Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-04-15
ECLI:NL:CRVB:2025:570
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,334 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 15 april 2025
24/2194 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2024, 23/1436 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Overwegingen
In artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn gaat in op de dag nadat de aangevallen uitspraak aan partijen is bekendgemaakt. Dat volgt uit artikel 6:8 van de Awb. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen of als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Deze regels staan in artikel 6:9 van de Awb. Uit artikel 6:24 van de Awb volgt dat deze bepalingen ook gelden voor het hoger beroep.
Als een beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend, blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege als die overschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot die overschrijding heeft geleid. Bij de beoordeling of hiervan sprake is worden alle omstandigheden van het geval in hun samenhang bezien.
Als het beroepschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, dan moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij de beoordeling niet relevant.
De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 17 juni 2024 in afschrift bij aangetekende brief aan partijen toegezonden. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak had dus uiterlijk op 29 juli 2024 moeten worden ingediend.
Het op 15 september 2024 gedateerde beroepschrift is op 25 september 2024 bij e-mailbericht ontvangen en is dus na afloop van de beroepstermijn ingediend. Bij brief van 25 oktober 2024 is aan appellant gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.
Appellant heeft daarop bij e-mailbericht op 15 november 2024 – kort samengevat – geantwoord dat hij zijn beroepschrift op 15 september 2024 heeft ingediend en dat daarom geen sprake kan zijn van een termijnoverschrijding. Appellant verwijst daarbij naar zijn eerdere correspondentie met de Raad om aan te geven dat hij zijn processtukken steeds tijdig heeft verzonden.
Hierboven is al vastgesteld dat het bij e-mailbericht verzonden beroepschrift na afloop van de beroepstermijn door de Raad is ontvangen. Voor de beoordeling van de tijdigheid van het
e-mailbericht is de ontvangstdatum daarvan doorslaggevend. Daarom maakt het geen verschil dat appellant zijn beroepschrift tien dagen eerder heeft gedateerd. Bovendien zou het beroepschrift ook te laat zijn geweest als het tien dagen eerder zou zijn verzonden.
Appellant heeft door te wijzen op eerder tijdig door hem ingediende processtukken geen bijzondere omstandigheid aangevoerd, die maakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het gaat hier immers niet over omstandigheden die hebben geleid tot het te laat indienen van zijn beroepschrift tegen de aangevallen uitspraak.
Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2025.
(getekend) M.F. Wagner
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
Inleiding
Datum uitspraak: 15 april 2025
24/2194 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2024, 23/1436 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Overwegingen
In artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn gaat in op de dag nadat de aangevallen uitspraak aan partijen is bekendgemaakt. Dat volgt uit artikel 6:8 van de Awb. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen of als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Deze regels staan in artikel 6:9 van de Awb. Uit artikel 6:24 van de Awb volgt dat deze bepalingen ook gelden voor het hoger beroep.
Als een beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend, blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege als die overschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot die overschrijding heeft geleid. Bij de beoordeling of hiervan sprake is worden alle omstandigheden van het geval in hun samenhang bezien.
Als het beroepschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, dan moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij de beoordeling niet relevant.
De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 17 juni 2024 in afschrift bij aangetekende brief aan partijen toegezonden. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak had dus uiterlijk op 29 juli 2024 moeten worden ingediend.
Het op 15 september 2024 gedateerde beroepschrift is op 25 september 2024 bij e-mailbericht ontvangen en is dus na afloop van de beroepstermijn ingediend. Bij brief van 25 oktober 2024 is aan appellant gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.
Appellant heeft daarop bij e-mailbericht op 15 november 2024 – kort samengevat – geantwoord dat hij zijn beroepschrift op 15 september 2024 heeft ingediend en dat daarom geen sprake kan zijn van een termijnoverschrijding. Appellant verwijst daarbij naar zijn eerdere correspondentie met de Raad om aan te geven dat hij zijn processtukken steeds tijdig heeft verzonden.
Hierboven is al vastgesteld dat het bij e-mailbericht verzonden beroepschrift na afloop van de beroepstermijn door de Raad is ontvangen. Voor de beoordeling van de tijdigheid van het
e-mailbericht is de ontvangstdatum daarvan doorslaggevend. Daarom maakt het geen verschil dat appellant zijn beroepschrift tien dagen eerder heeft gedateerd. Bovendien zou het beroepschrift ook te laat zijn geweest als het tien dagen eerder zou zijn verzonden.
Appellant heeft door te wijzen op eerder tijdig door hem ingediende processtukken geen bijzondere omstandigheid aangevoerd, die maakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het gaat hier immers niet over omstandigheden die hebben geleid tot het te laat indienen van zijn beroepschrift tegen de aangevallen uitspraak.
Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2025.
(getekend) M.F. Wagner
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.