Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-05-06
ECLI:NL:CRVB:2025:763
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,686 tokens
Inleiding
24/299 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 22 december 2023, 23/1041 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (college)
Datum uitspraak: 6 mei 2025
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de afwijzing van een verzoek om een dwangsom. Appellant heeft het college in gebreke gesteld en zich daarbij op het standpunt gesteld dat het college geen beslissing op zijn bezwaarschrift heeft genomen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een bezwaarschrift maar van een klacht. Appellant is het daar niet mee eens. De Raad volgt appellant hierin niet. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt.
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Met een besluit van 19 januari 2022 heeft het college aan appellant een individuele inkomenstoeslag toegekend op grond van de Participatiewet. Appellant heeft in een brief van 25 februari 2022 geschreven dat hij ‘bezwaar aantekent’ tegen dit besluit. Hij wijst er daarbij op dat de gemeente heel traag heeft gehandeld door meer dan vier weken onderzoek te doen naar de vraag of hij voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van een individuele inkomenstoeslag. Ook wijst hij erop dat hij budgetbeheer door zijn strot geduwd heeft gekregen en stelt hij dat hij te veel bijstand en individuele inkomenstoeslag uitbetaald heeft gekregen.
1.2.
Op 16 juni 2022 heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen appellant en een medewerker van het college. In het gemeentelijk zaaksysteem van het college staat hierover het volgende vermeld:
“Op 16 juni met klager gebeld. Klager gaf aan geen klacht te hebben tegen een specifieke medewerker, maar tegen de algehele gang van zaken rondom zijn schuldhulpverlening (budgetbeheer). Dit is ook niet zozeer als een klacht aan te merken in de zin van hoofdstuk 9 Awb. Het gaat maar over de inhoudelijk genomen beslissingen rondom budgetbeheer. Klager heeft telefonisch aangegeven het hier bij te willen laten. Klacht is daarmee afgehandeld.”
1.3.
Appellant heeft het college in een brief van 9 september 2022 in gebreke gesteld, omdat het college niet tijdig een besluit heeft genomen op zijn bezwaarschrift, op straffe van een dwangsom als het college niet binnen twee weken alsnog een besluit neemt.
1.4.
Met een besluit van 3 oktober 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 23 februari 2023 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek om een dwangsom afgewezen. Daaraan ligt ten grondslag dat volgens het college van een niet-tijdig beslissen op een ingediend bezwaarschrift geen sprake is. Een klachtbehandelaar heeft op 16 juni 2022 telefonisch contact opgenomen met appellant met de vraag of zijn brief van 25 februari 2022 een bezwaarschrift is of een klacht. Appellant heeft hierop geantwoord dat het ging om een klacht over de algehele gang van zaken rondom de schuldhulpverlening. Appellant heeft tegen de klachtbehandelaar gezegd dat hij het hierbij wilde laten en dat de klacht was afgehandeld. Raadpleging van het gemeentelijk zaaksysteem bevestigt deze gang van zaken.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de zaak op zitting behandeld. Appellant was daarbij niet verschenen. Om appellant in de gelegenheid te stellen zijn beroep nader toe te lichten, heeft de rechtbank het onderzoek bij brief heropend en appellant gevraagd schriftelijk te reageren op het standpunt van het college. Appellant heeft daarop niet gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van het verzoek om een dwangsom in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regel die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat geen sprake was van een klacht, maar van een bezwaarschrift. Dat het bezwaarschrift is omgezet naar een klacht is enkel gedaan om aan termijnen en aan een dwangsom te ontsnappen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het volgende is daarbij van belang.
4.1.1.
Appellant heeft ook in hoger beroep de onder 1.2 weergegeven feiten en omstandigheden niet weersproken. Gelet hierop en ook gezien de tekst van de brief van 25 februari 2022 hoefde het college deze brief niet als bezwaarschrift aan te merken en daar dus ook niet op te beslissen.
Conclusie
4.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek om een dwangsom in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2025.
(getekend) E.C.E. Marechal
(getekend) R.L. Rijnen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:17
1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
(…)
3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
(…)
Inleiding
24/299 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 22 december 2023, 23/1041 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (college)
Datum uitspraak: 6 mei 2025
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de afwijzing van een verzoek om een dwangsom. Appellant heeft het college in gebreke gesteld en zich daarbij op het standpunt gesteld dat het college geen beslissing op zijn bezwaarschrift heeft genomen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een bezwaarschrift maar van een klacht. Appellant is het daar niet mee eens. De Raad volgt appellant hierin niet. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt.
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Met een besluit van 19 januari 2022 heeft het college aan appellant een individuele inkomenstoeslag toegekend op grond van de Participatiewet. Appellant heeft in een brief van 25 februari 2022 geschreven dat hij ‘bezwaar aantekent’ tegen dit besluit. Hij wijst er daarbij op dat de gemeente heel traag heeft gehandeld door meer dan vier weken onderzoek te doen naar de vraag of hij voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van een individuele inkomenstoeslag. Ook wijst hij erop dat hij budgetbeheer door zijn strot geduwd heeft gekregen en stelt hij dat hij te veel bijstand en individuele inkomenstoeslag uitbetaald heeft gekregen.
1.2.
Op 16 juni 2022 heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen appellant en een medewerker van het college. In het gemeentelijk zaaksysteem van het college staat hierover het volgende vermeld:
“Op 16 juni met klager gebeld. Klager gaf aan geen klacht te hebben tegen een specifieke medewerker, maar tegen de algehele gang van zaken rondom zijn schuldhulpverlening (budgetbeheer). Dit is ook niet zozeer als een klacht aan te merken in de zin van hoofdstuk 9 Awb. Het gaat maar over de inhoudelijk genomen beslissingen rondom budgetbeheer. Klager heeft telefonisch aangegeven het hier bij te willen laten. Klacht is daarmee afgehandeld.”
1.3.
Appellant heeft het college in een brief van 9 september 2022 in gebreke gesteld, omdat het college niet tijdig een besluit heeft genomen op zijn bezwaarschrift, op straffe van een dwangsom als het college niet binnen twee weken alsnog een besluit neemt.
1.4.
Met een besluit van 3 oktober 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 23 februari 2023 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek om een dwangsom afgewezen. Daaraan ligt ten grondslag dat volgens het college van een niet-tijdig beslissen op een ingediend bezwaarschrift geen sprake is. Een klachtbehandelaar heeft op 16 juni 2022 telefonisch contact opgenomen met appellant met de vraag of zijn brief van 25 februari 2022 een bezwaarschrift is of een klacht. Appellant heeft hierop geantwoord dat het ging om een klacht over de algehele gang van zaken rondom de schuldhulpverlening. Appellant heeft tegen de klachtbehandelaar gezegd dat hij het hierbij wilde laten en dat de klacht was afgehandeld. Raadpleging van het gemeentelijk zaaksysteem bevestigt deze gang van zaken.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de zaak op zitting behandeld. Appellant was daarbij niet verschenen. Om appellant in de gelegenheid te stellen zijn beroep nader toe te lichten, heeft de rechtbank het onderzoek bij brief heropend en appellant gevraagd schriftelijk te reageren op het standpunt van het college. Appellant heeft daarop niet gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van het verzoek om een dwangsom in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regel die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat geen sprake was van een klacht, maar van een bezwaarschrift. Dat het bezwaarschrift is omgezet naar een klacht is enkel gedaan om aan termijnen en aan een dwangsom te ontsnappen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het volgende is daarbij van belang.
4.1.1.
Appellant heeft ook in hoger beroep de onder 1.2 weergegeven feiten en omstandigheden niet weersproken. Gelet hierop en ook gezien de tekst van de brief van 25 februari 2022 hoefde het college deze brief niet als bezwaarschrift aan te merken en daar dus ook niet op te beslissen.
Conclusie
4.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek om een dwangsom in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2025.
(getekend) E.C.E. Marechal
(getekend) R.L. Rijnen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:17
1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
(…)
3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
(…)