Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-11-06
ECLI:NL:CRVB:2025:1651
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
6,834 tokens
Inleiding
23/2768 MPW
Datum uitspraak: 6 november 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 augustus 2023, 23/477 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)
SAMENVATTING
In deze zaak oordeelt de Raad – net als de rechtbank – dat de staatssecretaris terecht het militaire nabestaandenpensioen van appellante nader heeft vastgesteld (gekort) omdat zij een geregistreerd partnerschap is aangegaan. Er is geen sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid, van inbreuk op het recht op gezinsleven, van schending van het evenredigheidsbeginsel of van een situatie dat toepassing had moeten worden gegeven aan de hardheidsclausule.
Procesverloop
Namens appellante hebben [naam] en mr. N. Ramadhin hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 oktober 2025. Namens appellante zijn [naam] en Ramadhin verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J.A. Aerts.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is getrouwd geweest met een (voormalig) militair. Als gevolg van zijn overlijden op [datum] 2001 is aan appellante een bijzonder militair nabestaandenpensioen (BMNP) toegekend.
1.2.
Op 11 april 2022 is appellante een geregistreerd partnerschap aangegaan. Dat heeft ertoe geleid dat de staatssecretaris met een besluit van 19 april 2022 het aan appellante toekomende BMNP met ingang van 1 mei 2022 blijvend op een lager bedrag heeft vastgesteld. Daarbij heeft de staatssecretaris vermeld dat er daarnaast een korting op het nabestaandenpensioen zal worden toegepast, omdat appellante recht heeft op de helft van een algemeen ouderdomspensioen voor gehuwden.
1.3.
Met een besluit van 29 november 2022 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 april 2022 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat het bestreden besluit niet in strijd is met het discriminatieverbod. Er is geen aanleiding om geregistreerde partners niet als gehuwde maar als ongehuwde stellen te behandelen, omdat het geregistreerd partnerschap wat betreft rechten en verplichtingen gelijk is gesteld met het huwelijk. Daarbij komt dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens over het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden in het kader van sociaaleconomische regelgeving heeft overwogen dat de situatie van ongehuwd samenwonenden niet gelijk is aan de situatie van gehuwden. Dit maakt dat de staatssecretaris terecht een onderscheid heeft gemaakt tussen stellen met een geregistreerd partnerschap en ongehuwde stellen die samenwonen. Verder is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet onevenredig is. Ondanks dat appellante op de hoogte was van de substantiële achteruitgang aan inkomen bij het aangaan van een geregistreerd partnerschap, het beperkte vermogen en inkomen van haar partner en haar beperkte mogelijkheden om inkomen te verwerven door haar leeftijd en gezondheid heeft zij toch gekozen voor een geregistreerd partnerschap. Daarbij is niet gebleken dat appellante met het vastgestelde nabestaandenpensioen onder het sociaal minimum terecht is gekomen. Tot slot is de rechtbank met de staatssecretaris van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om toepassing te geven aan de hardheidsclausule in artikel 22 van het Besluit bijzondere militaire pensioenen. Niet is gebleken van een bijzonder geval waarbij het bestreden besluit een onredelijke uitkomst heeft, aldus de rechtbank.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak niet eens. Wat zij hiertegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is grotendeels een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden besproken en gemotiveerd waarom deze niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad kan zich vinden in de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank en verwijst daarnaar. Naar aanleiding van het hoger beroep voegt de Raad daar het volgende aan toe.
4.2.
Appellante heeft in hoger beroep nog aangevoerd dat onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen het onderscheid tussen het aangaan van huwelijken/geregistreerd partnerschappen en andere affectieve samenlevingsvormen in het (overheids)pensioenstelsel zo goed als verdwenen is. Dit geldt echter niet voor het Besluit bijzondere militaire pensioenen, waardoor het recht van appellante op ‘family life’ wordt geschonden. Haar keuze voor een geregistreerd partnerschap wordt gesanctioneerd met een korting van haar BMNP.
4.3.
De Raad volgt appellante hierin niet. Dat er in het Besluit bijzondere militaire pensioenen financiële consequenties worden verbonden aan het aangaan van een geregistreerd partnerschap betekent niet dat daarmee een inbreuk wordt gemaakt op het recht op gezinsleven van appellante. Het Besluit bijzondere militaire pensioenen staat er niet aan in de weg dat appellante haar relatie met haar partner vormgeeft op de door haar gewenste wijze. Appellante heeft dat ook daadwerkelijk gedaan. Van belang is verder dat er andere mogelijkheden waren om het met het aangaan van het geregistreerd partnerschap door appellante beoogde doel, namelijk dat zij en haar partner elkaar in juridische zin kunnen vertegenwoordigen (bijvoorbeeld bij medische instanties), te realiseren. Appellante is om haar moverende redenen en terwijl zij op de hoogte was van de consequenties van die keuze met haar partner een geregistreerd partnerschap aangegaan. Dat die keuze het gevolg heeft dat er een korting op haar BMNP plaatsvindt, leidt echter niet tot de conclusie dat er met het Besluit bijzondere militaire pensioenen, dan wel met de daarop gebaseerde besluitvorming van de staatssecretaris inbreuk wordt gemaakt op het gezinsleven van appellante.
Conclusie
4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het besluit van 29 november 2022 en daarmee de korting op het BMNP van appellante in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en Y. Sneevliet en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2025.
(getekend) H. Lagas
(getekend) M. Dafir
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Besluit bijzondere militaire pensioenen
Artikel 9
1. Het partnerpensioen en het tijdelijk partnerpensioen bedragen vijf zevende gedeelten van het invaliditeitspensioen, zoals dat ingevolge de artikelen 6, 7 en 8 kan worden vastgesteld.
2. Op het partnerpensioen en het tijdelijk partnerpensioen wordt zoveel procent van de Anwuitkering of het AOW-pensioen van de rechthebbende in mindering gebracht als de te hanteren mate van invaliditeit met dienstverband beloopt.
3. Het partnerpensioen en de korting, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden bij een volgend huwelijk van de rechthebbende of een volgende aanmerking als partner in de zin van het pensioenreglement, te rekenen van de eerste dag van de maand, volgend op die waarin dat huwelijk of die aanmerking heeft plaatsgevonden, blijvend nader vastgesteld. Die nadere vaststelling vindt plaats door vermenigvuldiging van het pensioenbedrag met een breuk waarvan de teller, tot een minimum van 20, bestaat uit de voor pensioen geldige diensttijd die de militair op grond van de betrekking waarin zijn invaliditeit met dienstverband is ontstaan op het moment van zijn overlijden krachtens het pensioenreglement kon aanwijzen, en de noemer gelijk is aan 40. Het tijdelijk partnerpensioen vervalt op de bedoelde dag.
(…)
Op grond van het Besluit bijzondere militaire pensioenen.
Artikel 9, derde lid, van het Besluit bijzondere militaire pensioenen.
Op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).
Zoals bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Inleiding
23/2768 MPW
Datum uitspraak: 6 november 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 augustus 2023, 23/477 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)
SAMENVATTING
In deze zaak oordeelt de Raad – net als de rechtbank – dat de staatssecretaris terecht het militaire nabestaandenpensioen van appellante nader heeft vastgesteld (gekort) omdat zij een geregistreerd partnerschap is aangegaan. Er is geen sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid, van inbreuk op het recht op gezinsleven, van schending van het evenredigheidsbeginsel of van een situatie dat toepassing had moeten worden gegeven aan de hardheidsclausule.
Procesverloop
Namens appellante hebben [naam] en mr. N. Ramadhin hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 oktober 2025. Namens appellante zijn [naam] en Ramadhin verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J.A. Aerts.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is getrouwd geweest met een (voormalig) militair. Als gevolg van zijn overlijden op [datum] 2001 is aan appellante een bijzonder militair nabestaandenpensioen (BMNP) toegekend.
1.2.
Op 11 april 2022 is appellante een geregistreerd partnerschap aangegaan. Dat heeft ertoe geleid dat de staatssecretaris met een besluit van 19 april 2022 het aan appellante toekomende BMNP met ingang van 1 mei 2022 blijvend op een lager bedrag heeft vastgesteld. Daarbij heeft de staatssecretaris vermeld dat er daarnaast een korting op het nabestaandenpensioen zal worden toegepast, omdat appellante recht heeft op de helft van een algemeen ouderdomspensioen voor gehuwden.
1.3.
Met een besluit van 29 november 2022 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 april 2022 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat het bestreden besluit niet in strijd is met het discriminatieverbod. Er is geen aanleiding om geregistreerde partners niet als gehuwde maar als ongehuwde stellen te behandelen, omdat het geregistreerd partnerschap wat betreft rechten en verplichtingen gelijk is gesteld met het huwelijk. Daarbij komt dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens over het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden in het kader van sociaaleconomische regelgeving heeft overwogen dat de situatie van ongehuwd samenwonenden niet gelijk is aan de situatie van gehuwden. Dit maakt dat de staatssecretaris terecht een onderscheid heeft gemaakt tussen stellen met een geregistreerd partnerschap en ongehuwde stellen die samenwonen. Verder is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet onevenredig is. Ondanks dat appellante op de hoogte was van de substantiële achteruitgang aan inkomen bij het aangaan van een geregistreerd partnerschap, het beperkte vermogen en inkomen van haar partner en haar beperkte mogelijkheden om inkomen te verwerven door haar leeftijd en gezondheid heeft zij toch gekozen voor een geregistreerd partnerschap. Daarbij is niet gebleken dat appellante met het vastgestelde nabestaandenpensioen onder het sociaal minimum terecht is gekomen. Tot slot is de rechtbank met de staatssecretaris van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om toepassing te geven aan de hardheidsclausule in artikel 22 van het Besluit bijzondere militaire pensioenen. Niet is gebleken van een bijzonder geval waarbij het bestreden besluit een onredelijke uitkomst heeft, aldus de rechtbank.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak niet eens. Wat zij hiertegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is grotendeels een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden besproken en gemotiveerd waarom deze niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad kan zich vinden in de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank en verwijst daarnaar. Naar aanleiding van het hoger beroep voegt de Raad daar het volgende aan toe.
4.2.
Appellante heeft in hoger beroep nog aangevoerd dat onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen het onderscheid tussen het aangaan van huwelijken/geregistreerd partnerschappen en andere affectieve samenlevingsvormen in het (overheids)pensioenstelsel zo goed als verdwenen is. Dit geldt echter niet voor het Besluit bijzondere militaire pensioenen, waardoor het recht van appellante op ‘family life’ wordt geschonden. Haar keuze voor een geregistreerd partnerschap wordt gesanctioneerd met een korting van haar BMNP.
4.3.
De Raad volgt appellante hierin niet. Dat er in het Besluit bijzondere militaire pensioenen financiële consequenties worden verbonden aan het aangaan van een geregistreerd partnerschap betekent niet dat daarmee een inbreuk wordt gemaakt op het recht op gezinsleven van appellante. Het Besluit bijzondere militaire pensioenen staat er niet aan in de weg dat appellante haar relatie met haar partner vormgeeft op de door haar gewenste wijze. Appellante heeft dat ook daadwerkelijk gedaan. Van belang is verder dat er andere mogelijkheden waren om het met het aangaan van het geregistreerd partnerschap door appellante beoogde doel, namelijk dat zij en haar partner elkaar in juridische zin kunnen vertegenwoordigen (bijvoorbeeld bij medische instanties), te realiseren. Appellante is om haar moverende redenen en terwijl zij op de hoogte was van de consequenties van die keuze met haar partner een geregistreerd partnerschap aangegaan. Dat die keuze het gevolg heeft dat er een korting op haar BMNP plaatsvindt, leidt echter niet tot de conclusie dat er met het Besluit bijzondere militaire pensioenen, dan wel met de daarop gebaseerde besluitvorming van de staatssecretaris inbreuk wordt gemaakt op het gezinsleven van appellante.
Conclusie
4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het besluit van 29 november 2022 en daarmee de korting op het BMNP van appellante in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en Y. Sneevliet en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2025.
(getekend) H. Lagas
(getekend) M. Dafir
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Besluit bijzondere militaire pensioenen
Artikel 9
1. Het partnerpensioen en het tijdelijk partnerpensioen bedragen vijf zevende gedeelten van het invaliditeitspensioen, zoals dat ingevolge de artikelen 6, 7 en 8 kan worden vastgesteld.
2. Op het partnerpensioen en het tijdelijk partnerpensioen wordt zoveel procent van de Anwuitkering of het AOW-pensioen van de rechthebbende in mindering gebracht als de te hanteren mate van invaliditeit met dienstverband beloopt.
3. Het partnerpensioen en de korting, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden bij een volgend huwelijk van de rechthebbende of een volgende aanmerking als partner in de zin van het pensioenreglement, te rekenen van de eerste dag van de maand, volgend op die waarin dat huwelijk of die aanmerking heeft plaatsgevonden, blijvend nader vastgesteld. Die nadere vaststelling vindt plaats door vermenigvuldiging van het pensioenbedrag met een breuk waarvan de teller, tot een minimum van 20, bestaat uit de voor pensioen geldige diensttijd die de militair op grond van de betrekking waarin zijn invaliditeit met dienstverband is ontstaan op het moment van zijn overlijden krachtens het pensioenreglement kon aanwijzen, en de noemer gelijk is aan 40. Het tijdelijk partnerpensioen vervalt op de bedoelde dag.
(…)
Op grond van het Besluit bijzondere militaire pensioenen.
Artikel 9, derde lid, van het Besluit bijzondere militaire pensioenen.
Op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).
Zoals bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2025:1651 text/xml public 2026-02-06T10:08:53 2025-11-18 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2025-11-06 23/2768 MPW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Ambtenarenrecht Rechtspraak.nl ABkort 2025/213 PR-Updates.nl 2025-0222 PJ 2026/10 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2025:1651 text/html public 2025-11-19T17:11:15 2025-11-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2025:1651 Centrale Raad van Beroep , 06-11-2025 / 23/2768 MPW Nadere vaststelling (korting) op bijzonder militair nabestaandenpensioen (BMNP) op de grond dat appellante een geregistreerd partnerschap is aangegaan terecht. Geen sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid, van inbreuk op het recht op gezinsleven, van schending van het evenredigheidsbeginsel of van een situatie dat toepassing had moeten worden gegeven aan de hardheidsclausule. 23/2768 MPW Datum uitspraak: 6 november 2025 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 augustus 2023, 23/477 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris) SAMENVATTING In deze zaak oordeelt de Raad – net als de rechtbank – dat de staatssecretaris terecht het militaire nabestaandenpensioen van appellante nader heeft vastgesteld (gekort) omdat zij een geregistreerd partnerschap is aangegaan. Er is geen sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid, van inbreuk op het recht op gezinsleven, van schending van het evenredigheidsbeginsel of van een situatie dat toepassing had moeten worden gegeven aan de hardheidsclausule. PROCESVERLOOP Namens appellante hebben [naam] en mr. N. Ramadhin hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 oktober 2025. Namens appellante zijn [naam] en Ramadhin verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J.A. Aerts. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante is getrouwd geweest met een (voormalig) militair. Als gevolg van zijn overlijden op [datum] 2001 is aan appellante een bijzonder militair nabestaandenpensioen (BMNP) toegekend. 1.2. Op 11 april 2022 is appellante een geregistreerd partnerschap aangegaan. Dat heeft ertoe geleid dat de staatssecretaris met een besluit van 19 april 2022 het aan appellante toekomende BMNP met ingang van 1 mei 2022 blijvend op een lager bedrag heeft vastgesteld. Daarbij heeft de staatssecretaris vermeld dat er daarnaast een korting op het nabestaandenpensioen zal worden toegepast, omdat appellante recht heeft op de helft van een algemeen ouderdomspensioen voor gehuwden. 1.3. Met een besluit van 29 november 2022 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 april 2022 ongegrond verklaard. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat het bestreden besluit niet in strijd is met het discriminatieverbod. Er is geen aanleiding om geregistreerde partners niet als gehuwde maar als ongehuwde stellen te behandelen, omdat het geregistreerd partnerschap wat betreft rechten en verplichtingen gelijk is gesteld met het huwelijk. Daarbij komt dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens over het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden in het kader van sociaaleconomische regelgeving heeft overwogen dat de situatie van ongehuwd samenwonenden niet gelijk is aan de situatie van gehuwden. Dit maakt dat de staatssecretaris terecht een onderscheid heeft gemaakt tussen stellen met een geregistreerd partnerschap en ongehuwde stellen die samenwonen. Verder is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet onevenredig is. Ondanks dat appellante op de hoogte was van de substantiële achteruitgang aan inkomen bij het aangaan van een geregistreerd partnerschap, het beperkte vermogen en inkomen van haar partner en haar beperkte mogelijkheden om inkomen te verwerven door haar leeftijd en gezondheid heeft zij toch gekozen voor een geregistreerd partnerschap. Daarbij is niet gebleken dat appellante met het vastgestelde nabestaandenpensioen onder het sociaal minimum terecht is gekomen. Tot slot is de rechtbank met de staatssecretaris van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om toepassing te geven aan de hardheidsclausule in artikel 22 van het Besluit bijzondere militaire pensioenen. Niet is gebleken van een bijzonder geval waarbij het bestreden besluit een onredelijke uitkomst heeft, aldus de rechtbank. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak niet eens. Wat zij hiertegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 4.1. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is grotendeels een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden besproken en gemotiveerd waarom deze niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad kan zich vinden in de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank en verwijst daarnaar. Naar aanleiding van het hoger beroep voegt de Raad daar het volgende aan toe. 4.2. Appellante heeft in hoger beroep nog aangevoerd dat onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen het onderscheid tussen het aangaan van huwelijken/geregistreerd partnerschappen en andere affectieve samenlevingsvormen in het (overheids)pensioenstelsel zo goed als verdwenen is. Dit geldt echter niet voor het Besluit bijzondere militaire pensioenen, waardoor het recht van appellante op ‘family life’ wordt geschonden. Haar keuze voor een geregistreerd partnerschap wordt gesanctioneerd met een korting van haar BMNP. 4.3. De Raad volgt appellante hierin niet. Dat er in het Besluit bijzondere militaire pensioenen financiële consequenties worden verbonden aan het aangaan van een geregistreerd partnerschap betekent niet dat daarmee een inbreuk wordt gemaakt op het recht op gezinsleven van appellante. Het Besluit bijzondere militaire pensioenen staat er niet aan in de weg dat appellante haar relatie met haar partner vormgeeft op de door haar gewenste wijze. Appellante heeft dat ook daadwerkelijk gedaan. Van belang is verder dat er andere mogelijkheden waren om het met het aangaan van het geregistreerd partnerschap door appellante beoogde doel, namelijk dat zij en haar partner elkaar in juridische zin kunnen vertegenwoordigen (bijvoorbeeld bij medische instanties), te realiseren. Appellante is om haar moverende redenen en terwijl zij op de hoogte was van de consequenties van die keuze met haar partner een geregistreerd partnerschap aangegaan. Dat die keuze het gevolg heeft dat er een korting op haar BMNP plaatsvindt, leidt echter niet tot de conclusie dat er met het Besluit bijzondere militaire pensioenen, dan wel met de daarop gebaseerde besluitvorming van de staatssecretaris inbreuk wordt gemaakt op het gezinsleven van appellante. Conclusie en gevolgen 4.4. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het besluit van 29 november 2022 en daarmee de korting op het BMNP van appellante in stand blijft. 5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en Y. Sneevliet en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2025. (getekend) H. Lagas (getekend) M. Dafir Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Besluit bijzondere militaire pensioenen Artikel 9 1.