Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-10-07
ECLI:NL:CRVB:2025:1549
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
741 tokens
Inleiding
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 25 mei 2023, 22/56043 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Haarlemmermeer (college)
Datum uitspraak: 7 oktober 2025
Zitting hebben: P.W. van Straalen, als voorzitter, C.F.E. van Olden-Smit en C. Karman als leden
Griffier: H.Z. Şipal
Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. L.J.A. Edelaar.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en daartoe is het volgende van belang.
Het gaat in deze zaak om een herziening en een intrekking van de bijstand van appellante en om de terugvordering van kosten van bijstand tot een bedrag van € 17.311,06. Aan de intrekking ligt ten grondslag dat appellante de beschikking had over vermogen boven het voor haar geldende vrij te laten vermogen. Aan de herziening ligt ten grondslag dat zij inkomsten had in de vorm van bijschrijvingen en kasstortingen op haar bankrekening. Zij heeft het vermogen en de inkomsten niet gemeld en daarmee haar inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan heeft appellante ten onrechte, dan wel teveel bijstand ontvangen.
In de regiebrief van 2 oktober 2024 heeft de Raad appellante erop gewezen dat de gronden van het hoger beroep beperkt zijn tot de grond dat het college niet op basis van een anonieme brief waarnemingen mocht verrichten. De Raad heeft er daarbij op gewezen dat die waarnemingen niet aan de besluitvorming ten grondslag liggen. Appellante heeft hierin geen aanleiding gezien de gronden van het hoger beroep aan te vullen. De Raad zal zich daarom bij de beoordeling beperken tot de hiervoor genoemde beroepsgrond.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De grond komt er op neer dat de waarnemingen onrechtmatig zijn verricht, maar omdat de waarnemingen niet aan de besluitvorming ten grondslag liggen, kan deze grond er niet toe leiden dat het besluit tot intrekking, herziening en terugvordering van de bijstand geen stand kan houden. Wat aan dat besluit wel ten grondslag ligt, wordt niet betwist. De Raad zal om die reden de aangevallen uitspraak bevestigen. Dit betekent dat de intrekking, de herziening en de terugvordering in stand blijven.
Omdat appellante geen gelijk krijgt bestaat ook geen aanleiding voor een kostenveroordeling.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de meervoudige kamer
(getekend) H.Z. Şipal (getekend) P.W. van Straalen