Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-10-14
ECLI:NL:CRVB:2025:1519
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,105 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 14 oktober 2025
24/2772 PW, 24/2773 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 november 2024, 24/6769 en 24/7423
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. M. Kaplan, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Op 27 mei 2025 heeft mr. O.C. Bozbiyik zich als gemachtigde gesteld en meegedeeld dat hij de zaak van mr. Kaplan (kantoorgenoot) heeft overgenomen.
Overwegingen
In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 18 december 2024 is de gemachtigde van appellante erop gewezen dat een griffierecht van € 138,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 21 januari 2025 is de gemachtigde van appellante nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief dient te zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellante er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld kan worden.
Met een e-mailbericht van 23 januari 2025 heeft de gemachtigde van appellante te kennen gegeven dat appellante een beroep doet op betalingsonmacht, omdat zij niet in staat is het griffierecht te betalen. Naar aanleiding van dit beroep op betalingsonmacht heeft de Raad de gemachtigde van appellante met een brief van 28 januari 2025 verzocht om appellante gegevens te laten verstrekken door een bijgevoegd formulier in te vullen en binnen vier weken retour te sturen aan de Raad. Daarbij is erop gewezen dat het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen en appellante alsnog griffierecht moet betalen, indien het formulier niet op tijd retour is gestuurd, het formulier niet compleet is ingevuld of als gegevens ontbreken.
De Raad heeft het beroep op betalingsonmacht bij brief van 29 april 2025 afgewezen, omdat appellante niet aan het verzoek van de Raad van 28 januari 2025 heeft voldaan.
Bij brief van 30 april 2025 is de gemachtigde van appellante er opnieuw op gewezen dat een griffierecht van € 138,- is verschuldigd. Een nieuwe betalingsherinnering is aangetekend verzonden op 2 juni 2025 waarbij wederom is aangegeven dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellante er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld kan worden.
De termijn is verstreken en het griffierecht is niet betaald. Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2025.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.