ECLI:NL:CRVB:2026:1092
25/1415 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 5 februari 2025 (bestreden besluit) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college) Datum uitspraak: 18 augustus 2026 SAMENVATTING Deze zaak gaat over de vraag of het college op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan een eerdere uitspraak van de Raad. In die uitspraak heeft de Raad onder meer geoordeeld dat het college de grondslag van de intrekking van de bijstand niet mocht wijzingen naar artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de Participatiewet (PW) zonder appellant in de gelegenheid te stellen bankafschriften van Triodos Bank over te leggen. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het college een nieuw besluit genomen, waarbij de intrekking is gehandhaafd omdat appellant de gevraagde bankafschriften van Triodos Bank niet heeft overgelegd. De Raad oordeelt dat het college daarmee op een juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de eerdere uitspraak van de Raad. De op de zitting overgelegde bankafschriften worden wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten. Appellant krijgt dus geen gelijk. PROCESVERLOOP Appellant heeft beroep ingesteld en stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 juli 2026. Appellant is verschenen en heeft nadere stukken ingediend. Het college is niet verschenen. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 5 november 2024. Hij volstaat nu met het volgende. 1.1. Met een besluit van 1 april 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 5 oktober 2021, heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW ingetrokken met ingang van 5 maart 2021. Hieraan ligt, samengevat weergegeven, ten grondslag dat appellant de eerder gevraagde bankafschriften van alle betaal- en spaarrekeningen over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 niet heeft overgelegd en dat hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt. 1.2. Met een uitspraak van 21 maart 2022 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2021 ongegrond verklaard. 1.3. In de uitspraak van 5 november 2024 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 21 maart 2022 vernietigd, het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2021 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Hiertoe heeft de Raad overwogen dat het college op de zitting van de Raad het standpunt heeft ingenomen dat de intrekking ten onrechte is gebaseerd op artikel 54, vierde lid, van de PW, maar dat de intrekking kan worden gehandhaafd op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW, omdat appellant zijn bankrekening bij de Triodos Bank niet heeft gemeld. Door de grondslag van de intrekking eerst ter zitting van de Raad te wijzigen, heeft het college appellant de mogelijkheid ontnomen om nog in hoger beroep de bankafschriften van de Triodos Bank over te leggen om het recht op bijstand alsnog te kunnen vaststellen. Hierdoor kon op dat moment niet worden gezegd dat ook als het motiveringsgebrek er niet was geweest een besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen. Het college moest appellant alsnog de gelegenheid bieden om de afschriften van de bankrekening bij de Triodos Bank over de te beoordelen periode over te leggen. De Raad heeft het college daarom opdragen om een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 april 2021. Daarbij heeft de Raad bepaald dat tegen de nieuwe te nemen beslissing op bezwaar rechtstreeks beroep open staat bij de Raad. 1.4. Namens het college is appellant met een e-mail van 21 november 2024 gevraagd om de afschriften over te leggen van zijn