Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-11-07
ECLI:NL:CRVB:2025:1669
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,632 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 7 november 2025
23/646 WSFBSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 februari 2023, 21/1417
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Op 13 mei 2024 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Appellant heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr. Schriemer.
Op 12 november 2024 heeft de minister de Raad een brief gestuurd waaruit viel af te leiden dat de minister volledig aan de bezwaren van appellant tegemoet ging komen. De Raad heeft deze brief op 17 december 2024 aan appellant doorgestuurd en aan appellant gevraagd of hij het hoger beroep wilde handhaven. Op die vraag heeft appellant niet gereageerd.
De Raad heeft partijen tevens gewezen op hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De minister heeft de Raad binnen de gestelde reactietermijn een kopie doen toekomen van een besluit van 27 december 2024. Bij dit besluit heeft de minister de in dit geding door appellant bestreden besluiten ongedaan gemaakt en € 4.933,- aan appellant toegekend voor de in bezwaar, beroep en hoger beroep gemaakte (proces)kosten en de betaalde griffierechten. Ook heeft de minister het achterstallige bedrag aan studiefinanciering nabetaald en daarbij tevens wettelijke rente vergoed.
Omdat geen van beide partijen binnen de reactietermijn om een nadere zitting heeft gevraagd, heeft de Raad met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. Daarna heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.
Overwegingen
Het nadere besluit van 27 december 2024 komt geheel tegemoet aan het (hoger) beroep van appellant. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb wordt dit besluit daarom niet in de beoordeling van het hoger beroep betrokken. Verder is niet gebleken dat appellant nog enig belang heeft bij de beoordeling van het hoger beroep. De Raad zal het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid vanA.Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2025.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
Inleiding
Datum uitspraak: 7 november 2025
23/646 WSFBSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 februari 2023, 21/1417
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Op 13 mei 2024 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Appellant heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr. Schriemer.
Op 12 november 2024 heeft de minister de Raad een brief gestuurd waaruit viel af te leiden dat de minister volledig aan de bezwaren van appellant tegemoet ging komen. De Raad heeft deze brief op 17 december 2024 aan appellant doorgestuurd en aan appellant gevraagd of hij het hoger beroep wilde handhaven. Op die vraag heeft appellant niet gereageerd.
De Raad heeft partijen tevens gewezen op hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De minister heeft de Raad binnen de gestelde reactietermijn een kopie doen toekomen van een besluit van 27 december 2024. Bij dit besluit heeft de minister de in dit geding door appellant bestreden besluiten ongedaan gemaakt en € 4.933,- aan appellant toegekend voor de in bezwaar, beroep en hoger beroep gemaakte (proces)kosten en de betaalde griffierechten. Ook heeft de minister het achterstallige bedrag aan studiefinanciering nabetaald en daarbij tevens wettelijke rente vergoed.
Omdat geen van beide partijen binnen de reactietermijn om een nadere zitting heeft gevraagd, heeft de Raad met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. Daarna heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.
Overwegingen
Het nadere besluit van 27 december 2024 komt geheel tegemoet aan het (hoger) beroep van appellant. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb wordt dit besluit daarom niet in de beoordeling van het hoger beroep betrokken. Verder is niet gebleken dat appellant nog enig belang heeft bij de beoordeling van het hoger beroep. De Raad zal het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid vanA.Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2025.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.