Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-07-02
ECLI:NL:CRVB:2025:1022
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
989 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 2 juli 2025
23/2847 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 september 2023, 23/265 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. L.A. Alderlieste, advocaat, hoger beroep ingesteld en de gronden van het hoger beroep ingediend.
Het Uwv heeft op 2 december 2024 een nieuw besluit op bezwaar genomen.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de kosten van bezwaar, beroep en hoger beroep.
Het Uwv heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 2 december 2024 aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Proceskosten
Voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar is geen grond. Het Uwv heeft in de gewijzigde beslissing op bezwaar van 2 december 2024 een proceskostenvergoeding van
€ 1.248,- toegekend.
De Raad ziet wel aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op
€ 1.814,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-) en € 907,- in hoger beroep
(1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift). In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 2.721,-.
Voor een vergoeding van de door appellante op het formulier proceskosten opgevoerde verletkosten ziet de Raad geen aanleiding, nu niet duidelijk is wat deze kosten zijn en deze kosten niet zijn onderbouwd. Voor zover appellante hiermee heeft bedoeld een vergoeding voor het betaalde griffierecht te ontvangen, geldt het volgende.
Griffierecht
Het Uwv dient het door appellante in beroep (€ 50,-) en in hoger beroep (€ 136,-) betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.721,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van A.M. Korver als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2025.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) A.M. Korver