Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-04-30
ECLI:NL:CRVB:2024:881
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,034 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 30 april 2024
23/340 BBZ, 23/1394 BBZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
9 december 2022, 22/3421
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 23 augustus 2023 heeft mr. Kramer namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat het college op 27 februari 2023 een herziene beslissing op bezwaar heeft genomen, waarmee het besluit van 18 juli 2022 is ingetrokken en is besloten de Bbz-aanvraag van appellant alsnog inhoudelijk in behandeling te nemen. Het college stelt dat hiermee aan het hoger beroep tegemoet wordt gekomen.
Namens appellant heeft mr. Kramer bij brief van 28 april 2023 laten weten dat met de herziene beslissing nog niet volledig tegemoet is gekomen aan het hoger beroep, nu de inhoudelijke beoordeling met betrekking tot de terugvordering nog niet is afgerond.
Het college heeft naar aanleiding hiervan op 25 mei 2023 een nader besluit genomen, waarmee het primaire besluit van 8 april 2022 is ingetrokken en aan appellant een Bbz-uitkering wordt toegekend over de periode van 1 januari 2022 tot en met 28 februari 2022. Dit besluit is vervolgens aanleiding geweest voor mr. Kramer om het hoger beroep in te trekken.
Aldus is volledig aan de bezwaren van appellant tegemoetgekomen. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 875,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift). Aangezien appellant destijds in bezwaar en beroep niet is bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener, zijn er geen voor vergoeding in aanmerking komende kosten in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep.
Ook dient het college het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 875,-;
bepaalt dat het college aan appellant het in beroep betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt;
bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2024.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen
Inleiding
Datum uitspraak: 30 april 2024
23/340 BBZ, 23/1394 BBZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
9 december 2022, 22/3421
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 23 augustus 2023 heeft mr. Kramer namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat het college op 27 februari 2023 een herziene beslissing op bezwaar heeft genomen, waarmee het besluit van 18 juli 2022 is ingetrokken en is besloten de Bbz-aanvraag van appellant alsnog inhoudelijk in behandeling te nemen. Het college stelt dat hiermee aan het hoger beroep tegemoet wordt gekomen.
Namens appellant heeft mr. Kramer bij brief van 28 april 2023 laten weten dat met de herziene beslissing nog niet volledig tegemoet is gekomen aan het hoger beroep, nu de inhoudelijke beoordeling met betrekking tot de terugvordering nog niet is afgerond.
Het college heeft naar aanleiding hiervan op 25 mei 2023 een nader besluit genomen, waarmee het primaire besluit van 8 april 2022 is ingetrokken en aan appellant een Bbz-uitkering wordt toegekend over de periode van 1 januari 2022 tot en met 28 februari 2022. Dit besluit is vervolgens aanleiding geweest voor mr. Kramer om het hoger beroep in te trekken.
Aldus is volledig aan de bezwaren van appellant tegemoetgekomen. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 875,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift). Aangezien appellant destijds in bezwaar en beroep niet is bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener, zijn er geen voor vergoeding in aanmerking komende kosten in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep.
Ook dient het college het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 875,-;
bepaalt dat het college aan appellant het in beroep betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt;
bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2024.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen