingetrokken beroepsprocedure is afgewezen. 5. Aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar van € 666,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor 1) en de proceskosten in beroep van € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Ook bestaat aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op € 934,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- met een wegingsfactor 0,5). 6. Ook moet de minister het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het incidenteel hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de uitspraak op het verzet; - vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het verzoek om een proceskostenveroordeling voor de ingetrokken beroepsprocedure is afgewezen; bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.534,-; bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 463,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026. (getekend) H. Lagas (getekend) C.C.M. van ‘t Hol Zie de uitspraak van 22 november 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3009.