Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-10-30
ECLI:NL:CRVB:2025:1626
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Verzet
1,624 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 30 oktober 2025
23/797 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 december 2022, 22/1455 e.v.
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
Het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)
Procesverloop
In de uitspraak van 16 januari 2024 heeft de Raad het door appellant ingestelde verzoek om herziening van de uitspraak in hoger beroep van 13 december 2022 niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet is betaald.
Appellant heeft verzet ingediend. Het verzet is behandeld op zitting van 18 september 2025. Partijen hebben online aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
Bij een verzoek om herziening is appellant griffierecht verschuldigd. Zoals in de uitspraak van 16 januari 2024 is overwogen heeft de gemachtigde van appellant de nota voor het betalen van het griffierecht ontvangen. In die nota staat duidelijk vermeld dat appellant in deze procedure opnieuw griffierecht is verschuldigd en binnen welke termijn het griffierecht moet worden betaald. Het griffierecht is niet betaald.
De gemachtigde van appellant heeft in verzet aangevoerd dat zij de brief over het griffierecht had gemist vanwege postproblemen. Daarnaast is er sprake van betalingsonmacht zodat appellant het griffierecht niet is verschuldigd. Appellant ontvangt een bijstandsuitkering. Verder heeft de gemachtigde aangevoerd dat ze in een eerdere procedure heeft verzocht om vrijstelling voor het betalen van het griffierecht en dat ze ervan uit ging dat haar verzoek om vrijstelling was toegewezen.
Op de zitting heeft de gemachtigde van appellant verklaard dat zij de eerste nota voor het betalen van het griffierecht heeft ontvangen en dat zij het logisch vindt dat er griffierecht is verschuldigd. Haar betoog spitst zich erop toe dat zij van mening is dat appellant een beroep op betalingsonmacht kon doen. Zij ging ervan uit dat dit was toegewezen. De Raad overweegt dat de gemachtigde van appellant een professionele gemachtigde is en dat niet is gebleken dat zij tijdig een beroep op betalingsonmacht heeft gedaan. Van de gemachtigde mag worden verwacht dat zij weet hoe de procedure van het betalen van griffierecht in elkaar zit en wat de termijnen zijn voor het betalen van het griffierecht. Het niet tijdig een beroep doen op betalingsonmacht dan wel het niet betalen komt dan ook voor haar risico.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2025.
(getekend) J.C. Boeree
(getekend) J. Bonnema
Inleiding
Datum uitspraak: 30 oktober 2025
23/797 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 december 2022, 22/1455 e.v.
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
Het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)
Procesverloop
In de uitspraak van 16 januari 2024 heeft de Raad het door appellant ingestelde verzoek om herziening van de uitspraak in hoger beroep van 13 december 2022 niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet is betaald.
Appellant heeft verzet ingediend. Het verzet is behandeld op zitting van 18 september 2025. Partijen hebben online aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
Bij een verzoek om herziening is appellant griffierecht verschuldigd. Zoals in de uitspraak van 16 januari 2024 is overwogen heeft de gemachtigde van appellant de nota voor het betalen van het griffierecht ontvangen. In die nota staat duidelijk vermeld dat appellant in deze procedure opnieuw griffierecht is verschuldigd en binnen welke termijn het griffierecht moet worden betaald. Het griffierecht is niet betaald.
De gemachtigde van appellant heeft in verzet aangevoerd dat zij de brief over het griffierecht had gemist vanwege postproblemen. Daarnaast is er sprake van betalingsonmacht zodat appellant het griffierecht niet is verschuldigd. Appellant ontvangt een bijstandsuitkering. Verder heeft de gemachtigde aangevoerd dat ze in een eerdere procedure heeft verzocht om vrijstelling voor het betalen van het griffierecht en dat ze ervan uit ging dat haar verzoek om vrijstelling was toegewezen.
Op de zitting heeft de gemachtigde van appellant verklaard dat zij de eerste nota voor het betalen van het griffierecht heeft ontvangen en dat zij het logisch vindt dat er griffierecht is verschuldigd. Haar betoog spitst zich erop toe dat zij van mening is dat appellant een beroep op betalingsonmacht kon doen. Zij ging ervan uit dat dit was toegewezen. De Raad overweegt dat de gemachtigde van appellant een professionele gemachtigde is en dat niet is gebleken dat zij tijdig een beroep op betalingsonmacht heeft gedaan. Van de gemachtigde mag worden verwacht dat zij weet hoe de procedure van het betalen van griffierecht in elkaar zit en wat de termijnen zijn voor het betalen van het griffierecht. Het niet tijdig een beroep doen op betalingsonmacht dan wel het niet betalen komt dan ook voor haar risico.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2025.
(getekend) J.C. Boeree
(getekend) J. Bonnema