Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-08-06
ECLI:NL:CRVB:2025:1202
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Proceskostenveroordeling
959 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 6 augustus 2025
23/1384 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 april 2023, 21/3368 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. R.M.J. Schoonbrood, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Nadat partijen over en weer nadere stukken hebben ingediend, heeft het Uwv op 10 januari 2025 een nieuw besluit genomen.
Bij brief van 25 maart 2025 heeft mr. Schoonbrood namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant.
Het Uwv heeft een reactie ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de Raad het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met het besluit van 10 januari 2025 volledig aan zijn beroepschrift is tegemoetgekomen. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de in bezwaar, beroep en hoger beroep gemaakte kosten. Het Uwv heeft in reactie hierop aangegeven zich niet te verzetten tegen de toekenning van een forfaitaire vergoeding.
Proceskosten
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 647,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 647,-), op € 1.814,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-) en op € 1.360,50 in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 0,5 punt voor een reactie op een voornemen van het Uwv voor een gewijzigd besluit, met een waarde per punt van € 907,-), in totaal €3.821,50.
Griffierecht
Het Uwv dient het door appellant in beroep (€ 49,-) en hoger beroep (€ 136,-) betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.821,50;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van J.A. Achterberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2025.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) J.A. Achterberg