Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-06-06
ECLI:NL:CRVB:2025:1911
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,039 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:CRVB:2025:1911 text/xml public 2026-03-23T07:27:16 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2025-06-06 24/506 WMO15 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2025:1911 text/html public 2026-03-23T07:24:49 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2025:1911 Centrale Raad van Beroep , 06-06-2025 / 24/506 WMO15 Afwijzing aanvraag om om drempelhulpen voor de berging. Terecht geoordeeld dat appellante haar vuilcontainers in de voortuin kan plaatsen in plaats van in de berging. Geen sprake van een beperking in de zelfredzaamheid als bedoeld in de Wmo 2015. Afwijzing verzoek om schadevergoeding. 24/506 WMO15 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 januari 2024, 22/5056 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Breda (college) Datum uitspraak: 5 juni 2025 SAMENVATTING In deze zaak is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat het college de aanvraag van appellante om drempelhulpen voor de berging terecht heeft geweigerd. Appellante kan haar vuilcontainers namelijk in de voortuin plaatsen in plaats van in de berging. Er is dus geen sprake van een beperking in de zelfredzaamheid als bedoeld in de Wmo 2015. Het verzoek van appellante om schadevergoeding wordt afgewezen. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. S. Klootwijk, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 april 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. S.E.C. Segeren, een kantoorgenoot van mr. Klootwijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.L. Verbunt en E. van de Vijver. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante, geboren in 1937, heeft beperkingen in haar mobiliteit. Zij heeft een revalidatietraject in een woonzorgcentrum ondergaan. Om na haar revalidatie terug te kunnen keren naar haar woning heeft zij in december 2019 een melding gedaan bij de gemeente Breda in verband met haar zelfredzaamheid. 1.2. In juli 2020 heeft appellante woningaanpassingen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) aangevraagd. Het college heeft met het besluit van 15 september 2020 verhuis- en inrichtingskosten toegekend met als doel verhuizing naar een geschikte ‘nultredenwoning’. 1.3. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het college met het besluit van 25 september 2022 (bestreden besluit) gedeeltelijk gegrond verklaard. Naar aanleiding van een advies van de Commissie Sociaal Domein heeft het college besloten om een traplift en drempelhulpen bij de voor- en achterdeur te verstrekken, maar geweigerd om drempelhulpen bij de berging te verstrekken. Aan deze weigering heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de vuilcontainers, waarvoor zij de drempelhulpen in de berging nodig stelt te hebben, ook in de voortuin kan plaatsen. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft het college gevolgd in het standpunt dat appellante de vuilcontainers in de voortuin kan plaatsen. Drempelhulpen bij de berging zijn dan niet nodig. Omdat op dit punt geen sprake is van een beperking in de zelfredzaamheid van appellante, heeft het college terecht geweigerd drempelhulpen bij de berging te verstrekken. Het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank afgewezen. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij voert aan dat het college ten onrechte de drempelhulpen bij de berging heeft geweigerd. Daarnaast vordert zij schadevergoeding. Zij voert in dit verband aan dat de besluitvorming erg lang heeft geduurd en dat het daardoor ook erg lang heeft geduurd vooraleer zij weer in haar woning kon gaan wonen. Ter zitting bij de Raad heeft appellante haar verzoek om schadevergoeding toegelicht en toegespitst op artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb (schadevergoeding wegens het niet tijdig nemen van een besluit). Zij heeft door de lange duur van de besluitvorming extra kosten gemaakt. Zij heeft immers haar eigen woning moeten aanhouden terwijl zij in een woonzorgcentrum verbleef. Appellante heeft de schade begroot op een totaalbedrag van € 44.957,85. Die schade bestaat enerzijds uit de kosten die zij in de periode van 2020 tot en met 2023 voor haar eigen woning heeft gemaakt in verband met de huur, facturen van Ziggo en kosten voor gas, water en elektriciteit. Anderzijds heeft zij als schade gesteld de in 2023 betaalde eigen bijdrage voor intramurale zorg. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 4.1. De rechtbank heeft het college terecht gevolgd in het standpunt dat de drempelhulpen bij de berging in de achtertuin van appellante niet nodig zijn, omdat appellante de vuilcontainers in de voortuin kan plaatsen. Dat dit volgens de gemeentelijke regels niet is toegestaan, zoals appellante heeft gesteld, is niet gebleken. Appellante heeft verder niet weersproken dat de buren de vuilcontainers ook in de voortuin plaatsen. Dat appellante al 63 jaar haar vuilcontainers in de berging heeft staan, is niet bepalend bij het toekennen of weigeren van een maatwerkvoorziening. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat op dit punt geen sprake is van een beperking in de zelfredzaamheid van appellante. Het college heeft dan ook terecht geweigerd de drempelhulpen bij de berging te verstrekken. Verzoek om schadevergoeding 5. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van het niet tijdig nemen van een besluit. De enkele omstandigheid dat een bestuursorgaan een besluit neemt met overschrijding van een wettelijke beslistermijn is onvoldoende voor een vergoeding van de schade. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig die meebrengen dat het bestuursorgaan door de termijnoverschrijding in strijd handelt met de in het maatschappelijk verkeer jegens een belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid. 5.1. De schadevergoeding die appellante vordert komt niet voor toewijzing in aanmerking. Hierbij is het volgende van belang. Appellante heeft in de eerste plaats schadevergoeding gevorderd voor de door haar gemaakte kosten in verband met het aanhouden van haar eigen woning (huur, Ziggo, gas, water en elektriciteit), gedurende de periode van 2020 tot en met 2023. In die periode verbleef zij in een woonzorgcentrum. Als het bestreden besluit binnen de wettelijke beslistermijn was genomen had appellante die kosten voor het aanhouden van haar woning echter ook moeten maken. Al om deze reden komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Verder heeft appellante als schade gevorderd de eigen bijdrage die zij in 2023 voor de intramurale zorg in het woonzorgcentrum heeft betaald. Deze kosten zijn echter gemaakt nadat het bestreden besluit al was genomen. De Raad wijst het verzoek om schadevergoeding dan ook af. Conclusie en gevolgen 6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Het verzoek in hoger beroep om schadevergoeding wordt afgewezen. 7.