Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-04-30
ECLI:NL:CRVB:2024:880
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,788 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 30 april 2024
22/3768 PW, 22/3770 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (college)
Procesverloop
Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 23 november 2021 heeft het college op 22 februari 2022 een herzien besluit genomen.
Namens appellante heeft mr. S.C. Scheermeijer, advocaat, op 1 april 2022 bezwaar ingediend tegen dit besluit.
Vanwege het uitblijven van een besluit op bezwaar, heeft mr. Scheermeijer het college op 29 september 2022 in gebreke gesteld.
Het college heeft na veertien dagen nog steeds geen besluit op bezwaar genomen, waarna mr. Scheermeijer vervolgens bij de Raad beroep heeft ingesteld tegen dit uitblijven van het besluit op bezwaar. Daarbij is verzocht een dwangsom toe te kennen.
Bij brief van 15 februari 2023 heeft mr. Scheermeijer namens appellante het beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft laten weten zich niet te verzetten tegen een eventuele proceskostenveroordeling.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspaak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.
Op 25 november 2022 heeft het college aan appellante een dwangsom toegekend voor elke dag dat het college te laat was met het nemen van een besluit op bezwaar. Aan appellante is de maximale dwangsom toegekend. Tevens heeft op 17 januari 2023 een hoorzitting plaatsgevonden waar appellante haar bezwaar nader heeft kunnen toelichten.
Vastgesteld wordt dat mr. Scheermeijer het beroep heeft ingetrokken naar aanleiding van deze hoorzitting, aangezien partijen een schikking hebben bereikt.
Gelet op het voorgaande is geheel of gedeeltelijk aan de bezwaren van appellante tegemoetgekomen.
Het college wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 624,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met wegingsfactor 0,5) en € 437,50 in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met wegingsfactor 0,5).
Dictum
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.061,50.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2024.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen
Inleiding
Datum uitspraak: 30 april 2024
22/3768 PW, 22/3770 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (college)
Procesverloop
Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 23 november 2021 heeft het college op 22 februari 2022 een herzien besluit genomen.
Namens appellante heeft mr. S.C. Scheermeijer, advocaat, op 1 april 2022 bezwaar ingediend tegen dit besluit.
Vanwege het uitblijven van een besluit op bezwaar, heeft mr. Scheermeijer het college op 29 september 2022 in gebreke gesteld.
Het college heeft na veertien dagen nog steeds geen besluit op bezwaar genomen, waarna mr. Scheermeijer vervolgens bij de Raad beroep heeft ingesteld tegen dit uitblijven van het besluit op bezwaar. Daarbij is verzocht een dwangsom toe te kennen.
Bij brief van 15 februari 2023 heeft mr. Scheermeijer namens appellante het beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft laten weten zich niet te verzetten tegen een eventuele proceskostenveroordeling.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspaak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.
Op 25 november 2022 heeft het college aan appellante een dwangsom toegekend voor elke dag dat het college te laat was met het nemen van een besluit op bezwaar. Aan appellante is de maximale dwangsom toegekend. Tevens heeft op 17 januari 2023 een hoorzitting plaatsgevonden waar appellante haar bezwaar nader heeft kunnen toelichten.
Vastgesteld wordt dat mr. Scheermeijer het beroep heeft ingetrokken naar aanleiding van deze hoorzitting, aangezien partijen een schikking hebben bereikt.
Gelet op het voorgaande is geheel of gedeeltelijk aan de bezwaren van appellante tegemoetgekomen.
Het college wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 624,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met wegingsfactor 0,5) en € 437,50 in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met wegingsfactor 0,5).
Dictum
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.061,50.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2024.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen