Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-03-26
ECLI:NL:CRVB:2025:480
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,532 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 26 maart 2025
24/2559 WMO15, 24/2560 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 oktober 2024, 23/5182 en 23/6793
Partijen:
[Appellante] e/v [betrokkene] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. A. Mokamsingh hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Overwegingen
In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Daarnaast kan op grond van artikel 8:24, tweede lid, van de Awb van een belangenbehartiger om een schriftelijke machtiging worden verzocht.
Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden. Bij brief van 23 december 2024 is mr. Mokamsingh in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Ook is bij brief van 23 december 2024 aan mr. Mokamsingh verzocht binnen vier weken een schriftelijke machtiging over te leggen.
Mr. Mokamsingh heeft beide termijnen ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brieven van 23 januari 2025 is aan mr. Mokamsingh nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen en de verlangde machtiging in te zenden. In beide brieven is een termijn van vier weken gesteld en is erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
Mr. Mokamsingh heeft ook deze termijnen ongebruikt voorbij laten gaan.
Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor deze verzuimen. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2025.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
Inleiding
Datum uitspraak: 26 maart 2025
24/2559 WMO15, 24/2560 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 oktober 2024, 23/5182 en 23/6793
Partijen:
[Appellante] e/v [betrokkene] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. A. Mokamsingh hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Overwegingen
In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Daarnaast kan op grond van artikel 8:24, tweede lid, van de Awb van een belangenbehartiger om een schriftelijke machtiging worden verzocht.
Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden. Bij brief van 23 december 2024 is mr. Mokamsingh in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Ook is bij brief van 23 december 2024 aan mr. Mokamsingh verzocht binnen vier weken een schriftelijke machtiging over te leggen.
Mr. Mokamsingh heeft beide termijnen ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brieven van 23 januari 2025 is aan mr. Mokamsingh nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen en de verlangde machtiging in te zenden. In beide brieven is een termijn van vier weken gesteld en is erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
Mr. Mokamsingh heeft ook deze termijnen ongebruikt voorbij laten gaan.
Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor deze verzuimen. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2025.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.