Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-04-16
ECLI:NL:CRVB:2024:806
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,114 tokens
Inleiding
223740 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van de rechtbank Midden-Nederland van 25 oktober 2022, 22/2598 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Datum uitspraak: 16 april 2024
Zitting heeft: W.F. Claessens
Griffier: F.C. Meershoek
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Gürses, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Siemeling.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om de brutering in januari 2022 van een netto vordering van het college op appellant. Deze vordering is ontstaan door een besluit van 5 oktober 2021. Met dat besluit heeft het college de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 1 januari 2021 en de over de periode van januari tot en met augustus 2021 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, maar het college is met een besluit van 3 maart 2022 bij de intrekking en terugvordering gebleven. Aan het besluit van 3 maart 2022 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door de gevraagde informatie over zijn inkomsten als zelfstandige niet te verstrekken. Tegen het besluit van 3 maart 2022 heeft appellant geen beroep ingesteld. Appellant heeft het college verzocht om dit besluit te herzien. Daarover loopt nu nog een procedure.
Het college heeft de brutering na bezwaar daartegen gehandhaafd met een besluit van 12 mei 2022 (bestreden besluit). In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Geschil
Appellant heeft aangevoerd dat aan beide voorwaarden is voldaan. Hij verwijst hiervoor naar de herzieningsprocedure en in het bijzonder naar de gronden die hij in het kader van die procedure in beroep heeft aangevoerd. Die gronden komen er kort gezegd op neer dat appellant het college te kennen heeft gegeven per 1 juli 2021 geen bijstand meer te willen krijgen, dat hij de brieven met informatieverzoeken van het college niet heeft ontvangen, dat hij zijn bedrijf pas op 5 mei 2021 bij de Kamer van Koophandel heeft ingeschreven en dat hij ook na de inschrijving geen inkomsten uit zijn bedrijf heeft gehad. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Wat er ook zij van de eerste voorwaarde, appellant heeft ook in hoger beroep niet duidelijk kunnen maken waarom hem niet zou kunnen worden verweten dat hij de vordering niet al heeft betaald in 2021, het kalenderjaar waarin deze is ontstaan. Dat blijkt in ieder geval niet uit het feit dat appellant het college heeft verzocht om herziening van het besluit van 3 maart 2022 en/of uit de gronden die appellant in de procedure daarover heeft aangevoerd. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant gesteld dat appellant de vordering niet kon voldoen in 2021, omdat hij een bijstandsuitkering ontving en dus geen geld had. Alleen al omdat appellant deze stelling niet heeft onderbouwd wordt daaraan voorbijgegaan. Aan de tweede voorwaarde is dus niet voldaan. Alleen al om die reden heeft het college gebruik kunnen maken van de bevoegdheid om de vordering uit 2021 te bruteren.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd. Dit betekent dat de brutering in stand blijft.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) F.C. Meershoek (getekend) W.F. Claessens
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1388.
Inleiding
223740 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van de rechtbank Midden-Nederland van 25 oktober 2022, 22/2598 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Datum uitspraak: 16 april 2024
Zitting heeft: W.F. Claessens
Griffier: F.C. Meershoek
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Gürses, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Siemeling.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om de brutering in januari 2022 van een netto vordering van het college op appellant. Deze vordering is ontstaan door een besluit van 5 oktober 2021. Met dat besluit heeft het college de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 1 januari 2021 en de over de periode van januari tot en met augustus 2021 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, maar het college is met een besluit van 3 maart 2022 bij de intrekking en terugvordering gebleven. Aan het besluit van 3 maart 2022 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door de gevraagde informatie over zijn inkomsten als zelfstandige niet te verstrekken. Tegen het besluit van 3 maart 2022 heeft appellant geen beroep ingesteld. Appellant heeft het college verzocht om dit besluit te herzien. Daarover loopt nu nog een procedure.
Het college heeft de brutering na bezwaar daartegen gehandhaafd met een besluit van 12 mei 2022 (bestreden besluit). In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Geschil
Appellant heeft aangevoerd dat aan beide voorwaarden is voldaan. Hij verwijst hiervoor naar de herzieningsprocedure en in het bijzonder naar de gronden die hij in het kader van die procedure in beroep heeft aangevoerd. Die gronden komen er kort gezegd op neer dat appellant het college te kennen heeft gegeven per 1 juli 2021 geen bijstand meer te willen krijgen, dat hij de brieven met informatieverzoeken van het college niet heeft ontvangen, dat hij zijn bedrijf pas op 5 mei 2021 bij de Kamer van Koophandel heeft ingeschreven en dat hij ook na de inschrijving geen inkomsten uit zijn bedrijf heeft gehad. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Wat er ook zij van de eerste voorwaarde, appellant heeft ook in hoger beroep niet duidelijk kunnen maken waarom hem niet zou kunnen worden verweten dat hij de vordering niet al heeft betaald in 2021, het kalenderjaar waarin deze is ontstaan. Dat blijkt in ieder geval niet uit het feit dat appellant het college heeft verzocht om herziening van het besluit van 3 maart 2022 en/of uit de gronden die appellant in de procedure daarover heeft aangevoerd. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant gesteld dat appellant de vordering niet kon voldoen in 2021, omdat hij een bijstandsuitkering ontving en dus geen geld had. Alleen al omdat appellant deze stelling niet heeft onderbouwd wordt daaraan voorbijgegaan. Aan de tweede voorwaarde is dus niet voldaan. Alleen al om die reden heeft het college gebruik kunnen maken van de bevoegdheid om de vordering uit 2021 te bruteren.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd. Dit betekent dat de brutering in stand blijft.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) F.C. Meershoek (getekend) W.F. Claessens
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1388.