Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-04-30
ECLI:NL:CRVB:2025:713
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,790 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 30 april 2025
23/2300 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juli 2023, 22/5688 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de gemeenschappelijke regeling Openbaar Lichaam Rogplus (Rogplus)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. J. van der Stel, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft in die uitspraak het beroep tegen een besluit van Rogplus van 19 oktober 2022 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Met dit besluit heeft Rogplus de afwijzing van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een traplift op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 gehandhaafd, omdat er op dat moment geen medische noodzaak was voor het verstrekken van een traplift.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 juni 2024. Het onderzoek ter zitting is geschorst.
Met een besluit van 2 september 2024 heeft Rogplus appellante in aanmerking gebracht voor een traplift.
Appellante heeft het hoger beroep op 9 september 2024 ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht Rogplus te veroordelen in de proceskosten. Appellante heeft een formulier proceskosten ingediend.
Rogplus heeft hiertegen op 24 november 2024 verweer gevoerd.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
2. De Raad ziet geen grond om Rogplus te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellante. Hiertoe wordt overwogen dat op grond van artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb alleen een proceskostenveroordeling kan worden uitgesproken indien sprake is van een geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen van Rogplus aan het beroep van appellante. Deze situatie doet zich hier niet voor. Het nieuw genomen besluit is niet het gevolg van gewijzigde inzichten van Rogplus, maar van gewijzigde omstandigheden van appellante. Rogplus heeft besloten dat appellante op basis van de huidige gezondheidssituatie in aanmerking komt voor een traplift. RogPlus heeft het bestreden besluit niet ingetrokken. Het verzoek van appellante om een proceskostenveroordeling zal daarom worden afgewezen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van S.S. Blok als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2025.
(getekend) D. Hardonk-Prins
De griffier is verhinderd te ondertekenen
Inleiding
Datum uitspraak: 30 april 2025
23/2300 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juli 2023, 22/5688 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de gemeenschappelijke regeling Openbaar Lichaam Rogplus (Rogplus)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. J. van der Stel, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft in die uitspraak het beroep tegen een besluit van Rogplus van 19 oktober 2022 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Met dit besluit heeft Rogplus de afwijzing van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een traplift op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 gehandhaafd, omdat er op dat moment geen medische noodzaak was voor het verstrekken van een traplift.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 juni 2024. Het onderzoek ter zitting is geschorst.
Met een besluit van 2 september 2024 heeft Rogplus appellante in aanmerking gebracht voor een traplift.
Appellante heeft het hoger beroep op 9 september 2024 ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht Rogplus te veroordelen in de proceskosten. Appellante heeft een formulier proceskosten ingediend.
Rogplus heeft hiertegen op 24 november 2024 verweer gevoerd.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
2. De Raad ziet geen grond om Rogplus te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellante. Hiertoe wordt overwogen dat op grond van artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb alleen een proceskostenveroordeling kan worden uitgesproken indien sprake is van een geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen van Rogplus aan het beroep van appellante. Deze situatie doet zich hier niet voor. Het nieuw genomen besluit is niet het gevolg van gewijzigde inzichten van Rogplus, maar van gewijzigde omstandigheden van appellante. Rogplus heeft besloten dat appellante op basis van de huidige gezondheidssituatie in aanmerking komt voor een traplift. RogPlus heeft het bestreden besluit niet ingetrokken. Het verzoek van appellante om een proceskostenveroordeling zal daarom worden afgewezen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van S.S. Blok als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2025.
(getekend) D. Hardonk-Prins
De griffier is verhinderd te ondertekenen