Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-02-13
ECLI:NL:CRVB:2025:267
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
5,026 tokens
Inleiding
23/1018 BABW
Datum uitspraak: 13 februari 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 februari 2023, 21/1765 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
SAMENVATTING
Deze uitspraak gaat over de vraag of het college de aanvraag van betrokkene voor een gehandicaptenparkeerkaart terecht heeft afgewezen. De Raad oordeelt, anders dan de rechtbank, dat dit het geval is. Betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden voor een gehandicaptenparkeerkaart.
Procesverloop
Namens het college is hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. Namens betrokkene heeft mr. M. Ouwerkerk-Hoogendonk, advocaat, een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 november 2024. Het college is niet verschenen. Betrokkene is via een videoverbinding verschenen, bijgestaan door mr. Ouwerkerk-Hoogendonk, die in de zittingzaal aanwezig was.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene heeft EDS (Ehlers-Danlos-syndroom, oftewel hypermobiliteit van de gewrichten), lip- en lymfoedeem en diverse andere aandoeningen. Aan betrokkene is onder meer een rolstoel en een vervoersvoorziening verstrekt. Zij heeft op 12 augustus 2020 een aanvraag ingediend voor een gehandicaptenparkeerkaart (GPK), type bestuurder.
1.2.
Bij besluit van 29 oktober 2020 heeft het college de aanvraag van betrokkene voor een GPK afgewezen, omdat er gelet op het loopvermogen van betrokkene geen medische noodzaak bestaat voor een GPK. Hierbij is verwezen naar het advies van de GGD-arts van 5 juni 2020 en de beoordeling van de GGD-arts van de medische informatie van de revalidatie-arts van betrokkene. Tegen dit besluit heeft betrokkene bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij besluit van 4 juni 2021 (bestreden besluit) heeft het college, onder verwijzing naar een aanvullend medisch advies van 5 mei 2021 van een andere GGD-arts, het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Ook deze GGD-arts heeft betrokkene op het spreekuur gezien en heeft alle medische informatie van de behandelend sector bij het advies betrokken. Tegen dit besluit heeft betrokkene beroep ingesteld.
1.4.
Tijdens de beroepsprocedure heeft betrokkene aanvullende medische informatie van haar revalidatie-arts overgelegd. Het college heeft op die medische informatie en op een vraagstelling van de rechtbank gereageerd, met verwijzing naar aanvullende medische adviezen van de GGD-arts.
1.5.
De rechtbank heeft hierna een deskundige benoemd die een rapport heeft uitgebracht. Partijen hebben hierop gereageerd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft zelf voorzien door het besluit van 29 oktober 2020 te herroepen en te bepalen dat aan betrokkene een GPK wordt toegekend. De rechtbank heeft, anders dan het college, in het rapport van de door haar ingeschakelde deskundige, reden gezien voor de conclusie dat betrokkene niet in staat is om in redelijkheid een afstand van 100 meter aaneengesloten lopend te overbruggen.
Het standpunt van het college
3. Het college is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat het college daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd aan de hand van wat het college in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte op basis van het advies van de deskundige heeft geoordeeld dat betrokkene niet in staat is om in redelijkheid een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen slaagt, gelet op het volgende.
4.1.1.
De deskundige heeft zijn advies gebaseerd op de medische informatie in het dossier en heeft betrokkene in persoon gesproken. De deskundige heeft overwogen dat niet rechtstreeks uit de aandoeningen kan worden vastgesteld dat betrokkene geen 100 meter aaneen kan lopen. Daarom is volgens de deskundige een zorgvuldig onderzoek naar het dagelijks functioneren nodig, dat alleen kan worden verricht aan de hand van een anamnesegesprek, waarin het dagelijks functioneren wordt besproken en waarbij dat functioneren wordt gerelateerd aan de medische situatie. In zijn rapport heeft de deskundige weergegeven dat betrokkene bij het onderzoek aangeeft dat zij (noodgedwongen, vanwege het ontbreken van passende hulpmiddelen) meer dan 100 meter lopend aflegt en dat zij beter in gelijkmatig tempo aaneengesloten kan lopen dan met stops. Nergens uit het door de deskundige onderzochte functioneren van betrokkene blijkt hem dat zij dagelijks de dag door op adequate wijze afstanden van meer dan 100 meter aaneen aflegt. Het is volgens de deskundige bij de verminderde draagkracht van betrokkene een de dag door maken van keuzes welke handelingen wel uit te voeren en welke handelingen te laten schieten. De deskundige heeft uiteengezet dat de loopafstand, zoals betrokkene die bij het onderzoek bij de GGD heeft afgelegd, niet meer dan circa 200 meter bedraagt, hetgeen volgens de deskundige voor een persoon als betrokkene is aan te merken als een ernstige loopbeperking. De deskundige heeft concluderend op de vraag of betrokkene in staat is 100 meter te lopen geantwoord dat betrokkene medische problematiek heeft, die leidt tot een loopbeperking. Deze is duurzaam van aard. Betrokkene is wel in staat één keer op een dag tot ongeveer 200 meter te lopen. Zij is volgens de deskundige echter in redelijkheid niet in staat om de dag door herhaald meer dan 100 meter aaneengesloten lopend af te leggen.
4.1.2.
Uit het rapport van de deskundige valt – net als uit de bevindingen van de GGD – af te leiden dat betrokkene in de te beoordelen periode in staat was een afstand van meer dan 100 meter aaneengesloten lopend af te leggen. Dit komt overeen met wat de behandelend reumatoloog destijds desgevraagd aan de GGD heeft laten weten. In het kader van het onderzoek door de GGD heeft betrokkene ook daadwerkelijk een afstand van meer dan 100 meter lopend afgelegd, alleen al van de parkeerplaats naar de ingang van de onderzoekslocatie. Verder is ook in het deskundigenrapport weergegeven dat het voor betrokkene medisch niet passend is alle loopbelasting door hulpmiddelen en voorzieningen te voorkomen en dat betrokkene in beweging dient te blijven om te voorkomen dat de problematiek door onderbelasting toeneemt.
4.1.3.
Het geheel van feiten en omstandigheden overziend komt de Raad – anders dan de rechtbank – tot de slotsom dat betrokkene in de te beoordelen periode niet voldeed aan de voorwaarde dat zij in redelijkheid niet in staat was zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen.
Conclusie
4.2.
Uit 4.1 tot en met 4.1.3 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
4.3.
Met de vernietiging van de aangevallen uitspraak is de proceskostenveroordeling in deze uitspraak komen te vervallen. Wat het college heeft aangevoerd tegen die proceskostenveroordeling behoeft daarom geen bespreking meer.
5. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep van betrokkene ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins als voorzitter en B. Serno en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2025.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) R.R. Olde Engberink
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW)
Op grond van artikel 49, eerste lid, van het BABW kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij als ingezetene met een adres is ingeschreven in de basisregistratie personen, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.
Regeling gehandicaptenparkeerkaart (Regeling)
Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Regeling kunnen, voor zover van belang, voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen:
a. bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen;
(…)
Inleiding
23/1018 BABW
Datum uitspraak: 13 februari 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 februari 2023, 21/1765 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
SAMENVATTING
Deze uitspraak gaat over de vraag of het college de aanvraag van betrokkene voor een gehandicaptenparkeerkaart terecht heeft afgewezen. De Raad oordeelt, anders dan de rechtbank, dat dit het geval is. Betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden voor een gehandicaptenparkeerkaart.
Procesverloop
Namens het college is hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. Namens betrokkene heeft mr. M. Ouwerkerk-Hoogendonk, advocaat, een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 november 2024. Het college is niet verschenen. Betrokkene is via een videoverbinding verschenen, bijgestaan door mr. Ouwerkerk-Hoogendonk, die in de zittingzaal aanwezig was.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene heeft EDS (Ehlers-Danlos-syndroom, oftewel hypermobiliteit van de gewrichten), lip- en lymfoedeem en diverse andere aandoeningen. Aan betrokkene is onder meer een rolstoel en een vervoersvoorziening verstrekt. Zij heeft op 12 augustus 2020 een aanvraag ingediend voor een gehandicaptenparkeerkaart (GPK), type bestuurder.
1.2.
Bij besluit van 29 oktober 2020 heeft het college de aanvraag van betrokkene voor een GPK afgewezen, omdat er gelet op het loopvermogen van betrokkene geen medische noodzaak bestaat voor een GPK. Hierbij is verwezen naar het advies van de GGD-arts van 5 juni 2020 en de beoordeling van de GGD-arts van de medische informatie van de revalidatie-arts van betrokkene. Tegen dit besluit heeft betrokkene bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij besluit van 4 juni 2021 (bestreden besluit) heeft het college, onder verwijzing naar een aanvullend medisch advies van 5 mei 2021 van een andere GGD-arts, het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Ook deze GGD-arts heeft betrokkene op het spreekuur gezien en heeft alle medische informatie van de behandelend sector bij het advies betrokken. Tegen dit besluit heeft betrokkene beroep ingesteld.
1.4.
Tijdens de beroepsprocedure heeft betrokkene aanvullende medische informatie van haar revalidatie-arts overgelegd. Het college heeft op die medische informatie en op een vraagstelling van de rechtbank gereageerd, met verwijzing naar aanvullende medische adviezen van de GGD-arts.
1.5.
De rechtbank heeft hierna een deskundige benoemd die een rapport heeft uitgebracht. Partijen hebben hierop gereageerd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft zelf voorzien door het besluit van 29 oktober 2020 te herroepen en te bepalen dat aan betrokkene een GPK wordt toegekend. De rechtbank heeft, anders dan het college, in het rapport van de door haar ingeschakelde deskundige, reden gezien voor de conclusie dat betrokkene niet in staat is om in redelijkheid een afstand van 100 meter aaneengesloten lopend te overbruggen.
Het standpunt van het college
3. Het college is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat het college daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd aan de hand van wat het college in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte op basis van het advies van de deskundige heeft geoordeeld dat betrokkene niet in staat is om in redelijkheid een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen slaagt, gelet op het volgende.
4.1.1.
De deskundige heeft zijn advies gebaseerd op de medische informatie in het dossier en heeft betrokkene in persoon gesproken. De deskundige heeft overwogen dat niet rechtstreeks uit de aandoeningen kan worden vastgesteld dat betrokkene geen 100 meter aaneen kan lopen. Daarom is volgens de deskundige een zorgvuldig onderzoek naar het dagelijks functioneren nodig, dat alleen kan worden verricht aan de hand van een anamnesegesprek, waarin het dagelijks functioneren wordt besproken en waarbij dat functioneren wordt gerelateerd aan de medische situatie. In zijn rapport heeft de deskundige weergegeven dat betrokkene bij het onderzoek aangeeft dat zij (noodgedwongen, vanwege het ontbreken van passende hulpmiddelen) meer dan 100 meter lopend aflegt en dat zij beter in gelijkmatig tempo aaneengesloten kan lopen dan met stops. Nergens uit het door de deskundige onderzochte functioneren van betrokkene blijkt hem dat zij dagelijks de dag door op adequate wijze afstanden van meer dan 100 meter aaneen aflegt. Het is volgens de deskundige bij de verminderde draagkracht van betrokkene een de dag door maken van keuzes welke handelingen wel uit te voeren en welke handelingen te laten schieten. De deskundige heeft uiteengezet dat de loopafstand, zoals betrokkene die bij het onderzoek bij de GGD heeft afgelegd, niet meer dan circa 200 meter bedraagt, hetgeen volgens de deskundige voor een persoon als betrokkene is aan te merken als een ernstige loopbeperking. De deskundige heeft concluderend op de vraag of betrokkene in staat is 100 meter te lopen geantwoord dat betrokkene medische problematiek heeft, die leidt tot een loopbeperking. Deze is duurzaam van aard. Betrokkene is wel in staat één keer op een dag tot ongeveer 200 meter te lopen. Zij is volgens de deskundige echter in redelijkheid niet in staat om de dag door herhaald meer dan 100 meter aaneengesloten lopend af te leggen.
4.1.2.
Uit het rapport van de deskundige valt – net als uit de bevindingen van de GGD – af te leiden dat betrokkene in de te beoordelen periode in staat was een afstand van meer dan 100 meter aaneengesloten lopend af te leggen. Dit komt overeen met wat de behandelend reumatoloog destijds desgevraagd aan de GGD heeft laten weten. In het kader van het onderzoek door de GGD heeft betrokkene ook daadwerkelijk een afstand van meer dan 100 meter lopend afgelegd, alleen al van de parkeerplaats naar de ingang van de onderzoekslocatie. Verder is ook in het deskundigenrapport weergegeven dat het voor betrokkene medisch niet passend is alle loopbelasting door hulpmiddelen en voorzieningen te voorkomen en dat betrokkene in beweging dient te blijven om te voorkomen dat de problematiek door onderbelasting toeneemt.
4.1.3.
Het geheel van feiten en omstandigheden overziend komt de Raad – anders dan de rechtbank – tot de slotsom dat betrokkene in de te beoordelen periode niet voldeed aan de voorwaarde dat zij in redelijkheid niet in staat was zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen.
Conclusie
4.2.
Uit 4.1 tot en met 4.1.3 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
4.3.
Met de vernietiging van de aangevallen uitspraak is de proceskostenveroordeling in deze uitspraak komen te vervallen. Wat het college heeft aangevoerd tegen die proceskostenveroordeling behoeft daarom geen bespreking meer.
5. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep van betrokkene ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins als voorzitter en B. Serno en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2025.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) R.R. Olde Engberink
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW)
Op grond van artikel 49, eerste lid, van het BABW kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij als ingezetene met een adres is ingeschreven in de basisregistratie personen, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.
Regeling gehandicaptenparkeerkaart (Regeling)
Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Regeling kunnen, voor zover van belang, voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen:
a. bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen;
(…)