Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-03-11
ECLI:NL:CRVB:2025:423
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Proceskostenveroordeling
1,490 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 11 maart 2025
23/110 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 30 november 2022, 21/530
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Het hoger beroep is op 25 juni 2024 op zitting behandeld. Ter zitting zijn partijen tot een schikking gekomen, waarna appellant het hoger beroep op zitting heeft ingetrokken.
Bij brief van 7 augustus 2024 heeft appellant de Raad verzocht het college te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten.
Het college heeft bij brief van 28 oktober 2024 gereageerd op het verzoek van appellant.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Het verzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard indien dit niet tegelijk is gedaan met de intrekking van het beroep. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat partijen op de zitting van 25 juni 2024 een schikking overeen zijn gekomen. Vervolgens heeft appellant zijn hoger beroep ter zitting ingetrokken en is de procedure beëindigd.
De Raad stelt vast dat het verzoek van appellant om een proceskostenveroordeling niet tegelijk is gedaan met de intrekking van het hoger beroep, nu appellant zijn verzoek op 7 augustus 2024 heeft ingediend. Om deze reden zal de Raad het verzoek niet-ontvankelijk verklaren.
Overigens hebben partijen elkaar op zitting over en weer finale kwijting verleend, wat er toe leidt dat het college niet veroordeeld kan worden in de door appellant gemaakte kosten.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om proceskostenveroordelingniet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2025.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) A. Giesen
Inleiding
Datum uitspraak: 11 maart 2025
23/110 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 30 november 2022, 21/530
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Het hoger beroep is op 25 juni 2024 op zitting behandeld. Ter zitting zijn partijen tot een schikking gekomen, waarna appellant het hoger beroep op zitting heeft ingetrokken.
Bij brief van 7 augustus 2024 heeft appellant de Raad verzocht het college te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten.
Het college heeft bij brief van 28 oktober 2024 gereageerd op het verzoek van appellant.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Het verzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard indien dit niet tegelijk is gedaan met de intrekking van het beroep. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat partijen op de zitting van 25 juni 2024 een schikking overeen zijn gekomen. Vervolgens heeft appellant zijn hoger beroep ter zitting ingetrokken en is de procedure beëindigd.
De Raad stelt vast dat het verzoek van appellant om een proceskostenveroordeling niet tegelijk is gedaan met de intrekking van het hoger beroep, nu appellant zijn verzoek op 7 augustus 2024 heeft ingediend. Om deze reden zal de Raad het verzoek niet-ontvankelijk verklaren.
Overigens hebben partijen elkaar op zitting over en weer finale kwijting verleend, wat er toe leidt dat het college niet veroordeeld kan worden in de door appellant gemaakte kosten.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om proceskostenveroordelingniet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2025.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) A. Giesen