Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-04-18
ECLI:NL:CRVB:2024:758
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,948 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 18 april 2024
22/633 WIA, 23/43 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 januari 2022, 21/2137 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft op 26 oktober 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Hierop heeft appellant gereageerd, waarop het Uwv weer heeft gereageerd.
Met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is deze beslissing in de lopende procedure betrokken.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Küçükünal. Als tolk is verschenen [X]. Het Uwv heeft zich, via videobellen, laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.
De Raad heeft op 8 maart 2023 een tussenuitspraak gedaan, gepubliceerd onder ECLI:NL:CRVB:2023:439.
Het Uwv heeft op 13 juli 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Awb is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 13 juli 2023 volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 875,- in beroep (1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt van € 875,-) en op € 2.187,50 in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 0,5 punt voor de reactie op het nader besluit en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 3.062,50.
Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.062,50;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2024.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) M.D.F. de Moor
Inleiding
Datum uitspraak: 18 april 2024
22/633 WIA, 23/43 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 januari 2022, 21/2137 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft op 26 oktober 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Hierop heeft appellant gereageerd, waarop het Uwv weer heeft gereageerd.
Met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is deze beslissing in de lopende procedure betrokken.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Küçükünal. Als tolk is verschenen [X]. Het Uwv heeft zich, via videobellen, laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.
De Raad heeft op 8 maart 2023 een tussenuitspraak gedaan, gepubliceerd onder ECLI:NL:CRVB:2023:439.
Het Uwv heeft op 13 juli 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Awb is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 13 juli 2023 volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 875,- in beroep (1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt van € 875,-) en op € 2.187,50 in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 0,5 punt voor de reactie op het nader besluit en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 3.062,50.
Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.062,50;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2024.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) M.D.F. de Moor