Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-01-14
ECLI:NL:CRVB:2025:219
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,280 tokens
Inleiding
232411 AOW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juli 2023, 21/5293 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 14 januari 2025
Zitting heeft: P.W. van Straalen
Griffier: M. Ramanand
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 januari 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.A.S. Maduro, advocaat. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. van der Voorn.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
In deze zaak gaat het om de vraag of de Svb terecht aan appellant een gehuwdenpensioen op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW) heeft toegekend. Hieraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellant met zijn ex-partner een gezamenlijke huishouding voert omdat zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en uit hun relatie kinderen zijn geboren. Appellant stelt dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding en dat hij daarom recht heeft op een ouderdomspensioen voor een alleenstaande. Die grond slaagt niet.
Appellant verleende twee dagen per week betaald zorg aan [naam ex-partner] en één dag per week doet hij dat onbetaald. Hij was dan de gehele dag, de avond en de nacht bij [naam ex-partner] . Op de vier andere dagen werd de zorg aan [naam ex-partner] overdag verleend door twee dochters van appellant en [naam ex-partner] . Op die dagen was appellant de avonden en de nachten bij [naam ex-partner] . Appellant heeft bij de rechtbank verklaard dat zijn kleding in de woning van [naam ex-partner] lag en dat hij daar zijn verzorgingsproducten had. Hij heeft bij de rechtbank ook verklaard dat hij geen kleding heeft in zijn eigen woning. Die woning verhuurt hij aan twee huurders en hij kan daar alleen gebruik maken van de voorkamer. Die is te klein om zijn kleding te bewaren. Appellant nuanceert in hoger beroep zijn verklaring dat hij op verschillende plekken kleding had liggen en slechts beperkt verzorgingsproducten gebruikt, maar de Raad kent aan die ter zitting gewijzigde verklaring geen betekenis toe. De woning van [naam ex-partner] vormde gelet op het geheel van feiten en omstandigheden voor appellant het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven. Dat was de plek waar hij overwegend was, van waar hij naar elders vertrok om daar weer terug te keren. Daar lag het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven. Waarom dat zo was, is voor het antwoord op de vraag waar hij zijn hoofdverblijf had niet relevant. Gelet op het voorgaande komt geen betekenis toe aan de omstandigheid dat de gemeente Rotterdam na een onderzoek in 2015 aan [naam ex-partner] bijstand naar de norm voor een alleenstaande heeft toegekend.
Omdat uit de relatie van appellant en [naam ex-partner] kinderen zijn geboren is het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de AOW van toepassing. Anders dan appellant aanvoert, is voor de toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden voldoende dat uit de relatie van [naam ex-partner] en appellant kinderen zijn geboren. Niet van belang is hun leeftijd, of de omstandigheid dat de kinderen op enig moment uit huis zijn geplaatst.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van het AOW-pensioen naar de norm voor gehuwden in stand blijft.
Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) M. Ramanand (getekend) P.W. van Straalen
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.
Inleiding
232411 AOW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juli 2023, 21/5293 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 14 januari 2025
Zitting heeft: P.W. van Straalen
Griffier: M. Ramanand
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 januari 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.A.S. Maduro, advocaat. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. van der Voorn.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
In deze zaak gaat het om de vraag of de Svb terecht aan appellant een gehuwdenpensioen op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW) heeft toegekend. Hieraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellant met zijn ex-partner een gezamenlijke huishouding voert omdat zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en uit hun relatie kinderen zijn geboren. Appellant stelt dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding en dat hij daarom recht heeft op een ouderdomspensioen voor een alleenstaande. Die grond slaagt niet.
Appellant verleende twee dagen per week betaald zorg aan [naam ex-partner] en één dag per week doet hij dat onbetaald. Hij was dan de gehele dag, de avond en de nacht bij [naam ex-partner] . Op de vier andere dagen werd de zorg aan [naam ex-partner] overdag verleend door twee dochters van appellant en [naam ex-partner] . Op die dagen was appellant de avonden en de nachten bij [naam ex-partner] . Appellant heeft bij de rechtbank verklaard dat zijn kleding in de woning van [naam ex-partner] lag en dat hij daar zijn verzorgingsproducten had. Hij heeft bij de rechtbank ook verklaard dat hij geen kleding heeft in zijn eigen woning. Die woning verhuurt hij aan twee huurders en hij kan daar alleen gebruik maken van de voorkamer. Die is te klein om zijn kleding te bewaren. Appellant nuanceert in hoger beroep zijn verklaring dat hij op verschillende plekken kleding had liggen en slechts beperkt verzorgingsproducten gebruikt, maar de Raad kent aan die ter zitting gewijzigde verklaring geen betekenis toe. De woning van [naam ex-partner] vormde gelet op het geheel van feiten en omstandigheden voor appellant het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven. Dat was de plek waar hij overwegend was, van waar hij naar elders vertrok om daar weer terug te keren. Daar lag het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven. Waarom dat zo was, is voor het antwoord op de vraag waar hij zijn hoofdverblijf had niet relevant. Gelet op het voorgaande komt geen betekenis toe aan de omstandigheid dat de gemeente Rotterdam na een onderzoek in 2015 aan [naam ex-partner] bijstand naar de norm voor een alleenstaande heeft toegekend.
Omdat uit de relatie van appellant en [naam ex-partner] kinderen zijn geboren is het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de AOW van toepassing. Anders dan appellant aanvoert, is voor de toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden voldoende dat uit de relatie van [naam ex-partner] en appellant kinderen zijn geboren. Niet van belang is hun leeftijd, of de omstandigheid dat de kinderen op enig moment uit huis zijn geplaatst.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van het AOW-pensioen naar de norm voor gehuwden in stand blijft.
Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) M. Ramanand (getekend) P.W. van Straalen
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.