Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-01-08
ECLI:NL:CRVB:2025:68
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
8,490 tokens
Inleiding
19/2965 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 mei 2019, 18/3128 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 8 januari 2025
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en een stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 januari 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bogaard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.
Na de zitting is het onderzoek heropend. De Raad heeft psychiater dr. B. van der Wurff benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Op 29 oktober 2021 heeft deze deskundige een rapport uitgebracht.
Partijen hebben hun zienswijze gegeven op dit rapport en hebben gereageerd op vragen van de Raad.
De Raad heeft de zaak behandeld op een comparitiezitting van 17 april 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bogaard en haar moeder [naam moeder] Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.LM. Dunselman.
Op verzoek van de Raad heeft psychiater Van der Wurff op 8 augustus 2024 nader gerapporteerd. Partijen hebben hun zienswijze gegeven op dit rapport.
Het Uwv heeft op 7 november 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen en appellante alsnog per 3 juli 2017 een Wajong-uitkering toegekend.
Appellante heeft verzocht om vergoeding van door haar geleden immateriële schade.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. In verband hiermee heeft de Raad de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) als partij aangemerkt.
Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bogaard en haar moeder [naam moeder] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.LM. Dunselman.
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Appellante is geboren op [geboortedatum] 1998. Zij heeft met een door het Uwv op 3 juli 2017 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante door pijnklachten, veroorzaakt door fibromyalgie, niet in staat is om naar school te gaan of arbeid te verrichten. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van een revalidatiearts en een verklaring van de rector van het [naam school] waar appellante onderwijs heeft gevolgd. Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht en geconcludeerd dat appellante arbeidsvermogen heeft. Bij besluit van 7 september 2017 heeft het Uwv geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Het Uwv heeft met het besluit van 3 april 2018 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 september 2017 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 3 april 2018 ongegrond verklaard en dit besluit in stand gelaten.
Procedure in hoger beroep
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv de ernst van haar pijnklachten heeft onderschat. Haar pijnklachten zijn zo ernstig dat zij niet minimaal vier uur per dag belastbaar is. Appellante krijgt vanaf maart 2019 een behandeling met S-Ketamine om haar de mogelijkheid te bieden haar algemeen dagelijkse levensverrichtingen te blijven uitoefenen. Appellante heeft gevraagd om inschakeling van een onafhankelijke deskundige.
3.2.
Naar aanleiding van de rapporten van psychiater Van der Wurff heeft het Uwv bij besluit van 7 november 2024 aan appellante per 3 juli 2017 een Wajong-uitkering toegekend.
3.3.
Appellante heeft ter zitting van de Raad op 18 november 2024 laten weten dat met het besluit van 7 november 2024 geheel wordt tegemoet gekomen aan haar bezwaren tegen het bestreden besluit. Appellante heeft verzocht om toekenning van schadevergoeding wegens aantasting van haar persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW), vergoeding van de schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn en vergoeding van proceskosten.
Beoordeling
Procesbelang
4.1.
Omdat het Uwv met het besluit van 7 november 2024 is teruggekomen van het bestreden besluit en van het primaire besluit van 7 september 2017 staat de onrechtmatigheid van die besluiten vast. Appellante heeft geen belang meer bij een beoordeling van het bestreden besluit. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.
4.2.
Met het besluit van 7 november 2024 is het Uwv geheel tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellante tegen het bestreden besluit. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het besluit van 7 november 2024 daarom niet in de beoordeling van het hoger beroep betrokken.
Beoordeling
4.3.
Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 8:91 van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat sprake is van een onrechtmatig besluit en dat een oorzakelijk verband aanwezig is tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.
4.4.
Met het de toekenning van de Wajong-uitkering per 3 juli 2017 staat de onrechtmatigheid van het bestreden besluit van 3 april 2018 en het besluit van 7 september 2017 vast. Hieruit vloeit voort dat het Uwv gehouden is om de schade die appellante heeft geleden als gevolg van deze besluiten te vergoeden.
Verzoek tot vergoeding van de immateriële schade op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW
4.5.
Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
4.6.
Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad wordt overwogen dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich beroept op geestelijk letsel, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor vergoeding van immateriële schade is onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het onrechtmatig genomen besluit.
4.7.
Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
4.8.
Appellante heeft naar voren gebracht dat de hardnekkige houding waarmee het Uwv gedurende meer dan zeven jaar heeft volhard om geen Wajong-uitkering toe te kennen heeft geleid tot een wantrouwen jegens het Uwv. Appellante heeft benoemd dat het haar steekt dat haar medische problematiek zo lang is onderschat, dat er door het Uwv niet naar haar is geluisterd en dat zij niet geloofd werd. Ook de omstandigheid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de deskundige Van der Wurff in eerste instantie niet heeft gevolgd in zijn conclusies en bleef verzetten tegen het aanvullend raadplegen van Van der Wurff in 2024 heeft bij appellante geleid tot ergernis en wantrouwen. Appellante heeft verder benoemd dat uit het medisch onderzoeksverslag van 4 september 2017 zou kunnen worden afgeleid dat er een eerdere versie van het verslag heeft bestaan dat mogelijk positiever was voor appellante en dat is vernietigd. Appellante heeft gesteld dat zij het gevoel heeft dat het Uwv informatie heeft achtergehouden. De omstandigheid dat de zaak bijna twee jaar bij de Raad heeft stilgelegen heeft haar vertrouwen in de rechtspraak aangetast. Appellante heeft toegelicht dat bij haar niet alleen sprake is van de gebruikelijke bij een procedure horende spanning en frustratie maar ook van aantasting in de persoon. Dit heeft gevolgen gehad voor haar zelfbeeld. Appellante heeft ter ondersteuning onder meer verwezen naar het rapport van Van der Wurff waarin staat dat haar ontwikkeling stil heeft gestaan.
4.9.
De Raad neemt, ook gegeven de toelichting die appellante ter zitting naar voren heeft gebracht, zonder meer aan dat de wijze waarop de bestreden besluitvorming en de procedure zijn verlopen appellante hebben aangegrepen. De voor appellante ingrijpende procedure in hoger beroep heeft te lang geduurd. Dat heeft bij appellante tot spanning en frustratie geleid en daarvoor biedt de Raad nogmaals excuses aan. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante echter niet aannemelijk gemaakt dat de besluitvorming en de procedure bij haar zodanig ernstig psychisch leed hebben veroorzaakt dat daardoor sprake is van geestelijk letsel. Een medisch objectiveerbare onderbouwing daarvoor, van bijvoorbeeld haar behandelaars, ontbreekt. Ook de rapporten van Van der Wurff bieden geen aanknopingspunten hiervoor. In de rapporten van Van der Wurff komt wel duidelijk naar voren dat sprake is van ernstige pijn en dat de beperkingen en de invloed daarvan op het leven van appellante vanuit psychiatrisch oogpunt ernstig zijn en ook dat appellante daardoor stilstaat in haar ontwikkeling. Maar noch in die rapporten, noch elders in het dossier wordt benoemd of onderbouwd dat dat een gevolg is van de besluitvorming door het Uwv of de procedure. In het dossier zijn ook geen objectiveerbare argumenten te vinden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de somatische symptoomstoornis en het daardoor veroorzaakte psychische lijden zich bij appellante anders zouden hebben ontwikkeld als het Uwv wel direct al in 2017 een Wajong-uitkering had toegekend. Daarom vindt de Raad dat niet kan worden gezegd dat de besluiten hebben geleid tot geestelijk letsel bij appellante.
4.10.
De Raad zal vervolgens bezien of ondanks het ontbreken van geestelijk letsel sprake is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW.
4.11.
Appellante heeft daarover aangevoerd dat zij het gevoel heeft dat het Uwv informatie heeft achtergehouden. Uit het medisch onderzoeksverslag van 4 september 2017 zou kunnen worden afgeleid dat er een eerdere versie van dat verslag (gedateerd 25 augustus 2017) heeft bestaan dat mogelijk positiever was voor appellante en dat is vernietigd. Verder benadrukt appellante de hardnekkigheid waarmee het Uwv volgens haar heeft volgehouden aan zijn onjuiste aanname dat appellante over arbeidsvermogen beschikte. Het Uwv heeft volgens appellante haar pijnklachten steeds weer gebagatelliseerd, de conclusies van de deskundige betwist en zich verzet tegen aanvullende vragen aan de deskundige.
4.12.
In het medisch onderzoeksverslag van 4 september 2017 staat inderdaad dat een eerdere rapportage (van 25 augustus 2017) op enkele punten moest worden aangepast en dat die eerdere rapportage is vernietigd, om verwarring te voorkomen. Uit het verslag van 4 september 2017 blijkt niet op welke punten de eerdere rapportage van 25 augustus 2017 is aangepast, wel dat dat is gebeurd na intern overleg tussen verschillende Uwv-deskundigen. De Raad begrijpt dat appellante graag wil weten wat in de eerdere rapportage stond. Maar de omstandigheid dat het Uwv lijdt aan voortschrijdend inzicht en na intern overleg tot andere inzichten komt is op zichzelf niet onzorgvuldig.
Conclusie
5.1.
Omdat het Uwv aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen, wordt het Uwv veroordeeld in de proceskosten die appellante in verband met haar beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Uwv heeft geen bezwaar gemaakt tegen de door appellante gevorderde en gespecificeerde proceskosten. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 1.814,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-) en € 4.988,50,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen op een (inlichtingen)comparitie en 0,5 punt voor het verschijnen op een nadere zitting, drie keer 0,5 punt voor het geven van een reactie/inlichtingen en twee keer 0,5 punt voor de zienswijze na verslag deskundigenonderzoek, met een waarde per punt van € 907,-). Het totale bedrag van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten bedraagt € 6.802,50,-.
5.2.
Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante voor verleende rechtsbijstand in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn. Die kosten worden begroot op een bedrag van € 453,50 (een punt voor het indienen van het schadeverzoek, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5).
5.3.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 3.500,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 453,50;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 6.802,50,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante de in beroep en in hoger beroep betaalde griffierechten
van in totaal € 174,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door W.R. van der Velde, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2025.
(getekend) W.R. van der Velde
(getekend) S.P.A. Elzer
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1466.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:961.
Zie bijvoorbeeld de arresten van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, en 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278.
Zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, en 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278 en de uitspraken van de Raad van 21 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2530 en 13 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2121.
CRvB 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.
Inleiding
19/2965 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 mei 2019, 18/3128 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 8 januari 2025
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en een stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 januari 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bogaard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.
Na de zitting is het onderzoek heropend. De Raad heeft psychiater dr. B. van der Wurff benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Op 29 oktober 2021 heeft deze deskundige een rapport uitgebracht.
Partijen hebben hun zienswijze gegeven op dit rapport en hebben gereageerd op vragen van de Raad.
De Raad heeft de zaak behandeld op een comparitiezitting van 17 april 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bogaard en haar moeder [naam moeder] Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.LM. Dunselman.
Op verzoek van de Raad heeft psychiater Van der Wurff op 8 augustus 2024 nader gerapporteerd. Partijen hebben hun zienswijze gegeven op dit rapport.
Het Uwv heeft op 7 november 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen en appellante alsnog per 3 juli 2017 een Wajong-uitkering toegekend.
Appellante heeft verzocht om vergoeding van door haar geleden immateriële schade.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. In verband hiermee heeft de Raad de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) als partij aangemerkt.
Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bogaard en haar moeder [naam moeder] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.LM. Dunselman.
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Appellante is geboren op [geboortedatum] 1998. Zij heeft met een door het Uwv op 3 juli 2017 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante door pijnklachten, veroorzaakt door fibromyalgie, niet in staat is om naar school te gaan of arbeid te verrichten. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van een revalidatiearts en een verklaring van de rector van het [naam school] waar appellante onderwijs heeft gevolgd. Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht en geconcludeerd dat appellante arbeidsvermogen heeft. Bij besluit van 7 september 2017 heeft het Uwv geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Het Uwv heeft met het besluit van 3 april 2018 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 september 2017 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 3 april 2018 ongegrond verklaard en dit besluit in stand gelaten.
Procedure in hoger beroep
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv de ernst van haar pijnklachten heeft onderschat. Haar pijnklachten zijn zo ernstig dat zij niet minimaal vier uur per dag belastbaar is. Appellante krijgt vanaf maart 2019 een behandeling met S-Ketamine om haar de mogelijkheid te bieden haar algemeen dagelijkse levensverrichtingen te blijven uitoefenen. Appellante heeft gevraagd om inschakeling van een onafhankelijke deskundige.
3.2.
Naar aanleiding van de rapporten van psychiater Van der Wurff heeft het Uwv bij besluit van 7 november 2024 aan appellante per 3 juli 2017 een Wajong-uitkering toegekend.
3.3.
Appellante heeft ter zitting van de Raad op 18 november 2024 laten weten dat met het besluit van 7 november 2024 geheel wordt tegemoet gekomen aan haar bezwaren tegen het bestreden besluit. Appellante heeft verzocht om toekenning van schadevergoeding wegens aantasting van haar persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW), vergoeding van de schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn en vergoeding van proceskosten.
Beoordeling
Procesbelang
4.1.
Omdat het Uwv met het besluit van 7 november 2024 is teruggekomen van het bestreden besluit en van het primaire besluit van 7 september 2017 staat de onrechtmatigheid van die besluiten vast. Appellante heeft geen belang meer bij een beoordeling van het bestreden besluit. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.
4.2.
Met het besluit van 7 november 2024 is het Uwv geheel tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellante tegen het bestreden besluit. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het besluit van 7 november 2024 daarom niet in de beoordeling van het hoger beroep betrokken.
Beoordeling
4.3.
Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 8:91 van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat sprake is van een onrechtmatig besluit en dat een oorzakelijk verband aanwezig is tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.
4.4.
Met het de toekenning van de Wajong-uitkering per 3 juli 2017 staat de onrechtmatigheid van het bestreden besluit van 3 april 2018 en het besluit van 7 september 2017 vast. Hieruit vloeit voort dat het Uwv gehouden is om de schade die appellante heeft geleden als gevolg van deze besluiten te vergoeden.
Verzoek tot vergoeding van de immateriële schade op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW
4.5.
Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
4.6.
Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad wordt overwogen dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich beroept op geestelijk letsel, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor vergoeding van immateriële schade is onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het onrechtmatig genomen besluit.
4.7.
Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
4.8.
Appellante heeft naar voren gebracht dat de hardnekkige houding waarmee het Uwv gedurende meer dan zeven jaar heeft volhard om geen Wajong-uitkering toe te kennen heeft geleid tot een wantrouwen jegens het Uwv. Appellante heeft benoemd dat het haar steekt dat haar medische problematiek zo lang is onderschat, dat er door het Uwv niet naar haar is geluisterd en dat zij niet geloofd werd. Ook de omstandigheid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de deskundige Van der Wurff in eerste instantie niet heeft gevolgd in zijn conclusies en bleef verzetten tegen het aanvullend raadplegen van Van der Wurff in 2024 heeft bij appellante geleid tot ergernis en wantrouwen. Appellante heeft verder benoemd dat uit het medisch onderzoeksverslag van 4 september 2017 zou kunnen worden afgeleid dat er een eerdere versie van het verslag heeft bestaan dat mogelijk positiever was voor appellante en dat is vernietigd. Appellante heeft gesteld dat zij het gevoel heeft dat het Uwv informatie heeft achtergehouden. De omstandigheid dat de zaak bijna twee jaar bij de Raad heeft stilgelegen heeft haar vertrouwen in de rechtspraak aangetast. Appellante heeft toegelicht dat bij haar niet alleen sprake is van de gebruikelijke bij een procedure horende spanning en frustratie maar ook van aantasting in de persoon. Dit heeft gevolgen gehad voor haar zelfbeeld. Appellante heeft ter ondersteuning onder meer verwezen naar het rapport van Van der Wurff waarin staat dat haar ontwikkeling stil heeft gestaan.
4.9.
De Raad neemt, ook gegeven de toelichting die appellante ter zitting naar voren heeft gebracht, zonder meer aan dat de wijze waarop de bestreden besluitvorming en de procedure zijn verlopen appellante hebben aangegrepen. De voor appellante ingrijpende procedure in hoger beroep heeft te lang geduurd. Dat heeft bij appellante tot spanning en frustratie geleid en daarvoor biedt de Raad nogmaals excuses aan. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante echter niet aannemelijk gemaakt dat de besluitvorming en de procedure bij haar zodanig ernstig psychisch leed hebben veroorzaakt dat daardoor sprake is van geestelijk letsel. Een medisch objectiveerbare onderbouwing daarvoor, van bijvoorbeeld haar behandelaars, ontbreekt. Ook de rapporten van Van der Wurff bieden geen aanknopingspunten hiervoor. In de rapporten van Van der Wurff komt wel duidelijk naar voren dat sprake is van ernstige pijn en dat de beperkingen en de invloed daarvan op het leven van appellante vanuit psychiatrisch oogpunt ernstig zijn en ook dat appellante daardoor stilstaat in haar ontwikkeling. Maar noch in die rapporten, noch elders in het dossier wordt benoemd of onderbouwd dat dat een gevolg is van de besluitvorming door het Uwv of de procedure. In het dossier zijn ook geen objectiveerbare argumenten te vinden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de somatische symptoomstoornis en het daardoor veroorzaakte psychische lijden zich bij appellante anders zouden hebben ontwikkeld als het Uwv wel direct al in 2017 een Wajong-uitkering had toegekend. Daarom vindt de Raad dat niet kan worden gezegd dat de besluiten hebben geleid tot geestelijk letsel bij appellante.
4.10.
De Raad zal vervolgens bezien of ondanks het ontbreken van geestelijk letsel sprake is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW.
4.11.
Appellante heeft daarover aangevoerd dat zij het gevoel heeft dat het Uwv informatie heeft achtergehouden. Uit het medisch onderzoeksverslag van 4 september 2017 zou kunnen worden afgeleid dat er een eerdere versie van dat verslag (gedateerd 25 augustus 2017) heeft bestaan dat mogelijk positiever was voor appellante en dat is vernietigd. Verder benadrukt appellante de hardnekkigheid waarmee het Uwv volgens haar heeft volgehouden aan zijn onjuiste aanname dat appellante over arbeidsvermogen beschikte. Het Uwv heeft volgens appellante haar pijnklachten steeds weer gebagatelliseerd, de conclusies van de deskundige betwist en zich verzet tegen aanvullende vragen aan de deskundige.
4.12.
In het medisch onderzoeksverslag van 4 september 2017 staat inderdaad dat een eerdere rapportage (van 25 augustus 2017) op enkele punten moest worden aangepast en dat die eerdere rapportage is vernietigd, om verwarring te voorkomen. Uit het verslag van 4 september 2017 blijkt niet op welke punten de eerdere rapportage van 25 augustus 2017 is aangepast, wel dat dat is gebeurd na intern overleg tussen verschillende Uwv-deskundigen. De Raad begrijpt dat appellante graag wil weten wat in de eerdere rapportage stond. Maar de omstandigheid dat het Uwv lijdt aan voortschrijdend inzicht en na intern overleg tot andere inzichten komt is op zichzelf niet onzorgvuldig.
Conclusie
5.1.
Omdat het Uwv aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen, wordt het Uwv veroordeeld in de proceskosten die appellante in verband met haar beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Uwv heeft geen bezwaar gemaakt tegen de door appellante gevorderde en gespecificeerde proceskosten. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 1.814,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-) en € 4.988,50,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen op een (inlichtingen)comparitie en 0,5 punt voor het verschijnen op een nadere zitting, drie keer 0,5 punt voor het geven van een reactie/inlichtingen en twee keer 0,5 punt voor de zienswijze na verslag deskundigenonderzoek, met een waarde per punt van € 907,-). Het totale bedrag van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten bedraagt € 6.802,50,-.
5.2.
Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante voor verleende rechtsbijstand in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn. Die kosten worden begroot op een bedrag van € 453,50 (een punt voor het indienen van het schadeverzoek, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5).
5.3.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 3.500,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 453,50;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 6.802,50,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante de in beroep en in hoger beroep betaalde griffierechten
van in totaal € 174,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door W.R. van der Velde, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2025.
(getekend) W.R. van der Velde
(getekend) S.P.A. Elzer
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1466.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:961.
Zie bijvoorbeeld de arresten van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, en 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278.
Zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, en 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278 en de uitspraken van de Raad van 21 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2530 en 13 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2121.
CRvB 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.