Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-02-25
ECLI:NL:CRVB:2026:206
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,019 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:CRVB:2026:206 text/xml public 2026-02-27T08:22:21 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-02-25 24/2499 WIA Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:206 text/html public 2026-02-26T16:36:35 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:206 Centrale Raad van Beroep , 25-02-2026 / 24/2499 WIA Toekenning WGA-vervolguitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80% blijft in stand. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek door de betrokken verzekeringsartsen op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Afwijzing verzoek om schadevergoeding. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 24/2499 WIA Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 september 2024, 24/2144 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 25 februari 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv met juistheid heeft geoordeeld dat de medische situatie van appellant op 27 april 2023 gelijk is gebleven aan de medische beoordeling aan het einde van de wachttijd. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R.S. Pot, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 juli 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pot, [naam verpleegkundige], verpleegkundige (niet-praktiserend) en arbeidsdeskundige en [naam persoonlijk begeleider] , persoonlijk begeleider. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om appellant in de gelegenheid te stellen om medische informatie te overleggen. Appellant heeft vervolgens een nader stuk ingediend. Het Uwv heeft hierop met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd. Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant heeft voor het laatst gewerkt als werkvoorbereider voor 41,54 uur per week. Op 22 januari 2020 heeft hij zich ziekgemeld met psychische klachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 14 februari 2022. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 70,65%. Het Uwv heeft bij besluit van 24 februari 2022 aan appellant van 19 januari 2022 tot en met 26 april 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 21 december 2022 gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 58,75%. De rechtbank heeft het door appellant hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en in hoger beroep heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd. 1.2. Bij besluit van 19 januari 2023 heeft het Uwv de loongerelateerde uitkering van appellant per 27 april 2023 (datum in geding) omgezet naar een vervolguitkering. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 65 tot 80%. 1.3. Bij besluit van 11 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de inbreng van de op de hoorzitting door appellant meegebrachte deskundigen betrokken bij de beoordeling. De rechtbank heeft appellant daarnaast niet gevolgd in zijn standpunt dat de medische beoordeling is gebaseerd op insinuerende opmerkingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant op de datum in geding geen revalidatiebehandeling volgde. Appellant heeft dit erkend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft wel informatie ingewonnen over het revalidatietraject van appellant. Uit de toelichting van appellant op de zitting van de rechtbank en de door appellant ingebrachte informatie is het de rechtbank niet gebleken dat sprake is van relevante medische informatie die niet zou zijn meegewogen of dat sprake was van onduidelijkheden waarover nadere vragen aan deskundigen hadden moeten worden gesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep was er dan ook niet toe gehouden om nadere medische informatie op te vragen of aanvullende vragen aan behandelaars te stellen. 2.2. De rechtbank heeft verder overwogen dat er geen sprake is van een van de criteria op grond waarvan kan worden besloten tot volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat voor het aannemelijk maken dat de medische beoordeling onjuist is, in principe een rapport van een arts of een medisch behandelaar noodzakelijk is. De standpunten die niet-praktiserend verpleegkundige en arbeidsdeskundige Houberg over de medische beoordeling innemen heeft de rechtbank, zonder nadere onderbouwing van een arts of medisch behandelaar, onvoldoende geacht om aannemelijk te maken dat de medische beoordeling onjuist is. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de conclusie van de primaire verzekeringsarts dat er geen sprake is van een ernstige psychische stoornis waaruit een onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren blijkt. Ook heeft de rechtbank onvoldoende aanleiding gezien om te twijfelen aan de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Omdat appellant daarnaast niet in behandeling was op de datum in geding, heeft de rechtbank ook niet getwijfeld aan de conclusie dat er geen sprake was van verminderde beschikbaarheid op grond waarvan een urenbeperking zou moeten worden aangenomen. De rechtbank heeft het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen, afgewezen. 2.3. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de voor appellant geselecteerde functies nog actueel waren en dat er bij een ongewijzigde medische situatie geen reden voor het Uwv is om nog een arbeidskundig onderzoek te verrichten. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft (kort samengevat) aangevoerd dat de rechtbank en het Uwv onzorgvuldig hebben gehandeld. Ten onrechte is geconcludeerd dat een niet-medisch geschoolde de conclusies van de artsen van het Uwv niet kan aanvechten. Appellant stelt verder dat zijn beperkingen door de verzekeringsartsen zijn onderschat. Reeds op de datum in geding had appellant psychische klachten. Appellant heeft de Raad verzocht een onafhankelijk deskundige te benoemen. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 5.1.