Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-01-08
ECLI:NL:CRVB:2026:19
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Proceskostenveroordeling
2,025 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:CRVB:2026:19 text/xml public 2026-03-23T13:32:25 2026-01-15 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-01-08 22/703 WAJONG Uitspraak Proceskostenveroordeling Schadevergoedingsuitspraak NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2022:368, Overig Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:19 text/html public 2026-01-15T16:30:29 2026-01-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:19 Centrale Raad van Beroep , 08-01-2026 / 22/703 WAJONG Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 januari 2022, 19/5317 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat) Datum uitspraak: 8 januari 2026 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 januari 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bogaard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. De Raad heeft het onderzoek na de zitting heropend om het Uwv nadere vragen te stellen. Het Uwv heeft deze vragen beantwoord. Appellant heeft in reactie hierop aanvullende gronden aangevoerd en nadere stukken ingediend. Het Uwv en appellant hebben over en weer op elkaar gereageerd. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband hiermee heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. Het Uwv heeft op 16 oktober 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft daarop het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft appellant gehandhaafd. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer van de Raad. De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 16 oktober 2025 aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Ook in de procedure bij de rechtbank heeft hij een zodanig verzoek gedaan. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. Als een tegemoetkomend besluit is genomen, eindigt de redelijke termijn op het moment dat dit besluit is bekendgemaakt. Naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 7 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2978) wordt in een geval waarin eerst na een tussenuitspraak einduitspraak is gedaan, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee de rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan, maar van de Staat (Ministerie van Veiligheid en Justitie). Van een te lange behandelingsduur bij de rechtbank is geen sprake als de periode van het instellen van beroep bij de rechtbank tot de tussenuitspraak van de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar heeft geduurd en de rechtbank vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 7 mei 2019 van het bezwaarschrift van appellant tot 16 oktober 2025, de datum van bekendmaking van het tegemoetkomend besluit, zijn zes jaar en zes maanden verstreken. De zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, en ook de opstelling van betrokkene geven geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met twee jaar en zes maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 2.500,-. In deze zaak heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan. De periode tussen de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 21 oktober 2019 en de tussenuitspraak van de rechtbank op 13 maart 2020 heeft vier maanden en twintig dagen in beslag genomen. De rechtbank heeft een jaar, vijf maanden en vijftien dagen na ontvangst van de mededeling van het Uwv op 11 augustus 2020 uitspraak gedaan. Dit betekent dat de behandeling van het beroep door de rechtbank vijf maanden en vijftien dagen te lang heeft geduurd. De periode tussen ontvangst van het hogerberoepschrift door de Raad op 8 maart 2022 tot het tegemoetkomend besluit van 16 oktober 2025 heeft drie jaar, zeven maanden en acht dagen in beslag genomen. Dit betekent dat de behandeling door de Raad een jaar, zeven maanden en acht dagen te lang heeft geduurd. Hieruit volgt dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van de Staat komt. De overschrijding van de redelijke termijn bij de bestuursrechter is in totaal twee jaar en drieëntwintig dagen. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van de Staat onderscheidenlijk van het Uwv wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 2.083,33 (25/30 deel van € 2.500), waarbij een bedrag van € 1.000,- in mindering wordt gebracht, omdat de rechtbank de Staat hiertoe al heeft veroordeeld. Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 416,67 (5/30 deel van € 2.500,-).