Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-02-12
ECLI:NL:CRVB:2026:175
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 23/3231 ANW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 oktober 2023, 23/4718 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 12 februari 2026 SAMENVATTING Deze uitspraak gaat over de vraag of de Svb terecht de herhaalde aanvraag van appellante om toekenning van een ANW-uitkering heeft afgewezen. Volgens de Svb is er geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden en is het bestreden besluit niet evident onjuist. Met de rechtbank oordeelt de Raad dat de Svb de herhaalde aanvraag terecht heeft afgewezen. Appellante heeft ook voor de toekomst geen recht op een nabestaandenuitkering. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 november 2025. Voor appellante is mr. Küçükünal verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G. Starreveld. OVERWEGINGEN Inleiding 1.1. Appellante is op [datum 1] 2020 getrouwd. Haar echtgenoot is op [datum 2] 2020 overleden. Nadien heeft appellante een uitkering op grond van de ANW aangevraagd. De Svb heeft die aanvraag afgewezen met een besluit van 29 maart 2021. Tegen dat besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt. 1.2. Op 9 december 2022 heeft appellante een herhaalde aanvraag om een uitkering op grond van de ANW ingediend. Met een besluit van 28 december 2022 heeft de Svb de herhaalde aanvraag afgewezen. 1.3. Tegen het besluit van 28 december 2022 heeft appellante bezwaar gemaakt, maar de Svb is met een besluit van 20 juli 2023 (bestreden besluit) gebleven bij de afwijzing van de herhaalde aanvraag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat wat appellante heeft aangevoerd geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn. De rechtbank is het eens met de Svb dat er geen reden is om aan te nemen dat het besluit van 29 maart 2021 onmiskenbaar onjuist is. Volgens de rechtbank is het niet evident onredelijk dat de Svb niet met terugwerkende kracht terugkomt van het besluit van 29 maart 2021. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat appellante geen recht heeft op een nabestaandenuitkering. De reden daarvan is volgens de rechtbank dat in Nederland de echtgenoot op het moment van zijn overlijden niet verplicht of vrijwillig verzekerd was voor de ANW en appellante ook op grond van bepalingen van internationaal recht geen recht heeft op die uitkering. Het standpunt van appellante 3.1. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat appellante daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het standpunt van de Svb 3.2. De Svb heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de herhaalde aanvraag om een ANW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 4.1. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Toetsingskader bij een verzoek om terug te komen van een rechtens onaantastbaar geworden besluit 4.2. Appellante heeft de Svb verzocht om van het in rechte vaststaande besluit van 29 maart 2021 terug te komen, als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb . Dit geding gaat over een duuraanspraak. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat bij de toetsing van een besluit over een herhaalde aanvraag om een duuraanspraak een onderscheid moet worden gemaakt tussen de periode voorafgaand aan het verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit (het ver De informatie over de echtgenoot op diverse formulieren van het Turkse orgaan en in de correspondentie van appellante zelf rond het ANW-pensioen wijst dus niet op een woonplaats van de echtgenoot in Nederland, maar bevestigt dat hij op de dag van zijn overlijden in Turkije woonde. 4.8.3. Appellante stelt dat de echtgenoot in 2019 een periode gedetineerd is geweest in Turkije en het voornemen had om terug te keren naar Nederland. Het dossier biedt hiervoor echter geen aanknopingspunten. Appellante heeft kennelijk willen stellen dat de echtgenoot in Nederland een woning heeft aangehouden. Naar het oordeel van de Raad is echter niet aannemelijk geworden dat deze woning na juli 2019, laat staan op de dag van zijn overlijden, nog tot zijn beschikking stond. De door appellante overgelegde huurgegevens betreffen namelijk de situatie in juni 2018, maar van de periode erna zijn geen huurgegevens beschikbaar. Uit de overige door appellante overgelegde stukken kan hoogstens worden afgeleid dat de echtgenoot in januari 2019 nog een (woon of correspondentie) adres in Nederland had. 4.8.3. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard tussen de echtgenoot en Nederland op de dag van zijn overlijden. De echtgenoot was daarom op die dag niet verzekerd voor de ANW op grond van ingezetenschap. 4.9. Op grond van artikel 22, derde lid, van het NTV zou de echtgenoot geacht kunnen worden te hebben voldaan aan de voorwaarde van verzekering krachtens de ANW op de datum van zijn overlijden als hij op die datum verzekerd was krachtens de Turkse wettelijke regeling. Dit is echter niet het geval. Dit blijkt uit de stukken die het Turkse orgaan heeft ingediend. Appellante kan daarom geen recht op een nabestaandenuitkering op grond van de ANW ontlenen aan het NTV. 4.10. Uit 4.6 tot en met 4.9 volgt dat er geen reden is om het bestreden besluit van de Svb voor wat betreft de toekomst voor onjuist te houden. Geen aanspraak op ANW-uitkering voorafgaand aan het verzoek van 9 december 2022 4.11. Nu er geen reden is om het bestreden besluit voor de toekomst onjuist te achten, hoefde de Svb hiervan ook niet terug te komen voor het verleden. Discriminatieverbod 4.12. Appellante heeft gesteld dat het bestreden besluit blijk geeft van een ongerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit. Zij verwijst in dit verband naar het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit zoals dat is opgenomen in artikel 3 van Besluit 3/80 en artikel 9 van de Associatieovereenkomst. Ook wijst zij op verschillende artikelen van het NTV die bepalen dat de Turkse onderdanen onder dezelfde voorwaarden als Nederlandse onderdanen aanspraak hebben op de in dit verdrag genoemde sociale zekerheidsvoorzieningen. Deze grond slaagt niet. 4.13. De Raad begrijpt het betoog van appellante aldus dat de discriminatie in dit geval zou voortvloeien uit de toepassing van KB 746 , waarin de kring van verzekerden voor de volksverzekeringen is uitgebreid. Van deze uitbreiding van de kring van verzekerden zouden volgens appellante personen met de Nederlandse nationaliteit disproportioneel vaker profiteren dan personen met de Turkse nationaliteit, wat in haar visie indirecte discriminatie op grond van nationaliteit oplevert. 4.14. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat appellante deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Maar voor zover de stelling van appellante al juist is, wijst de Raad erop dat voor de beperking van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen tot ingezetenen volgens vaste rechtspraak een toereikende objectieve rechtvaardiging bestaat. In die rechtspraak is overwogen dat het onderscheid tussen ingezetenen en niet-ingezetenen aansluit bij de basisgedachte van een volksverzekering. Die gedachte houdt in dat de overheid van een land alleen sociale bescherming door middel van een verplichte verzekering biedt aan personen die door ingezetenschap een voldoende band hebben met dat