Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-08-06
ECLI:NL:CRVB:2026:1028
Afwijzing aanvraag om een tegemoetkoming op grond van het TBSH. Appellante is op 15 augustus 1971 vanuit haar geboorteland Suriname naar Nederland verhuisd, maar is rond 31 juli 1974 teruggegaan naar Suriname waar zij tot mei 1977 is gebleven. Op de aanvraag van appellante is afwijzend beslist op de grond dat appellante in Suriname verbleef toen de Toescheidingsovereenkomst op 25 november 1975 in werking trad. 25/1992 TBSH Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 september 2025, 24/6759 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister) Datum uitspraak: 6 augustus 2026 SAMENVATTING Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om appellante in aanmerking te brengen voor een tegemoetkoming op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst. Appellante is op 15 augustus 1971 vanuit haar geboorteland Suriname naar Nederland verhuisd, maar is rond 31 juli 1974 teruggegaan naar Suriname waar zij tot mei 1977 is gebleven. Op de aanvraag van appellante is afwijzend beslist op de grond dat appellante in Suriname verbleef toen de Toescheidingsovereenkomst op 25 november 1975 in werking trad. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze afwijzing stand houdt. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. I. Rhodes, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 juni 2026. Voor appellante is mr. M. Booij verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. van der Voorn. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten van belang. 1.1. Appellante is op [geboortedatum] 1949 geboren in Suriname. Vanaf 15 augustus 1971 heeft appellante in Nederland gewoond. Op 31 juli 1974 is appellante teruggegaan naar Suriname, waar zij vervolgens bleef tot zij zich in mei 1977 definitief in Nederland vestigde. 1.2. Op 27 juli 2014 heeft appellante de voor haar voor de AOW geldende pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Daarom is haar met ingang van die datum een AOWpensioen toegekend. Op dit AOW-pensioen is een korting van 18% toegepast, omdat appellante niet verzekerd is geacht voor de AOW van 27 juli 1964 tot en met 14 augustus 1971 en van 31 juli 1974 tot en met 1 mei 1977. 1.3. Op 10 juli 2024 heeft appellante een tegemoetkoming aangevraagd op grond van het TBSH. 1.4. Bij besluit van 31 juli 2024 is afwijzend beslist op de TBSH-aanvraag van appellante op de grond dat appellante vanaf 1974 tot in 1977 in Suriname verbleef. 1.5. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaar is bij besluit van 17 oktober 2024 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellante niet voldoet aan de voorwaarde dat zij uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is komen wonen omdat Suriname onafhankelijk werd en zij de Nederlandse nationaliteit wilde houden (artikel 3, aanhef en sub a, TBSH). Het TBSH biedt volgens de minister geen ruimte om vanuit een oogpunt van coulance rekening te houden met bijzondere omstandigheden. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe is overwogen – sterk verkort weergegeven – dat appellante, omdat zij op 25 november 1975 nog in Suriname woonde, niet voldoet aan de vereisten van artikel 3, onder a, van het TBSH en dat er onvoldoende grond is om deze vereisten wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing te laten. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft primair aangevoerd dat zij wel voldoet aan de vereisten van artikel 3, onder a, van het TBSH, aangezien zij voor 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, terwijl zij in Suriname is geboren, zodat valt aan te nemen dat haar komst naar Nederland verband houdt met de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst. Subsidiair heeft appellante aangevoerd dat artikel 3, onder a, van het TBSH in haar geval buiten toepassing moet worden gelaten omdat de toepassing van die bepaling in haar geval onredelijk bezwarend uitpakt. Daarbij heeft appellante gewezen op haar beperkte huidige financiële mogelijkheden. Verder heeft appellante uiteengezet dat zij in 1974 na het verbreken van een relatie met een gewelddadige man en een verblijf in een blijfvanmijnlijfhuis tijdelijk naar haar ouders in Suriname is gegaan. Zodra dit voor haar mogelijk was, is appellante naar Nederland teruggekeerd en zij meent dat zij de Nederlandse nationaliteit gedurende haar tijdelijke verblijf in Suriname zonder meer heeft behouden. Het standpunt van de minister 4. De minister heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Omdat appellante niet heeft onderbouwd dat zij de Nederlandse nationaliteit gedurende haar tijdelijke verblijf in Suriname ononderbroken heeft behouden, neemt de minister aan dat appellante ingevolge de Toescheidingsovereenkomst op 25 november 1975 van rechtswege de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen en de Nederlandse nationaliteit tijdelijk heeft verloren. Daarvan uitgaande behoort appellante niet tot de doelgroep van het TBSH. Tot slot heeft de minister benadrukt dat het TBSH voorziet in een financieel gebaar zonder dat daartoe een juridisch bindende verplichting bestond en dat de doelgroep van het TBSH door de regelgever scherp en dwingend is afgebakend met objectieve criteria die eenvoudig zijn te hanteren om zo ongewenste uitbreidingen van de doelgroep te voorkomen en een snelle uitvoering van het TBSH te bevorderen. Gelet op die context ziet de minister geen ruimte om voor appellante een uitzondering te maken op de vereisten van artikel 3 van het TBSH. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Juridisch kader 5.1. Op 1 juni 2024 is het TBSH in werking getreden. Met dit besluit wordt als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag toegekend aan ouderen van Surinaamse herkomst, dat ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep, gevormd door de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafhankelijkheidsproces van Suriname, in verband met de komst van deze groep naar Nederland met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, het onrecht dat deze groep ervaart, omdat zij veronderstelden door de komst naar Nederland ook recht op een volledige ouderdomsuitkering op grond van de AOW te krijgen, terwijl soms over een lange periode geen recht op grond van de AOW is opgebouwd, en de politiek-bestuurlijke wens om de pijn van deze groep vanwege deze samenloop van omstandigheden te erkennen. Dit is bepaald in artikel 2 van het TBSH. 5.2. Iemand heeft recht op € 5.000,- als gebaar van erkenning voor ervaren onrecht, indien hij of zij: a. uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst; b. voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde; c. ten minste de leeftijd van achttien jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en d. op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft gewoond. Dit is bepaald in artikel 3 van het TBSH. Uitleg, toepassing en exceptieve toetsing van artikel 3, onder a, van het TBSH 5.3. Tussen partijen is in geschil of appellante voldoet aan de voorwaarde dat zij uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, zoals artikel 3, aanhef en onder a, van het TBSH vereist. Daarbij staat vast dat appellante vóór 25 november 1975 in Nederland is komen wonen en dat zij, eveneens vóór 25 november 1975, naar Suriname is teruggekeerd, en dat zij op de peildatum zelf in Suriname verbleef. 5.4. Zoals de Raad heeft overwogen onder 5.7 van zijn uitspraak in zaak 25/1548 TBSH, wordt voor de toepassing van artikel 3, aanhef en onder a, van het TBSH getoetst, of de aanvrager, ten eerste, uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, en, ten tweede, op 25 november 1975 niet in Suriname woonde of verbleef. Uit de nota van toelichting bij het TBSH volgt dat de regelgever met de voorwaarde dat de persoon “uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst”, het oog heeft gehad op personen die de Nederlandse nationaliteit hebben willen behouden en deze van rechtswege zouden hebben verloren als zij op dat moment in Suriname woonden of werkelijk verblijf hadden. Alleen deze personen voldoen aan het vereiste dat zij “met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst” naar Nederland zijn gekomen. Ouderen van Surinaamse herkomst die op een later moment dan 25 november 1975 naar Nederland zijn gekomen, vallen niet onder de doelgroep. De Raad acht de wijze van toetsing door de minister, tegen deze achtergrond, geen onjuiste uitleg van artikel 3, onder a, in samenhang met artikel 2 van het TBSH. 5.5. Wat hiervoor onder 5.4 is overwogen betekent dat in Suriname geboren mensen die, zoals appellante, wel vóór 25 november 1975 in Nederland zijn gaan wonen, maar op 25 november 1975 (opnieuw) in Suriname woonden of verbleven en later weer naar Nederland zijn teruggekeerd, niet voldoen aan alle vereisten van artikel 3, onder a, van het TBSH. Deze ouderen van Surinaamse herkomst behoren niet tot de doelgroep van het TBSH en worden om die reden niet in aanmerking gebracht voor de eenmalige TBSHtegemoetkoming. 5.6. Op 25 november 1975 woonde appellante niet in Nederland, maar in Suriname. Uit artikel 3 van de Toescheidingsovereenkomst volgt dat zij van rechtswege de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen op 25 november 1975 en de Nederlandse nationaliteit heeft verloren. Hieraan doet niet af dat appellante stelt dat zij de Nederlandse nationaliteit gedurende haar verblijf in Suriname ononderbroken heeft behouden. Toetsing aan het evenredigheidsbeginsel 5.7. In de uitspraak in de zaak 25/1548 TBSH is geoordeeld dat artikel 3, onder a, van het TBSH, zoals hierboven uitgelegd, de toets aan het evenredigheidsbeginsel doorstaat. De Raad ziet geen aanleiding om daar anders over te oordelen in de zaak van appellante. Dat ook andere afbakeningen van de doelgroep denkbaar zijn in het licht van de bepalingen van de Toescheidingsovereenkomst maakt dat, gelet op de zeer terughoudende toets die de rechter dient te verrichten, niet anders. Niettemin kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in het voorliggende geval toepassing van het wettelijk voorschrift voor betrokkene zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit betekent dat uiteindelijk (“onder de streep”) moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindende voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Daarbij gaat het dan alleen nog om de evenwichtigheid (de evenredigheid “stricto sensu”). 5.8. Appellante stelt dat artikel 3, onder a, van het TBSH in haar geval buiten toepassing moet worden gelaten, omdat de toepassing van die bepaling in haar geval tot een onevenwichtige uitkomst leidt. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uitgaande van de door appellante geschetste situatie is het op zich begrijpelijk dat zij er in 1974 voor koos om een tijd naar haar ouders in Suriname te gaan. Appellante heeft evenwel niet aannemelijk gemaakt dat zij ook na verloop van tijd geen andere optie had dan in Suriname te blijven, en dus niet uiterlijk op 25 november 1975 heeft kunnen terugkeren naar Nederland. Toepassing van artikel 3, onder a, van het TBSH pakt daarom in het geval van appellante niet zodanig onevenwichtig uit dat toepassing achterwege moet worden gelaten, ook niet wanneer daarbij wordt betrokken dat appellante naar eigen zeggen thans slechts over beperkte financiële mogelijkheden beschikt. Conclusie en gevolgen 6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent dat de afwijzende beslissing op de TBSH-aanvraag van appellante in stand blijft. 7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en J.H. Ermers en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ’t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026. (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum (getekend) C.C.M. van 't Hol Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Kaderwet SZW-subsidies Artikel 1, eerste lid 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of Onze Minister die belast is met de zorg voor een of meer onderdelen van het beleid, genoemd in artikel 2. Artikel 2 Onze Minister kan subsidies verstrekken voor activiteiten welke passen in: het werkgelegenheidsbeleid en het arbeidsmarktbeleid; het arbeidsomstandighedenbeleid; het arbeidsverhoudingenbeleid; het inkomensbeleid; het socialezekerheidsbeleid; het kinderopvangbeleid; het inburgeringsbeleid en het integratiebeleid. Het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst is een regeling van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 9 van de Kaderwet SZW-subsidies. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering ervan is nadien overgenomen door andere bewindslieden die vallen onder het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 3, eerste lid Onverminderd hoofdstuk 3 van de Financiële-verhoudingswet kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van Onze Minister terzake van de verstrekking van subsidieregels worden gesteld met betrekking tot: a. de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt en wie daarvoor in aanmerking komt; b. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald; c. de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover; d. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend; e. de verplichtingen van de subsidie-ontvanger; f. de vaststelling van de subsidie; g. intrekking en wijziging van de subsidieverlening of -vaststelling; h. de betaling van de subsidie en het verlenen van voorschotten; i. andere criteria voor de verstrekking van subsidie. Artikel 9 Deze wet is, met uitzondering van artikel 3, tweede lid, van overeenkomstige toepassing op spoedeisende, tijdelijke verstrekking door Onze Minister van aanspraken op financiële middelen, niet zijnde subsidies, behoudens indien die aanspraak wordt verstrekt krachtens een andere wet.