Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-04-08
ECLI:NL:CRVB:2025:555
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,662 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 8 april 2025
24/2328 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen:
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Altena (college)
Procesverloop
Bij uitspraak van 26 september 2023, kenmerk 22/1897 PW, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 april 2022 vernietigd, het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit van 19 november 2020 vernietigd en het college opdracht gegeven om een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van wat in die uitspraak is overwogen. Verder heeft de Raad met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door het college nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 26 september 2023 heeft het college op14augustus 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Op 25 september 2024 heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, namens appellant beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 14 augustus 2024.
Overwegingen
In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten.
Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.
Bij brief van 19 november 2024 is de gemachtigde van appellant in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
De gemachtigde van appellant heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 20 december 2024 is aan de gemachtigde van appellant nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellant erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
De gemachtigde van appellant heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2025.
(getekend) M.F. Wagner
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
Inleiding
Datum uitspraak: 8 april 2025
24/2328 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen:
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Altena (college)
Procesverloop
Bij uitspraak van 26 september 2023, kenmerk 22/1897 PW, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 april 2022 vernietigd, het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit van 19 november 2020 vernietigd en het college opdracht gegeven om een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van wat in die uitspraak is overwogen. Verder heeft de Raad met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door het college nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 26 september 2023 heeft het college op14augustus 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Op 25 september 2024 heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, namens appellant beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 14 augustus 2024.
Overwegingen
In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten.
Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.
Bij brief van 19 november 2024 is de gemachtigde van appellant in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
De gemachtigde van appellant heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 20 december 2024 is aan de gemachtigde van appellant nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellant erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
De gemachtigde van appellant heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2025.
(getekend) M.F. Wagner
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.