Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-01-09
ECLI:NL:CRVB:2025:312
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste en enige aanleg
3,130 tokens
Inleiding
23/2676 WUV
Datum uitspraak: 9 januari 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (verweerder)
SAMENVATTING
De Raad komt in deze zaak tot het oordeel dat verweerder er terecht van uitgegaan is dat hij met de uitbetaling op de door appellant opgegeven bankrekeningnummers op een juiste wijze heeft voldaan aan zijn verplichtingen tegenover appellant als Wuv-uitkeringsgerechtigde.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 7 augustus 2023, kenmerk BZ011565773 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wuv. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 november 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Beelaard. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Wolfert.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 1 oktober 1998 een periodieke uitkering als vervolgde in de zin van de Wuv. Verder ontvangt appellant ook een AOW-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank.
1.2.
Op 5 december 2003 heeft appellant aan verweerder verzocht de uitkeringen over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer 1] van de Bank of America.
1.3.
Met een e-mailbericht van 30 juli 2021 heeft verweerder aan de voormalig advocaat van appellant bevestigd, dat de Wuv-uitkering op het verzoek van appellant vanaf die dag zal worden overgemaakt op rekeningnummer [rekeningnummer 2] van de Northern Trust bank.
1.4.
In augustus 2021 heeft de toenmalig advocaat van appellant in een brief aan verweerder het standpunt ingenomen dat ‘de uitkering’ ten onrechte is uitbetaald op de door de echtgenote van appellant opgegeven bankrekening. Appellant heeft daardoor jarenlang niets ontvangen en hij meent dat hij nog recht heeft op wat ten onrechte aan zijn echtgenote is uitbetaald.
1.5.
In reactie daarop heeft verweerder met een brief van 1 oktober 2021, met als kenmerk ‘Wuv [nummer] ’ laten weten dat appellant eerst in juli 2021 kenbaar heeft gemaakt dat hij een nieuw bankrekeningnummer heeft. Tot aan dat moment heeft verweerder de Wuvuitkering betaald op de in 2003 opgegeven rekening van de Bank of America.
1.6.
In januari 2023 heeft appellant bij verweerder opnieuw de omstandigheid onder de aandacht gebracht dat zijn ‘volle AOW/WUV-uitkering’ sinds 2016 ten onrechte is uitbetaald aan zijn echtgenote, met wie hij duurzaam gescheiden leeft. Om die reden heeft appellant verzocht een totaalbedrag van € 149.433 ,- aan hem uit te keren.
1.7.
Met een besluit van 8 februari 2023 heeft verweerder appellant wederom meegedeeld dat appellant pas in juli 2021 een ander rekeningnummer heeft doorgegeven en dat tot dat moment de uitkering is betaald op de eerder (in 2003) opgegeven bankrekening. Dat die laatste bankrekening vanwege een in de Verenigde Staten uitgesproken curatele van appellant op naam staat van de curator, maakt dit niet anders. Verweerder stelt in deze brief dat aldus aan de curator bevrijdend is betaald.
1.8.
Met het bestreden besluit van 7 augustus 2023 is het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 8 februari 2023 gehandhaafd. De stelling van appellant dat de Wuv-uitkering vanaf 2016 op een onjuiste bankrekening is uitbetaald, is feitelijk onjuist aldus verweerder.
Beoordeling
2. De Raad beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de argumenten die appellant in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt.
2.1.
De Raad overweegt dat volgens zijn vaste rechtspraak de bestuursrechter niet op alle aangevoerde gronden hoeft in te gaan, maar zich kan beperken tot de kern daarvan.
2.2.
De kern van de zaak is dat appellant met zijn beroep wil bereiken dat verweerder alsnog de Wuv-uitkering over de periode 2016 tot en met juli 2021 uitbetaalt. Als reden hiervoor geeft appellant op dat hij in die periode niet de beschikking heeft gekregen over de maandelijkse betalingen van verweerder. Zijn dochter zou in haar hoedanigheid van curator in de in de Verenigde Staten uitgesproken curatele van appellant een ander bankrekeningnummer hebben opgegeven waarop de uitkeringen zouden zijn overgemaakt.
2.3.
De Raad stelt aan de hand van de processtukken en wat van de kant van verweerder op zitting is verklaard vast dat de Wuv-uitkering vanaf het begin steeds is uitbetaald op de door appellant opgegeven rekening bij de Bank of America en eerst vanaf augustus 2021 op de opgegeven rekening bij Northern Trust. Verweerder is er terecht van uitgegaan dat hij met de uitbetaling op deze bankrekeningnummers op een juiste wijze heeft voldaan aan zijn verplichtingen tegenover appellant. Dit betekent dat het beroep van appellant niet slaagt.
Conclusie
2.4.
Het beroep slaagt niet. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
3. Omdat het beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van N. El Khabazi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2025.
(getekend) H. Lagas
(getekend) N. El Khabazi
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945.
Algemene Ouderdomswet.
Uitspraak van 8 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8746.
Inleiding
23/2676 WUV
Datum uitspraak: 9 januari 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (verweerder)
SAMENVATTING
De Raad komt in deze zaak tot het oordeel dat verweerder er terecht van uitgegaan is dat hij met de uitbetaling op de door appellant opgegeven bankrekeningnummers op een juiste wijze heeft voldaan aan zijn verplichtingen tegenover appellant als Wuv-uitkeringsgerechtigde.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 7 augustus 2023, kenmerk BZ011565773 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wuv. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 november 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Beelaard. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Wolfert.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 1 oktober 1998 een periodieke uitkering als vervolgde in de zin van de Wuv. Verder ontvangt appellant ook een AOW-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank.
1.2.
Op 5 december 2003 heeft appellant aan verweerder verzocht de uitkeringen over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer 1] van de Bank of America.
1.3.
Met een e-mailbericht van 30 juli 2021 heeft verweerder aan de voormalig advocaat van appellant bevestigd, dat de Wuv-uitkering op het verzoek van appellant vanaf die dag zal worden overgemaakt op rekeningnummer [rekeningnummer 2] van de Northern Trust bank.
1.4.
In augustus 2021 heeft de toenmalig advocaat van appellant in een brief aan verweerder het standpunt ingenomen dat ‘de uitkering’ ten onrechte is uitbetaald op de door de echtgenote van appellant opgegeven bankrekening. Appellant heeft daardoor jarenlang niets ontvangen en hij meent dat hij nog recht heeft op wat ten onrechte aan zijn echtgenote is uitbetaald.
1.5.
In reactie daarop heeft verweerder met een brief van 1 oktober 2021, met als kenmerk ‘Wuv [nummer] ’ laten weten dat appellant eerst in juli 2021 kenbaar heeft gemaakt dat hij een nieuw bankrekeningnummer heeft. Tot aan dat moment heeft verweerder de Wuvuitkering betaald op de in 2003 opgegeven rekening van de Bank of America.
1.6.
In januari 2023 heeft appellant bij verweerder opnieuw de omstandigheid onder de aandacht gebracht dat zijn ‘volle AOW/WUV-uitkering’ sinds 2016 ten onrechte is uitbetaald aan zijn echtgenote, met wie hij duurzaam gescheiden leeft. Om die reden heeft appellant verzocht een totaalbedrag van € 149.433 ,- aan hem uit te keren.
1.7.
Met een besluit van 8 februari 2023 heeft verweerder appellant wederom meegedeeld dat appellant pas in juli 2021 een ander rekeningnummer heeft doorgegeven en dat tot dat moment de uitkering is betaald op de eerder (in 2003) opgegeven bankrekening. Dat die laatste bankrekening vanwege een in de Verenigde Staten uitgesproken curatele van appellant op naam staat van de curator, maakt dit niet anders. Verweerder stelt in deze brief dat aldus aan de curator bevrijdend is betaald.
1.8.
Met het bestreden besluit van 7 augustus 2023 is het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 8 februari 2023 gehandhaafd. De stelling van appellant dat de Wuv-uitkering vanaf 2016 op een onjuiste bankrekening is uitbetaald, is feitelijk onjuist aldus verweerder.
Beoordeling
2. De Raad beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de argumenten die appellant in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt.
2.1.
De Raad overweegt dat volgens zijn vaste rechtspraak de bestuursrechter niet op alle aangevoerde gronden hoeft in te gaan, maar zich kan beperken tot de kern daarvan.
2.2.
De kern van de zaak is dat appellant met zijn beroep wil bereiken dat verweerder alsnog de Wuv-uitkering over de periode 2016 tot en met juli 2021 uitbetaalt. Als reden hiervoor geeft appellant op dat hij in die periode niet de beschikking heeft gekregen over de maandelijkse betalingen van verweerder. Zijn dochter zou in haar hoedanigheid van curator in de in de Verenigde Staten uitgesproken curatele van appellant een ander bankrekeningnummer hebben opgegeven waarop de uitkeringen zouden zijn overgemaakt.
2.3.
De Raad stelt aan de hand van de processtukken en wat van de kant van verweerder op zitting is verklaard vast dat de Wuv-uitkering vanaf het begin steeds is uitbetaald op de door appellant opgegeven rekening bij de Bank of America en eerst vanaf augustus 2021 op de opgegeven rekening bij Northern Trust. Verweerder is er terecht van uitgegaan dat hij met de uitbetaling op deze bankrekeningnummers op een juiste wijze heeft voldaan aan zijn verplichtingen tegenover appellant. Dit betekent dat het beroep van appellant niet slaagt.
Conclusie
2.4.
Het beroep slaagt niet. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
3. Omdat het beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van N. El Khabazi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2025.
(getekend) H. Lagas
(getekend) N. El Khabazi
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945.
Algemene Ouderdomswet.
Uitspraak van 8 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8746.